ECLI:NL:RBLIM:2026:1629

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
03.326159.24 +03.398385.24
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging met vuurwapen, mishandeling, vernieling en munitiebezit

De rechtbank Limburg heeft op 17 februari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte geboren in 1982 te Kerkrade. De verdachte werd beschuldigd van meerdere feiten waaronder bedreiging met een vuurwapen, mishandeling, vernieling van een ruit, bedreiging van zijn ex-partner en zoon, en het voorhanden hebben van munitie.

De feiten vonden plaats in oktober en december 2024 in Heerlen en Kerkrade. Uit camerabeelden, getuigenverklaringen en verklaringen van de verdachte bleek dat hij samen met een medeverdachte een medebewoner bedreigde en mishandelde, waarbij hij een vuurwapen toonde en afvuurde. Daarnaast bedreigde hij zijn ex-partner en zoon via spraakberichten en vernielde hij een ruit van de woning van zijn ex-partner.

De rechtbank achtte de bedreiging met vuurwapen, mishandeling, vernieling, bedreigingen en het bezit van munitie bewezen. Medeplegen werd niet bewezen verklaard wegens onvoldoende bewijs van nauwe samenwerking. De verdachte werd veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf waarvan 179 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 120 uur. De materiële schadevergoeding van €242,65 aan de benadeelde partij werd toegewezen, immateriële schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan concrete onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf waarvan 179 dagen voorwaardelijk en 120 uur taakstraf, met toekenning van materiële schadevergoeding en afwijzing immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03/326159-24 en 03/398385-24 (ttz.gev.)
Tegenspraak (gemachtigde raadsvrouw ex artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering)
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te Kerkrade op [geboortedatum] 1982,
wonende te [woonplaats] , [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. L. van Tiggelen, advocaat kantoorhoudende te Heerlen.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak met parketnummer 03/398385-24 is – na verwijzing door de politierechter –gelijktijdig aangebracht met de zaak met parketnummer 03/326159-24. De zaken zijn gevoegd en inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 februari 2026. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij is niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen [medeverdachte] met het parketnummer 03/324144-24.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging – na wijziging – is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
In de zaak met parketnummer 03/326159-24
al dan niet met een of meer anderen [medebewoner] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling (feit 1) en die [medebewoner] heeft mishandeld (feit 2). Onder feit 3 is ten laste gelegd dat hij munitie voorhanden heeft gehad.
In de zaak met parketnummer 03/398385-24
een ruit van [benadeelde partij] heeft vernield (feit 1) en dat hij [benadeelde partij] (feit 2) en [zoon verdachte] (feit 3) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
In de zaak met parketnummer 03/326159-24
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit. De verdachte is samen met medeverdachte [medeverdachte] naar het slachtoffer toegegaan. Daar hebben zij het slachtoffer bedreigd door samen met een bierflesje dreigend op hem af te lopen en vervolgens een vuurwapen te tonen en daarmee in de lucht te schieten. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte en [medeverdachte] elkaars gedragingen aanvullen en versterken, zodat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, hetgeen kwalificeert als medeplegen. Ten aanzien van de onder feit 2 tenlastegelegde mishandeling heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd. In het dossier bevinden zich buiten de camerabeelden geen andere bewijsmiddelen waaruit blijkt dat sprake is geweest van pijn en/of letsel bij het slachtoffer, en dat is nodig voor een bewezenverklaring van mishandeling. Feit 3 kan bewezen worden verklaard; dit feit heeft de verdachte bekend.
In de zaak met parketnummer 03/398385-24
De officier van justitie acht alle feiten bewezen op basis van de aangiftes en de bekennende verklaring van de verdachte bij de politieverhoren.
3.2
Het standpunt van de verdediging
In de zaak met parketnummer 03/326159-24
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde. Het bierflesje is irrelevant voor de tenlastegelegde bedreiging en de verdachte ontkent een vuurwapen te hebben getoond en daarmee te hebben geschoten. Ten aanzien van de onder feit 2 tenlastegelegde mishandeling heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat het slachtoffer pijn of letsel heeft gehad, zodat de verdachte van dat feit moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
In de zaak met parketnummer 03/398385-24
De raadvrouw heeft zich ten aanzien van alle drie de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, omdat de verdachte deze feiten heeft bekend.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
In de zaak met parketnummer 03/326159-24 [1]
Bewijsmiddelen
De hieronder weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meer feiten.
