ECLI:NL:RBLIM:2026:1616

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
12016081 \ CV EXPL 25-5688
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Otto
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 lid 7 BWArt. 7:271 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toedeling huurrecht aan medehuurder na beëindiging relatie en vertrek uit woning

Eisende partij en gedaagde partij waren contractuele medehuurders van een woning sinds 1 juni 2024. Na het beëindigen van hun affectieve relatie in juli 2025 verliet eisende partij de woning met de minderjarige kinderen, terwijl gedaagde partij bleef wonen.

Eisende partij vorderde op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro dat haar huurrecht per 1 juli 2025 zou eindigen, zodat zij niet langer hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor de huur. Gedaagde partij stelde dat het huurrecht pas per 1 november 2025 zou moeten eindigen, omdat eisende partij pas in oktober 2025 had laten weten niet meer in de woning te willen verblijven.

De kantonrechter oordeelde dat het belang van eisende partij om niet langer hoofdelijk aansprakelijk te zijn zwaarder weegt dan het belang van gedaagde partij. Gezien het vertrek van eisende partij in juli 2025 en haar aangetekende brief van 28 juli 2025, werd het huurrecht van eisende partij per 1 september 2025 beëindigd. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het huurrecht van eisende partij eindigt per 1 september 2025 en komt vanaf die datum alleen toe aan gedaagde partij.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12016081 \ CV EXPL 25-5688
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonende op een geheim adres,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. B.H.S. Brinkman,
tegen
[gedaagde partij],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 9 december 2025 met producties 1 tot en met 3;
- de schriftelijke weergave van het antwoord;
- de door [eisende partij] ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding gebrachte aanvullende producties 4 tot en met 9;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 februari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] en [gedaagde partij] huren met ingang van 1 juni 2024 samen de woning aan [adres] van [bedrijf] . De huur bedraagt thans € 1.150,00 per maand.
2.2.
Ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst hadden partijen een affectieve relatie. Partijen waren niet gehuwd, hadden geen geregistreerd partnerschap en geen samenlevingscontract gesloten. Uit deze relatie is één thans minderjarig kind geboren. In de woning woonde ook een minderjarig kind uit een eerdere relatie van [eisende partij] .
2.3.
De relatie van partijen is begin juli 2025 geëindigd, waarna [eisende partij] de woning samen met de minderjarige kinderen heeft verlaten. [gedaagde partij] is in de woning blijven wonen.
2.4.
[eisende partij] heeft [bedrijf] per aangetekende brief van 28 juli 2025 laten weten dat zij de huurovereenkomst met onmiddellijke ingang stopzet en dat haar naam vanaf 1 augustus 2025 uit de huurovereenkomst wordt geschrapt, waardoor enkel [gedaagde partij] de woning nog huurt.
2.5.
[eisende partij] heeft tot tweemaal toe aangifte bij de politie gedaan tegen [gedaagde partij] .

