ECLI:NL:RBLIM:2026:1633

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
03.267458.19 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennephandel vastgesteld op €16.730,24

De rechtbank Limburg heeft op 17 februari 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen verdachte, die werd veroordeeld voor het handelen in hennep in de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 november 2019.

De officier van justitie vorderde aanvankelijk een ontnemingsbedrag van bijna €45.000, dat later werd bijgesteld naar €25.818,75. De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van bewijsmiddelen, waaronder verklaringen, tapgesprekken en politieonderzoek, vastgesteld op €16.730,24. Hierbij werd rekening gehouden met de verkoop van hennep in zakjes van circa 1 gram voor €10 per stuk, het aantal transacties per dag, en de kosten zoals inkoop, telefoon- en brandstofkosten.

De rechtbank verdeelde het voordeel over drie perioden waarin verdachte samenwerkte met verschillende medeverdachten, waarbij het netto voordeel per periode werd berekend en verdeeld. Het in beslag genomen geldbedrag van €1.025 werd in mindering gebracht op de betalingsverplichting. De waarde van de inbeslaggenomen hennep werd niet in mindering gebracht vanwege onduidelijkheid over de kosten.

De rechtbank legde verdachte de verplichting op om €15.705,24 aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Tevens werd een gijzeling van maximaal 157 dagen bepaald voor het geval van niet-betaling. De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg te Roermond.

Uitkomst: Betalingsverplichting van €15.705,24 opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennephandel.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.267458.19 (ontneming)
Tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboorte datum] 1994 ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen [verdachte] .
[verdachte] wordt bijgestaan door mr. L.P.H. Hameleers, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 februari 2026. [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03.267458.19 en met de behandeling van de ontnemingsvordering in de zaak van de [medeverdachte 1] met parketnummer 03.270985.19. Op 17 februari 2026 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is deze uitspraak gewezen.

2.De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag aanvankelijk geschat op € 44.979,30.
Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld.
Op de terechtzitting van 3 februari 2026 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat hij het geschatte voordeel en de op te leggen betalingsverplichting op € 25.818,75 vaststelt.