Getuige [getuige 1]verklaarde, voor zover hier van belang – zakelijk weergegeven – het volgende: [2]
Op 8 oktober 2024 tussen 03:00 uur en 03:30 uur was ik in mijn woning aan de [adres getuige 1] te Heerlen. Ik hoorde iemand schreeuwen. Toen ik dit hoorde, pakte ik mijn telefoon en keek via de Ringdeurbel wie buiten stond. Ik zag twee onbekende mannen staan. Vlak daarachter zag ik een medebewoner van de flat, [medebewoner] . Vlak erna hoorde ik een schot. De kale man had een fors postuur.
Getuige [getuige 2]verklaarde, voor zover hier van belang – zakelijk weergegeven – het volgende: [3]
Op 8 oktober 2024 omstreeks 03:20 uur was ik in mijn woning gelegen aan de [adres getuige 2] te Heerlen. Ik hoorde buiten hard geschreeuw. Ik zag een bewoner genaamd [medebewoner] lopen. Ineens hoorde ik een harde knal. Beide mannen hadden een fors postuur.
Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]relateren, voor zover hier van belang – zakelijk weergegeven – het volgende: [4]
Op 10 oktober 2024 waren wij doende met een onderzoek aan de [adres onderzoek] te Heerlen. Ik hoorde dat [getuige 2] het volgende verklaarde: “
Op woensdag 9 oktober omstreeks 15.00 uur kwam ik thuis van mijn werk. Op de parkeerplaats aan de achterzijde van de flat zag ik een huls op de grond liggen. Vanaf de ingang van de parkeerplaats vond ik de huls tussen de tweede en derde parkeerplaats.”
Verbalisant [verbalisant 3]relateert, voor zover hier van belang – zakelijk weergegeven – het volgende: [5]
Op 10 oktober 2024 werden de camerabeelden gevorderd van het adres [adres getuige 1] te Heerlen.
Ringbelbeelden schietincident Heerlerbaan: [adres onderzoek] Heerlen, 8 oktober 2024: door het onderzoeksteam werden de camerabeelden vluchtig bekeken. Hierop is te zien dat twee mannen komen aanlopen. Te zien is dat de kale man [medebewoner] in zijn gelaat slaat. Vervolgens is te horen dat er een woordenwisseling ontstaat tussen de drie personen. De kale man loopt vervolgens op [medebewoner] af. Te zien is dat de kale man zijn rechterhand/arm omhoog brengt en strekt. Op dat moment is een knal te horen.
Het onderzoeksteam is van mening dat de hierboven genoemde kale man (die) [medebewoner] mishandeld heeft en tevens geschoten heeft, [verdachte] , geboren op [geboortedatum] -1982 te Kerkrade, betreft.
Verbalisant [verbalisant 4]relateert, voor zover hier van belang – zakelijk weergegeven –, het volgende: [6]
Door mij werd een onderzoek ingesteld naar de beelden afkomstig van de Ring deurbel van [adres getuige 1] te Heerlen. Deze Ring deurbel geeft beelden van een parkeerplaats.
Fragment 10 08/10/2024 03:26:23 CEST-03:26:36 CEST
Man 3 ( [medebewoner] ) valt bijna achterover.
Fragment 12 08/10/2024 03:27:01 CEST-03:35:25 CEST
Terwijl er over en weer geschreeuwd wordt, steekt man 1 zijn rechterhand de lucht in, waarna er uit het voorwerp in zijn hand een flits komt. Dit is voor mij ambtshalve bekend als het mondingsvuur van een vuurwapen dat wordt afgevuurd. Tevens klinkt er een scherpe knal.
Tijdens de fouillering van de verdachte op 12 oktober 2024 in het cellencomplex werden in de rugzak van de verdachte
vier patronenaangetroffen (goednummer 1746630). [7] Aan deze patronen werd het Spoor Identificatienummer AARP5688NL verbonden. [8] De patronen zijn onderzocht en het blijkt te gaan om munitie in de zin van artikel 1 lid Pro 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie Pro III, van de Wet wapens en munitie. [9]
De verdachte verklaardebij de politie, voor zover hier van belang – zakelijk weergegeven – het volgende: [10]
De vier patronen die in mijn rugzak zijn aangetroffen, zijn mijn eigendom.
