De rechtbank Limburg behandelde op 3 februari 2026 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van bedreiging en mishandeling van een slachtoffer op 8 oktober 2024 te Heerlen. De officier van justitie vorderde bewezenverklaring van bedreiging medeplegen, gebaseerd op camerabeelden waarop verdachte en medeverdachte samen dreigend op het slachtoffer afliepen, waarbij medeverdachte een vuurwapen toonde en in de lucht schoot. Voor mishandeling werd vrijspraak gevorderd wegens gebrek aan bewijs van letsel.
De verdediging voerde aan dat verdachte niet wist van het vuurwapen van medeverdachte, waardoor het vereiste dubbel opzet voor medeplegen ontbrak. Ook ontkende verdachte dat het bierflesje als dreiging werd gebruikt en stelde dat mishandeling niet bewezen kon worden wegens ontbreken van letsel.
De rechtbank oordeelde dat de gedragingen onvoldoende waren voor bedreiging gericht op het leven, mede omdat verdachte niet wist van het vuurwapen en er geen gezamenlijk plan was. Voor mishandeling was wel sprake van een krachtige slag door medeverdachte, maar verdachte had geen bijdrage geleverd en er was geen nauwe samenwerking. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide feiten.
Het vonnis werd uitgesproken op 17 februari 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg te Maastricht.