3.De beoordeling

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen. De officier van justitie gaat uit van een ontnemingsperiode van 372 dagen, gelet op de verklaring van [verdachte] in combinatie met de onderzoeksresultaten. Daarnaast heeft de officier van justitie deze periode gesplitst in drie periodes:
de periode van 321 dagen waarin [verdachte] heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] (waarbij een winstverdeling werd toegepast van 40% voor [medeverdachte 1] en 60% voor [verdachte] ),
de periode van 30 dagen waarin hij heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (waarbij een winstverdeling werd toegepast van 33,33% per persoon), en
de periode van 21 dagen waarin hij alleen met [medeverdachte 2] heeft samengewerkt (waarbij een winstverdeling werd toegepast van 50% per persoon).
De officier van justitie heeft voor de berekening van de opbrengsten en de kosten verwezen naar het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel zoals dat door de politie is opgesteld. Gelet op het voorgaande komt de officier van justitie uit op een bedrag van ((321 x € 123,30 x 0,60) + (30 x € 123,30 x 0,33) + (21 x € 81,- : 2) = € 25.818,75. Het inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.025,- dient, bij een verbeurdverklaring van dat bedrag, in mindering op de betalingsverplichting te worden gebracht. De waarde van de ruim twee kilo aangetroffen hennep dient niet in mindering te worden gebracht, omdat tegenover de aanschaf daarvan ook een uitgave heeft gestaan die zwart is gegaan. De officier van justitie heeft verder aangegeven dat reeds bij het formuleren van de strafeis rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht maximaal een bedrag van € 10.000,- toe te wijzen, rekening te houden met de financiële positie van [verdachte] en de overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat aan het begin geen sprake was van een gemiddelde van 27,4 afspraken per dag. Op het begin werd niets verdiend. Uit de stukken blijkt ook niet dat de omzet op de eerste dag hetzelfde was als op de laatste dag. Dat is ook niet aannemelijk. Met 0 afspraken op de eerste dagen en gemiddeld 27,4 afspraken op de laatste dagen is het een reëel uitgangspunt om de helft van die 27,4 afspraken als daggemiddelde over de volledige periode te hanteren. De raadsman heeft voor wat betreft de kosten aangevoerd dat de telefoon- en brandstofkosten van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zoals de raadsvrouw van [medeverdachte 1] in de gelijktijdig behandelde vordering heeft betoogd. Die telefoonkosten bedroegen € 40,- per maand en de brandstofkosten € 50,- per week. Ook dient rekening te worden gehouden met de ruim twee kilo aangetroffen en inbeslaggenomen hennep die [verdachte] terug heeft moeten betalen aan zijn leverancier. De raadsman heeft voor wat betreft de periode aangevoerd dat deze dient aan te vangen vanaf 1 januari 2019, zoals ook in de vordering betreffende [medeverdachte 1] is betoogd.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
Bij voormeld vonnis van 17 februari 2026 is [verdachte] onder meer veroordeeld wegens het samen met anderen, in de uitoefening van een bedrijf of beroep, handelen in hennep, gepleegd in de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 november 2019.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden.
3.3.2
Het bewijs [1]
De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen zoals opgenomen ten aanzien van feit 2 in het vonnis van deze rechtbank van 17 februari 2026 in de onderliggende strafzaak. Die bewijsmiddelen houden - kort gezegd - in het medeplegen van in de uitoefening van een bedrijf of beroep handelen in hennep. Deze bewijsvoering neemt de rechtbank hier over.
Uit die bewijsmiddelen blijkt onder meer dat de verdachte heeft bekend dat hij tot aan zijn aanhouding op 8 november 2019 heeft gehandeld in hennep waaraan hij geld heeft verdiend. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] vanaf 1 januari 2019 heeft gehandeld in hennep. Op een gegeven moment kwam ook [medeverdachte 2] erbij. Na de breuk met [medeverdachte 1] heeft [verdachte] nog een aantal dagen samen met [medeverdachte 2] gehandeld in hennep.
In aanvulling op de in het vonnis genoemde bewijsmiddelen heeft de rechtbank bij het schatten van het wederrechtelijk verkregen voordeel voorts het hierna te noemen bewijsmiddel gebruikt.
Verbalisant [verbalisant]heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: [2]
De hennep zat, volgens hun eigen straattaal, in ‘bagga’s’ (gripzakjes) verpakt. In deze bagga’s zat gemiddeld 1 tot 1,2 gram hennep. De bagga’s werden verkocht voor 10 euro per stuk. Dit blijkt uit de verklaring van een persoon die drie zakjes hennep had gekocht. Ook blijkt dit uit de tapgesprekken die zijn beluisterd en het verdachteverhoor van [verdachte] .
Uit tapgesprekken bleek dat ze ‘serbi’ (straattaal voor: dienst doen) deden. Het ging hier dan dus om het verkopen van en het handelen in verdovende middelen en dat er via deze telefoonnummers elke dag van de week gehandeld werd in verdovende middelen.
Via de uitgeluisterde tapgesprekken is gehoord dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op 17 oktober 2019 ruzie hebben gekregen. Hierdoor is een breuk ontstaan tussen hen beiden. Uit de tapgesprekken die de dagen hierna volgden, kon worden geconcludeerd dat [medeverdachte 1] een eigen wiet-taxi had opgezet, met hierbij een eigen telefoonnummer. [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn vervolgens samen verder gegaan met het reeds bestaande nummer.