Ter terechtzitting van 3 februari 2026 heeft de raadsvrouw
een geschriftovergelegd, inhoudende een e-mail afkomstig van de verdachte die hij heeft verzonden naar zijn raadsvrouw, waarin hij schriftelijk het volgende verklaart: [11]
De avond van het voorval bij heer [medebewoner] ben ik meegegaan met [medeverdachte] (
de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ). Meneer [medebewoner] kwam naar buiten en er was een woordenwisseling die uitliep op ruzie. Ik gaf een klap. Ik deed met mijn rechterarm uithalen.
Bewijsoverweging
T.a.v. feit 1
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat de verdachte op 8 oktober 2024 samen met [medeverdachte] naar het slachtoffer [medebewoner] is gegaan. Uit camerabeelden blijkt dat bij de ontmoeting sprake was van een geagiteerde sfeer en een verhitte discussie. [medeverdachte] hield gedurende dit incident een bierflesje in zijn hand. Hoewel [medeverdachte] en de verdachte, maar ook het slachtoffer, een dreigende houding aannamen, is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat deze gedragingen van onvoldoende gewicht zijn om te kunnen spreken van een bedreiging tegen het leven gericht of met zware mishandeling, temeer nu niet is gebleken dat [medeverdachte] het bierflesje op een dreigende wijze heeft gebruikt. De verdachte zal in zoverre worden vrijgesproken.
De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte [medebewoner] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door [medebewoner] een vuurwapen te tonen en daarmee te schieten. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren beiden dat zij ten tijde van het incident een knal hebben gehoord. Verbalisant [verbalisant 4] heeft de flits die op de camerabeelden te zien is terwijl een scherpe knal klinkt, ambtshalve herkend als mondingsvuur van een vuurwapen dat wordt afgevuurd. Ook wordt de dag na het incident door [getuige 2] een huls gevonden op plek waar het incident zich heeft afgespeeld. Dit in onderlinge samenhang bezien met de camerabeelden, waarop te zien is dat de verdachte een handeling verricht die past bij het lossen van een schot, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte een vuurwapen heeft getoond aan [medebewoner] en hiermee heeft geschoten. Door (in een verhitte sfeer) op korte afstand van het slachtoffer met een vuurwapen in de lucht te schieten, heeft de verdachte deze willens en wetens bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling. Weliswaar heeft [medebewoner] geen aangifte gedaan van bedreiging en is (dus) niet duidelijk of de bedreiging het gewenste effect heeft gesorteerd, maar het tonen van en schieten met een vuurwapen is naar het oordeel van de rechtbank van dien aard dat dit handelen in het algemeen de vrees kan opwekken dat de bedreigde het leven zou kunnen verliezen of zwaar letsel zou kunnen oplopen.
De verdachte wordt (voorts) partieel vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen. Het dossier bevat onvoldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] .
T.a.v. feit 2
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte [medebewoner] heeft mishandeld. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat het slachtoffer in zijn gelaat wordt geslagen door de verdachte en de verdachte heeft in de e-mail die ter terechtzitting door de raadsvrouw is overgelegd, ook bevestigd dat hij geslagen heeft. Op de beelden is te zien dat de klap met hoge intensiteit wordt gegeven. De rechtbank volgt de officier van justitie en de verdediging niet in hun standpunt dat de mishandeling niet bewezen kan worden verklaard wegens het ontbreken van bewijs voor pijn en/of letsel. Naar algemene ervaringsregels brengt een klap met een dergelijk hoge intensiteit, afkomstig van iemand met een fors postuur, tegen het hoofd, een pijnervaring met zich. Dat het slachtoffer geen aangifte heeft gedaan, doet aan de feitelijke vaststelling van deze pijnervaring niet af. De rechtbank acht op grond van de aard en de intensiteit van de klap bewezen dat sprake is geweest van het toebrengen van pijn, waardoor de mishandeling bewezen kan worden verklaard.
De verdachte wordt ook hier partieel vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te kunnen vaststellen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] .
T.a.v. feit 3
De rechtbank acht dit feit bewezen, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte bij het politieverhoor en het onderzoek aan de patronen waarin is vastgesteld dat sprake is van munitie in de zin van artikel 1 lid Pro 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie Pro III, van de Wet wapens en munitie.
