ECLI:NL:RBLIM:2026:167

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
11928491
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Otto
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:268 lid 1 BWArt. 7:268 lid 2 BWArt. 7:268 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning na overlijden huurder wegens ontbreken voortzettingsrecht

De zaak betreft een ontruimingsvordering van eiser tegen gedaagde, die na het overlijden van de huurder zonder recht of titel in de woning verblijft. De huurovereenkomst eindigde per 1 oktober 2025 van rechtswege na het overlijden van de huurder.

Gedaagde stelde dat zij samenwoonde met de overleden huurder, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij hoofdverblijf had in de woning of een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. Hierdoor is niet voldaan aan de voorwaarden voor voortzetting van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde zonder recht of titel in de woning verblijft en wijst de ontruiming toe met een termijn van veertien dagen. Tevens wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van een gebruikersvergoeding van €565 per maand vanaf 1 oktober 2025 tot ontruiming en tot betaling van de proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van gebruikersvergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11928491 \ CV EXPL 25-4146
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. V.C.G. Heumakers,
tegen
[gedaagde],
te in de gemeente Heerlen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 en 2,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 18 december 2025 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] verhuurt met ingang van 1 januari 2018 aan [huurder] (hierna: [huurder] ) de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning). De huur bedraagt € 565,00 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd.
2.2.
[huurder] is op [datum] 2025 komen te overlijden.
2.3.
[gedaagde] verblijft nog in de door [huurder] gehuurde woning. Hij had een affectieve relatie met [gedaagde] die op dat moment ook woonachtig was in de woning.
2.4.
De huurovereenkomst is per 1 oktober 2025 van rechtswege geëindigd.
2.5.
[gedaagde] verbleef op het moment van dagvaarden in de woning.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – ontruiming van de woning en een gebruikersvergoeding van € 565,00 per maand vanaf 1 oktober 2025 tot en met de dag van ontruiming, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kern van het geschil is de vraag of [gedaagde] na het overlijden van [huurder] in de woning mag blijven. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is en dat ontruiming op zijn plaats is. Hieronder wordt uiteengezet hoe de kantonrechter tot zijn oordeel is gekomen.
4.2.
[eiser] heeft onweersproken gesteld dat na het overlijden van [huurder] het huurcontract per 1 oktober 2025 van rechtswege is geëindigd. [1] De huur kan echter worden voortgezet door een medehuurder of een persoon die in de woning zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijk huishouding heeft gehad. [2] Niet in geschil is dat [gedaagde] geen medehuurder is. [gedaagde] heeft echter wel gesteld dat zij samenwoonde met [huurder] , maar dit is op zich onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van hoofdverblijf in de woning. [gedaagde] heeft niet gesteld dat er eventueel ook sprake zou zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. [gedaagde] is ook niet verschenen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling, waardoor zij verder niets heeft toegelicht of onderbouwd.
Ontruiming
4.3.
Omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden om de huur te mogen voortzetten, is de huurovereenkomst aan het einde van de tweede maand na het overlijden van [huurder] , te weten 1 oktober 2025, geëindigd. [3] [gedaagde] verblijft sedertdien zonder recht of titel in de betreffende woning. De door [eiser] gevorderde ontruiming wordt daarom toegewezen. De kantonrechter zal de ontruimingstermijn in afwijking van het gevorderde stellen op veertien dagen.
Gebruikersvergoeding
4.4.
[eiser] vordert ook betaling van de gebruikersvergoeding, gelijk aan de huurprijs per maand, voor de periode dat [gedaagde] na 1 oktober 2025 nog in de woning verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.5.
[eiser] heeft gevorderd om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kantonrechter zal deze vordering toewijzen
Proceskosten
4.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
572,95

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn en de sleutels af te geven aan [eiser] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 565,00 zijnde de gebruikersvergoeding voor iedere maand die vanaf 1 oktober 2025 tot het tijdstip van de ontruiming mocht verstrijken of zijn ingegaan, een ingegane maand daarbij gerekend voor een hele maand,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 572,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:268 lid 6 BW Pro.
2.Artikel 7:268 lid 1 en Pro 2 BW.
3.Artikel 7:268 lid 6 BW Pro.