Uit de tapgesprekken blijkt dat, bij de aanvang van de eerste taplijn op 11 september 2019, er vanaf het aangesloten telefoonnummer hennep verhandeld wordt. Vervolgens blijkt dat alle drie de verdachten afwisselend dit telefoonnummer onder zich hadden.
Prijzen
- door [verdachte] werd in zijn verdachteverhoor verklaard dat de zakjes voor 10 euro per stuk werden verkocht;
- door een persoon die is aangehouden nadat ze drugs had gekocht is verklaard dat ze al
ongeveer vijf keer eerder hennep had gekocht via het wiet-taxi nummer (deal-telefoonnummer) en dat de prijs per zakje normaal 10 euro per stuk was;
- uit de afgeluisterde tapgesprekken blijkt dat er per bagga 10 euro wordt gevraagd.
Daggemiddelde voor breuk [medeverdachte 1] / [verdachte]
- In de periode 12 september 2019 tot en met 18 september 2019 is onderzocht hoeveel
telefoongesprekken gevoerd werden met betrekking tot het maken van afspraken. Hieruit is gebleken dat er gemiddeld 27,4 afspraken per dag waren.
- Er zal per daggemiddelde worden uitgegaan van 1 bagga welke verkocht werd per transactie. Er is echter wel bekend dat er bij transacties soms meerdere zakjes of grotere hoeveelheden tegelijk verkocht werden. Het uitgaan van slechts 1 bagga per transactie zal dus in het voordeel van de verdachte zijn.
Daggemiddelde na breuk, [verdachte] / [medeverdachte 2]
- na de breuk met [medeverdachte 1] op 17 oktober 2019 hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] het bestaande wiet-taxi telefoonnummer (deal-telefoonnummer) behouden;
- in de periode 2 november 2019 tot en met 8 november 2019 is er onderzocht hoeveel
telefoongesprekken hij voerde met betrekking tot het maken van afspraken. Hieruit is gebleken dat [verdachte] / [medeverdachte 2] gemiddeld 18 afspraken per dag
hadden.
Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] door middel van of uit de baten van voormelde feiten voordeel heeft gekregen.
3.3.3
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op € 16.730,24. Hiertoe overweegt zij het volgende.
De rechtbank gaat ervan uit dat [verdachte] vanaf 1 januari 2019 tot 11 september 2019 heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] . Gebleken is dat vanaf 11 september 2019 [medeverdachte 2] met hen samenwerkte en dat [medeverdachte 1] vanaf 17 oktober 2019 vanwege een ruzie alleen verder is gegaan. Dat betekent dat [verdachte] en [medeverdachte 2] vanaf 17 oktober 2019 tot en met 7 november 2019 samen hebben gehandeld in hennep. Op 8 november 2019 zijn zij immers aangehouden en hebben zij geen hele dag meer gehandeld in hennep.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank voor wat betreft het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaat van drie periodes waarin [verdachte] voordeel heeft verkregen.
Periode 1 januari 2019 tot en met 10 september 2019
Opbrengst
In deze periode hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] 253 dagen gehandeld in hennep. Gebleken is dat er in de periode van 12 september 2019 tot en met 18 september 2019 gemiddeld 27,4 afspraken per dag waren. De rechtbank gaat – op grond van voornoemde bewijsmiddelen – ervan uit dat per dag (minimaal) één ‘bagga’ oftewel een zakje hennep werd verkocht per transactie. De zakjes werden voor € 10,- per stuk verkocht. Dit betekent dat de omzet (27,4 x € 10,- =) € 274,- per dag was. De totale omzet in deze periode was aldus (€ 274,- x 253 dagen =) € 69.322,-.
De raadsman heeft aangevoerd dat aan het begin van de periode geen sprake was van een gemiddelde van 27,4 afspraken per dag, nu op het begin niets werd verdiend, en dat het niet aannemelijk is dat de omzet op de eerste dag hetzelfde was als op de laatste dag.
De rechtbank overweegt daarover als volgt. De politie is in haar berekening ervan uitgegaan dat één zakje hennep per transactie werd verkocht, terwijl uit observaties van overdrachten en tapgesprekken is gebleken dat bij transacties soms meerdere zakjes of grotere hoeveelheden werden verkocht. Dit heeft als gevolg dat de omstandigheid dat wellicht aan het begin niets dan wel niet veel werd verdiend, naar het oordeel van de rechtbank correct is verdisconteerd in die berekening. Het gehanteerde daggemiddelde is een zodanige onderschatting van het werkelijke daggemiddelde, dat dit een aannemelijk daggemiddelde is voor de volledige periode.
Kosten
In het Boom Rapport 2019 worden de kosten en opbrengsten van hennep(kwekerijen) beschreven en uitgelegd. In dit rapport wordt uitgegaan van een verkoopprijs hennep per kilo van € 4.070,-. Dit betreft het bedrag wat een kweker hiervoor vermoedelijk zal ontvangen. Bij tussenhandel (waar in dit geval sprake van is) ligt dit bedrag vermoedelijk hoger. Er zal in onderstaande berekening worden uitgegaan van € 5,50 aan kosten per ‘bagga’/transactie/gram. Dat zou neerkomen op een gehanteerde inkoopprijs van € 5.500,- per kilo, waardoor dit uitgangspunt in het voordeel is van de verdachten, die zelf immers hebben verklaard tussen de € 4.000,- en € 5.000,- te hebben betaald per kilo.