In de zaak met parketnummer 03/398385-24 [12]
Bewijsmiddelen
De hieronder weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meer feiten.
[benadeelde partij]verklaarde in haar aangifte, voor zover hier van belang, het volgende: [13]
Op 12 december [2024] omstreeks 23:59 uur stond mijn ex-vriend [verdachte] voor mijn woning in Kerkrade. [verdachte] schreeuwde naar mij en heeft bedreigingen geuit dat hij mij kapot zou maken. Ook zei hij dat als ik de deur niet opende dat ik wel zou zien wat er dan ging gebeuren. [verdachte] stuurde berichten richting mij via WhatsApp: "Ik maak je kapot". Ook had [verdachte] bedreigingen geuit richting zijn zoon [zoon verdachte] . Ook vernielde [verdachte] 13 december [2024] omstreeks 00:10 uur de ruit van de zijdeur van mijn woning. Ik hoorde een aantal harde knallen en een hoop lawaai rond de tijd dat [verdachte] buiten was aan het schreeuwen. [verdachte] had toen een steen door mijn ruit gegooid. Toen ik buiten stond, zag ik dat het glas was gebarsten en een gat in de ruit zat. Ik ben erg bang voor [verdachte] .
[zoon verdachte]verklaarde in zijn aangifte, voor zover hier van belang, het volgende: [14]
Ik doe aangifte van bedreiging. Ik ben ook bang dat mijn vader mij ook werkelijk iets aan gaat doen. Op 12 december 2024 om 13:25 uur ontving ik via WhatsApp bedreigingen van mijn vader [verdachte] . Ik kreeg vier spraakberichten. Ik hoorde dat mijn vader hier het volgende tegen mij zei: (gestuurd op 12 december 2024 om 13.30 uur). Spraakbericht 1: “He kutventje, ik maak je kapot ik zweer het je vanavond, nu terugbellen [zoon verdachte] ik zweer het je, zoon of niet auw ik sla je helemaal kapot, terugbellen flikker, echt waar stelletje zielige, wat zijn jullie een stel watjes, maar goed ik ga even naar de club bellen ik stuur wel wat mensen langs is goed”
Verbalisant [verbalisant 5]relateert, voor zover hier van belang, het volgende: [15]
In verband met een politieonderzoek van bedreiging en een vernieling naar [verdachte] , nam ik een aangifte van bedreiging op van slachtoffer [zoon verdachte] . Ik vroeg aan [verdachte] of hij mij de screenshots en de spraakberichten van WhatsAppgesprekken die genoemd worden in de aangifte van [benadeelde partij] kon verstrekken. Op 16 december ontving ik zes audiobestanden op de e-mail. De bestanden hadden de naam: PTT-20241213-WA0012.opus.
Verbalisant [verbalisant 6]relateert, voor zover hier van belang, het volgende: [16]
In verband met een politieonderzoek van bedreiging en een vernieling naar [verdachte] maakte ik een proces-verbaal van bevindingen op van de ontvangen
voicenotes. De
voicenoteswerden letterlijk overgenomen van stem naar woord PTT-20241213-WA0012.opus, het volgende is te horen: “
mijn kogel gaat jou niet in de koude kleren zitten”.
Verbalisant [verbalisant 6]relateert, voor zover hier van belang, het volgende: [17]
In verband met een politieonderzoek van bedreiging en een vernieling naar [verdachte] maakte ik een proces-verbaal van bevindingen op van de ontvangen
voicenotesvan [zoon verdachte] . De
voicenoteswerden letterlijk overgenomen van stem naar woord. PTT-20241212-WA0007, het volgende is te horen: “
ik sla je kapot”.
Verbalisant [verbalisant 7]relateert, voor zover hier van belang, het volgende: [18]
Onderstaande tekstberichten betreffen de van belang zijnde uitgewerkte WhatsApp audioberichten verzonden door verdachte [verdachte] aan aangever [zoon verdachte] . Audiobestandsnaam: 7db9895a9b4c4eaaae921e56fba80630.opus. Uitgewerkte tekst:
ik geef je de kogel.
De verdachte verklaardebij de politie op 15 december 2024, voor zover hier van belang, het volgende: [19]
V: = vraag verbalisant
A: = antwoord verdachte
V: Je bent aangehouden voor vernieling en bedreiging.