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [eisende partij] de huur van de woning met ingang van 1 juli 2025, althans met ingang van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, niet langer voortzet en het huurrecht met ingang van deze datum aan [gedaagde partij] toekomt, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen voorziening te treffen, alsmede veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten en nakosten.
3.2.
[eisende partij] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Na beëindiging van de affectieve relatie tussen partijen heeft [eisende partij] de woning begin juli 2025 samen met haar minderjarige kinderen noodgedwongen moeten verlaten door de opgelopen spanningen en sindsdien heeft [gedaagde partij] het volledige gebruiksgenot van de woning. [eisende partij] vordert daarom op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro te bepalen dat zij haar huurrecht niet langer zal voortzetten met ingang van 1 juli 2025 en dat zij daardoor met ingang van die datum niet langer hoofdelijk aansprakelijk is voor betaling van de huurpenningen.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer en stelt zich op het standpunt dat [eisende partij] hem aan het lijntje heeft gehouden door pas begin oktober 2025 aan te geven dat zij niet in de woning wil wonen. Hij vindt het daarom eerlijk dat het huurrecht van [eisende partij] niet langer wordt voortgezet met ingang van 1 november 2025.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eisende partij] en [gedaagde partij] zijn contractuele medehuurders van de woning die noch gehuwd noch geregistreerd partner zijn geweest. In een dergelijk geval is artikel 7:267 lid 7 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van overeenkomstige toepassing. [1] Op grond van die bepaling kan een (mede)huurder in een bodemprocedure vorderen dat de kantonrechter zal bepalen dat de huur van de andere (mede)huurder met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer wordt voortgezet. De vordering wordt alleen toegewezen, als dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is.
4.2.
Uit de stellingen van partijen en de toelichting daarop ter zitting is voldoende komen vast te staan dat de relatie van partijen geëindigd is en dat, gelet op de tussen partijen gerezen spanningen, gezamenlijk verblijf in de woning niet mogelijk is. De kantonrechter dient op basis van een belangenafweging te bepalen wie van de huurders zijn of haar huurrecht niet langer zal voortzetten. Partijen zijn het er echter over eens dat het huurrecht van [eisende partij] niet langer wordt voortgezet en dat [gedaagde partij] in de woning zal blijven wonen. De kantonrechter sluit hierbij aan. Dat [gedaagde partij] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat hij de woning in de toekomst ook wil verlaten, verandert dat niet.
4.3.
Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum het huurrecht van [eisende partij] niet langer zal worden voortgezet. [eisende partij] stelt dat haar huurrecht met ingang van 1 juli 2025 niet langer wordt voortgezet nu zij vanaf begin juli 2025 niet meer in de woning verblijft en [gedaagde partij] vanaf dat moment het gebruiksrecht heeft. Het is volgens haar dan ook niet meer dan redelijk dat zij vanaf dat moment niet meer hoofdelijk aansprakelijk is voor betaling van de huurpenningen. [gedaagde partij] stelt daartegenover dat het eerlijk is dat het huurrecht met ingang van 1 november 2025 niet langer wordt voortgezet, omdat [eisende partij] pas in begin oktober 2025 heeft laten weten dat zij niet in de woning wil wonen.
4.4.
Vast staat dat [eisende partij] de woning vanaf juli 2025 heeft verlaten en dat [gedaagde partij] sindsdien alleen in de woning verblijft en het volledige gebruiksgenot daarvan heeft. [eisende partij] heeft de verhuurder op 28 juli 2025 per aangetekende brief laten weten dat zij de huurovereenkomst met onmiddellijke ingang stopzet en dat haar naam vanaf 1 augustus 2025 uit de huurovereenkomst wordt geschrapt, zodat vanaf dat moment [gedaagde partij] alleen de woning huurt. Hoewel [eisende partij] de huurovereenkomst als contractuele medehuurder, zonder toestemming van de verhuurder of overeenstemming met [gedaagde partij] , niet zonder meer (alleen) rechtsgeldig kan opzeggen blijkt hieruit wel haar wil om de huur onmiddellijk te beëindigen. Met inachtneming van de opzegtermijn van één maand [2] zou de huurovereenkomst ten aanzien van [eisende partij] , bij een geldige opzegging, eindigen per 1 september 2025. De kantonrechter acht het belang van [eisende partij] dat zij niet langer hoofdelijk aansprakelijk is voor het betalen van de huurpenningen nu zij sinds juli 2025 niet meer in de woning verblijft, zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde partij] dat [eisende partij] tot 1 november 2025 naast hem hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de huurpenningen.
4.5.
Gelet op bovenstaande acht de kantonrechter het billijk dat het huurrecht van [eisende partij] niet langer wordt voortgezet met ingang van 1 september 2025.
4.6.
[eisende partij] vordert veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
bepaalt dat [eisende partij] de huur van de woning aan [adres] met ingang van 1 september 2025 niet langer voortzet, zodat het huurrecht van deze woning vanaf deze datum alleen aan [gedaagde partij] toekomt,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1964.
2.Artikel 7:271 Burgerlijk Pro Wetboek en de gesloten huurovereenkomst.