Uitspraak
1.De procedure
- de schriftelijke weergave van het antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
Rechtbank Limburg
Eisende partij en gedaagde partij waren contractuele medehuurders van een woning sinds 1 juni 2024. Na het beëindigen van hun affectieve relatie in juli 2025 verliet eisende partij de woning met de minderjarige kinderen, terwijl gedaagde partij bleef wonen.
Eisende partij vorderde op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro dat haar huurrecht per 1 juli 2025 zou eindigen, zodat zij niet langer hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor de huur. Gedaagde partij stelde dat het huurrecht pas per 1 november 2025 zou moeten eindigen, omdat eisende partij pas in oktober 2025 had laten weten niet meer in de woning te willen verblijven.
De kantonrechter oordeelde dat het belang van eisende partij om niet langer hoofdelijk aansprakelijk te zijn zwaarder weegt dan het belang van gedaagde partij. Gezien het vertrek van eisende partij in juli 2025 en haar aangetekende brief van 28 juli 2025, werd het huurrecht van eisende partij per 1 september 2025 beëindigd. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het huurrecht van eisende partij eindigt per 1 september 2025 en komt vanaf die datum alleen toe aan gedaagde partij.