V: Wanneer ben je op het adres geweest?
A: Ik ben donderdag (
de rechtbank begrijpt:12 december 2024) vrij laat in de avond daar geweest. Rond 24:00 uur.
V: Heb je [benadeelde partij] (
de rechtbank begrijpt: [benadeelde partij] ) daar toen bedreigd?
A: Ja.
V: Heb je tegen [benadeelde partij] gezegd dat jij haar kapot ging maken?
A: Ja.
V: Wie heb je nog meer bedreigd?
A: Mijn zoon.
V: Wat is er kapotgegaan bij de woning van [benadeelde partij] ?
A: Ruit van zijdeur.
De verdachte verklaardebij de politie op 16 december 2024, voor zover hier van belang, het volgende: [20]
O: = opmerking verbalisant
V: = vraag verbalisant
A: = antwoord verdachte
V: Op 12 december 2024 om 13:25 uur heb jij WhatsApp berichten gestuurd naar [zoon verdachte] (
de rechtbank begrijpt:[zoon verdachte] ).
O: In een spraakbericht zeg je: Ik maak je kapot.
V: Waarom stuurde jij deze berichten allemaal?
A: Omdat ik boos was.
Bewijsoverweging
Op basis van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten bewezen. Uit de aangifte van [benadeelde partij] en de verklaring van de verdachte bij de politie blijkt dat hij de ruit heeft vernield. Tevens heeft hij bekend de in de tenlastelegging genoemde (spraak)berichten te hebben verzonden. Deze berichten hebben bij de slachtoffers de vrees doen ontstaan dat de verdachte de daad bij zijn woord zou voegen, waardoor sprake is van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
T.a.v. 03-326159-24 feit 1:
op 8 oktober 2024 te Heerlen [medebewoner] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [medebewoner] een vuurwapen te tonen en in de lucht te schieten;
T.a.v. 03-326159-24 feit 2:
op 8 oktober 2024 te Heerlen [medebewoner] heeft mishandeld door [medebewoner] in het gelaat te slaan;
T.a.v. 03-326159-24 feit 3:
op 12 oktober 2024 te Kerkrade munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vier kogelpatronen in het kaliber 7,65 millimeter Browning, voorhanden heeft gehad;
T.a.v. 03-398385-24 feit 1:
op 12 december 2024 te Kerkrade opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, die aan [benadeelde partij] toebehoorde, heeft vernield;
T.a.v. 03-398385-24 feit 2:
op 12 december 2024 en/of 13 december 2024 te Kerkrade [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door [benadeelde partij] (in persoon en/of via een audiobericht en/of via WhatsApp) dreigend de woorden toe te voegen “ik maak je kapot” en/of “mijn kogel gaat jou niet in de koude kleren zitten”;
T.a.v. 03-398385-24 feit 3:
op 12 december 2024 in Nederland [zoon verdachte] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door [verdachte] (via een audiobericht en/of WhatsApp) dreigend de woorden toe te voegen “ik sla je kapot” en “ik geef je de kogel”.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
T.a.v. 03-326159-24 feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;
T.a.v. 03-326159-24 feit 2:
mishandeling;
T.a.v. 03-326159-24 feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
T.a.v. 03-398385-24 feit 1:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
03-398385-24 feit 2 en feit 3, telkens:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafbepaling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en heeft in het bijzonder verwezen naar het rapport van de reclassering van 22 januari 2026. Daarin wordt omschreven dat de verdachte zijn woning en ambulante begeleiding dreigt te verliezen als hij gedetineerd raakt. Dit is zeer onwenselijk, mede omdat hij momenteel alleen de zorg over zijn autistische dochter draagt. Ook zal de positieve wending die de verdachte aan zijn leven heeft gegeven in een neerwaartse spiraal terechtkomen en daar is niemand bij gebaat. De raadsvrouw heeft verzocht om een gevangenisstraf op te leggen waarvan het grootste gedeelte voorwaardelijk zal zijn, in combinatie met een taakstraf.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met een vuurwapen. Het bedreigen van een persoon met een vuurwapen, in combinatie met mishandeling van die persoon en het voorhanden hebben van munitie, getuigt van een zorgwekkende bereidheid tot geweld. Wapens en munitie brengen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Het is een feit van algemene bekendheid dat het bezit van vuurwapens regelmatig tot het gebruik daarvan leidt en deze strafzaak is daar een voorbeeld van. Jaarlijks vallen er in Nederland tientallen doden en gewonden door vuurwapengeweld. Hoewel uit het dossier naar voren lijkt te komen dat de bedreiging op het slachtoffer [medebewoner] zelf relatief weinig indruk heeft gemaakt, overweegt de rechtbank dat het trekken van een vuurwapen in de openbare ruimte ook gevoelens van angst en onveiligheid bij omwonenden en toevallige voorbijgangers teweegbrengt.