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de telefoonkosten en brandstofkosten inderdaad in mindering op het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden gebracht. De bagga’s zijn immers afgeleverd met een auto, waarvoor brandstofkosten zijn gemaakt en tevens zijn kosten gemaakt voor de telefoon. De rechtbank sluit aan bij de schatting van de raadsman dat die telefoonkosten € 40,- per maand bedroegen en die brandstofkosten € 50,- per week. Dit betekent dat wordt uitgegaan van (€ 40,- : 30 dagen : 27,4 =) € 0,049 aan telefoonkosten per transactie en (€ 50,- : 7 dagen : 27,4 =) € 0,26 aan brandstofkosten per transactie.
De kosten per transactie bedroegen aldus (€ 5,50 + € 0,049 + € 0,26 =) € 5,81 per transactie.
De totale kosten bedroegen over de gehele periode (€ 5,81 x 27,4 x 253 dagen =) € 40.276,10.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel bedroeg in deze periode (€ 69.322,- min € 40.276,10 is) € 29.045,90.
Nu onvoldoende objectief kan worden vastgesteld hoe de winst tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] werd verdeeld, zal de rechtbank dit bedrag gelijkmatig verdelen over deze personen, en het bedrag dus delen door twee.
Het totaal van het netto verkregen voordeel van [verdachte] in deze periode wordt op grond van deze berekening geschat op (€ 29.045,90 : 2 =) € 14.522,95.
Periode 11 september 2019 tot en met 16 oktober 2019
Opbrengst
In deze periode hebben [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen 36 dagen gehandeld in hennep. De rechtbank verwijst voor het vaststellen van het gemiddelde aantal afspraken per dag en de verkoopprijs per zakje naar hetgeen zij hierover hiervoor heeft overwogen. Ook hier gaat de rechtbank uit van het verkopen van één zakje hennep per transactie. De totale omzet in deze periode was aldus (€ 274,- x 36 dagen =) € 9.864,-.
Kosten
Ook voor wat betreft de kosten verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen. De totale kosten bedroegen over deze periode aldus (€ 5,81 x 27,4 x 36 =)
€ 5.730,98.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel bedroeg in deze periode (€ 9.864,- min € 5.730,98 is) € 4.133,02.
Ook in dit geval zal de rechtbank het bedrag gelijkmatig verdelen over alle drie de personen, en het bedrag dus delen door drie.
Het totaal van het netto verkregen voordeel van [verdachte] in deze periode wordt op grond van deze berekening geschat op (€ 4.133,02 : 3 =) € 1.377,67.
Periode 17 oktober 2019 tot en met 7 november 2019
Opbrengst
In deze periode heeft [verdachte] met [medeverdachte 2] 22 dagen gehandeld in hennep. Gebleken is dat er in de periode van 2 november 2019 tot en met 8 november 2019 gemiddeld 18 afspraken per dag waren. De rechtbank gaat er ook hier vanuit dat per dag een zakje hennep per transactie werd verkocht en dat de zakjes voor € 10,- per stuk werden verkocht. Dit betekent dat de omzet (18 x € 10,- =) € 180,- per dag was. De totale omzet in deze periode was aldus (€ 180,- x 22 dagen =) € 3.960,-.
Kosten
Voor wat betreft de kosten verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen. De totale kosten bedroegen over deze periode aldus (€ 5,81 x 18 x 22 =) € 2.300,76.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel bedroeg in deze periode (€ 3.960,- min € 2.300,76 is) € 1.659,24.
De rechtbank zal dit bedrag gelijkmatig verdelen over [verdachte] en [medeverdachte 2] , en het bedrag dus delen door twee.
Het totaal van het netto verkregen voordeel van [verdachte] in deze periode wordt op grond van deze berekening geschat op (€ 1.659,24 : 2 =) € 829,62.
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande wordt het totaal van het netto verkregen voordeel geschat op (€ 14.522,95 + € 1.377,67 + € 829,62 =) € 16.730,24.
3.3.4
De op te leggen betalingsverplichting
Nu gebleken is dat onder [verdachte] een geldbedrag van € 1.025,- in beslag is genomen en dat bedrag niet is geretourneerd naar [verdachte] , zal de rechtbank dit bedrag in mindering brengen op de betalingsverplichting.
De rechtbank houdt geen rekening met (de waarde van) de inbeslaggenomen voorraad hennep, nu onduidelijk is of daarvoor reeds was betaald in de bewezenverklaarde periode en een terugbetaling daarna geen betrekking heeft op gemaakte kosten die op het verkregen voordeel in mindering dienen te worden gebracht.
De rechtbank overweegt voorts dat zij reeds in haar strafvonnis rekening heeft gehouden met de substantiële overschrijding van de redelijke termijn, waardoor om die reden geen extra bedrag op de betalingsverplichting in mindering wordt gebracht.
De rechtbank zal aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling van (€ 16.730,24 - € 1.025,- =) € 15.705,24 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

4.Het wettelijke voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
  • legt [verdachte] de verplichting op tot
- bepaalt de duur van de
gijzelingdie met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
157 dagen.
Deze uitspraak is gewezen door mr. L. Bastiaans, voorzitter, mr. N.P.J. van de Pasch en mr. S.S. Vijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 februari 2026.
Buiten staat
Mr. N.P.J. van de Pasch is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Noord- en Midden-Limburg, basisteam Venlo/Beesel, BHV-nummer PL2321-2019136270 (onderzoek LB13019002 / DELTA), gesloten d.d. 7 april 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 655 en het proces-verbaal aanvullend dossier van politie Eenheid Limburg, District Noord- en Midden-Limburg, basisteam Venlo/Beesel, BHV-nummer PL2321-2019136270 (onderzoek DELTA / LB13019002), gesloten d.d. 16 juni 2020, doorgenummerd van pagina 656-667.
2.Proces-verbaal van bevindingen van het aanvullend dossier d.d. 28 februari 2020, pagina 662-665.