Daarnaast heeft de verdachte zijn ex-partner en zijn zoon bedreigd en een ruit van de woning van zijn ex-partner vernield. Juist in de huiselijke sfeer, waar men zich veilig moet kunnen voelen, zijn dergelijke gedragingen zeer kwalijk en schadelijk voor de betrokkenen. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke delicten nog geruime tijd last hiervan hebben. De verdachte heeft met zijn handelen ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de slachtoffers. De rechtbank neemt dit de verdachte kwalijk.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar het soort straffen dat doorgaans wordt opgelegd voor de gepleegde feiten. De rechtbank heeft daarbij onder andere gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Uitgangspunt van alleen al een bedreiging met een vuurwapen is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. De verdachte heeft zich daarnaast ook nog schuldig gemaakt aan een mishandeling, het voorhanden hebben van munitie, een vernieling en bedreigingen van zijn ex-partner en zijn zoon.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het 22 pagina’s tellende strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat hij antecedenten heeft die vuurwapen gerelateerd zijn en waar diverse bedreigingen en mishandelingen op staan. In 2022 is de verdachte nog door de politierechter veroordeeld tot een taakstraf voor vuurwapenbezit en bedreigingen. Hierdoor is het taakstrafverbod als bedoeld in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend is. Echter heeft de rechtbank ook acht geslagen op het reclasseringsrapport van de verdachte van 22 januari 2026 en hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting over zijn de persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd. Hieruit komt naar voren dat de verdachte ten tijde van het plegen van de delicten geen vaste woon- of verblijfplaats had en pas sinds februari 2025 een woning heeft gekregen via Housing Plus, waarbij hij ook naar tevredenheid ambulant wordt begeleid door Kracht in Zorg van Mondriaan. Deze woning heeft voor meer stabiliteit gezorgd in zijn leven en is volgens de reclassering een beschermende factor. Ook draagt de verdachte op dit moment alleen de zorg over zijn autistische dochter. Als de verdachte opnieuw gedetineerd zou raken, verliest hij zijn woning en kan hij de zorg van zijn dochter niet meer dragen. De stabiliteit die hij op dit moment in zijn leven heeft, zal dan verloren zijn. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat dit onwenselijk is vanuit het oogpunt van speciale preventie en dat, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf de meest passende strafmodaliteit is.
Gelet op het voorgaande wordt aan de verdachte opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie omdat de rechtbank de potentiële negatieve gevolgen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (ook voor de samenleving) en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zwaarder laat meewegen.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij](03/398385-24, feiten 1 en 2)
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 642,65, bestaande uit € 242,65 aan materiële schadevergoeding en € 400,- aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het gevorderde bedrag aan materiële schade bestaat uit de herstelkosten van het door de verdachte vernielde raam.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen, aangezien de schade reeds door de verdachte zou zijn vergoed. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, omdat de vordering voldoende onderbouwd is en de verdachte te kennen heeft gegeven bereid te zijn de schade (nogmaals) te vergoeden.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de hoogte van deze schade door de verdediging niet is weersproken, ligt de vordering voor toewijzing gereed. De vordering is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Namens de verdachte is primair een beroep gedaan op een zelfstandig verweer: de verdachte stelt dat hij de schade reeds heeft vergoed. Uit de hoofdregel van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat de stelplicht en bewijslast op de verdachte rusten, omdat hij zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte onvoldoende gemotiveerd gesteld dat hij aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Immers heeft hij die stelling niet geconcretiseerd (zo is onbekend welk bedrag heeft hij betaald en wanneer) en evenmin met stukken onderbouwd. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdachte. Het gevorderde bedrag aan materiële schade wordt toegewezen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft aan het tot vergoeding van immateriële schade strekkende deel van de vordering – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat zij ten gevolge van de bedreiging slaapproblemen heeft en gevoelens van angst heeft ervaren. De immateriële schade die de benadeelde stelt te hebben geleden, valt civielrechtelijk onder ‘de aantasting van de persoon op andere wijze’. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor het aannemen van een persoonsaantasting is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen.
Gelet op dit juridisch kader is hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld – hoe invoelbaar haar gevoelens ook zijn – ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’. Zo heeft zij geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid. Daarnaast doet zich hier – nu ‘enkel’ sprake is van een verbale bedreiging – niet een situatie voor waarin reeds uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is. Dat betekent dat er in deze zaak geen wettelijke grondslag is voor een vergoeding van immateriële schade. Het gevorderde aan immateriële schade wordt afgewezen.
De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opleggen over dat bedrag, zodat de inning van het verschuldigde bedrag de benadeelde partij uit handen wordt genomen door de Staat. Ook dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van
  • veroordeelt de verdachte tot
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;
Benadeelde partij [benadeelde partij] en de schadevergoedingsmaatregel
  • wijst de vorderingtot schadevergoeding van de benadeelde partij
    gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van een bedrag van € 242,65 aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • wijst het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding af;
  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij] van een bedrag van € 242,65 aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
  • bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. el Jerrari, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en
mr. S.L.M. van Venrooij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.P. Huntjens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 februari 2026.
Buiten staat
Mr. El Jerrari en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat
T.a.v. 03-326159-24 feit 1:
hij op of omstreeks 8 oktober 2024 te Heerlen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [medebewoner] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of zware mishandeling door
- tezamen in een dreigende houding en/of terwijl verdachte en/of zijn mededader met een (glazen) bierflesje, althans een op een (glazen) bierflesje gelijkend voorwerp, in elk geval enig voorwerp in de hand op die [medebewoner] af te lopen en/of
- ( vervolgens) die [medebewoner] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en/of met dit voorwerp in de lucht te schieten;
T.a.v. 03-326159-24 feit 2:
hij op of omstreeks 8 oktober 2024 te Heerlen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [medebewoner] heeft mishandeld door die [medebewoner] een of meerdere malen, al dan niet met gebalde vuist, in het gezicht/gelaat te slaan;
T.a.v. 03-326159-24 feit 3:
hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Kerkrade munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
-vier kogelpatronen in het kaliber 7,65 millimeter Browning,
voorhanden heeft gehad;
T.a.v. 03-398385-24 feit 1:
hij op of omstreeks 12 december 2024 te Kerkrade, althans in Nederland,
opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt
T.a.v. 03-398385-24 feit 2:
hij op of omstreeks 12 december 2024 en/of 13 december 2024 te Kerkrade, althans in Nederland, [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde partij] (in persoon en/of via een audiobericht en/of via Whatsapp) dreigend de woorden toe te voegen “ik maak je kapot” en/of “mijn kogel gaat jou niet in de koude kleren zitten” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
T.a.v. 03-398385-24 feit 3:
hij op of omstreeks 12 december 2024 en/of 13 december 2024 te Kerkrade, althans in Nederland, [zoon verdachte] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [verdachte] (via een audiobericht en/of Whatsapp) dreigend de woorden toe te voegen “ik sla je kapot” en/of “ik geef je de kogel”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de politie met proces-verbaalnummer PL2300-2024164390, gesloten op 18 december 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 241.
2.Pagina 27 tot en met 29.
3.Pagina 30 tot en met 32.
4.Pagina 35 en 36.
5.Pagina 49 tot en met 52.
6.Pagina 60 tot en met 76.
7.Pagina 221.
8.Pagina 222.
9.Pagina 131.
10.Pagina 198 tot en met 206.
11.Een afzonderlijk geschrift inhoudende een e-mail van de verdachte naar zijn raadsvrouw.
12.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de politie met proces-verbaalnummer PL2300-2024203029 gesloten op 23 december 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 120.
13.Pagina 7 tot en met 9.
14.Pagina 36 tot en met 38.
15.Pagina 17 en 18.
16.Pagina 20 tot en met 22.
17.Pagina 31 en 32.
18.Pagina 92.
19.Pagina 49 tot en met 53.
20.Pagina 54 tot en met 58.