ECLI:NL:RBLIM:2026:1675

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
ROE 26/379
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening sluiting woning op grond van Opiumwet

De burgemeester van de gemeente Echt-Susteren heeft op 26 januari 2026 besloten de woning van verzoeker 1 voor zes maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekers maakten bezwaar tegen dit besluit en vroegen op 6 februari 2026 een voorlopige voorziening om de sluiting te schorsen.

De voorzieningenrechter beoordeelde of een ordemaatregel getroffen kon worden om het besluit te schorsen in afwachting van de uitspraak. Hierbij werd overwogen dat een ordemaatregel alleen in bijzondere gevallen wordt toegekend bij dreigend, ernstig en onherstelbaar nadeel.

Verzoekers stelden dat zij dakloos zouden worden en dat verzoeker 1 de financiële gevolgen niet kon dragen. De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker 1 al bij zijn vriendin woont, verzoeker 2 in detentie zit en verzoeker 3 bij zijn moeder kan verblijven. Hierdoor is geen sprake van onherstelbaar nadeel. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat verzoeker 1 in financiële nood zou komen.

Daarom concludeerde de voorzieningenrechter dat er geen spoedeisend belang is en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/379

beslissing van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen

1.[naam] ,

2) [naam] en
3) [naam], uit Koningsbosch (gemeente Echt-Sussteren), verzoekers,
(gemachtigde: mr. T.J.N. Hameleers),
en

de burgemeester van de gemeente Echt-Susteren.

Inleiding

1. Met het besluit van 26 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester besloten de woning van verzoeker 1 (woonadres van verzoekers) voor zes maanden te sluiten vanaf 10 februari 2026 10.00 uur. De burgemeester heeft zijn besluit gebaseerd op artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet. Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2. Op 6 februari 2026 hebben verzoekers een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij hebben ook gevraagd een ordemaatregel te treffen als de burgemeester niet bereid is de sluiting van de woning op te schorten in afwachting van de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, althans zo heeft de voorzieningenrechter dat verzoek opgevat. De burgemeester heeft de voorzieningenrechter dezelfde dag nog laten dat hij daartoe niet bereid is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De vraag ligt voor of de voorzieningenrechter een ordemaatregel dient te treffen, waarmee het bestreden besluit tot aan de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening wordt geschorst. Er wordt niet standaard een ordemaatregel getroffen als de zitting in een voorlopige voorzieningenprocedure plaatsvindt na het einde van de begunstigingstermijn. De bevoegdheid om een ordemaatregel te treffen is aan de voorzieningenrechter gegeven om meteen in te kunnen grijpen bij dreigend, ernstig en onherstelbaar nadeel. Deze bevoegdheid is bedoeld voor bijzondere gevallen.
4. In deze fase van de procedure (zonder de onderliggende stukken en zonder een behandeling van het verzoek ter zitting) kan de voorzieningenrechter nog geen voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit geven. De vraag die bij het al dan niet treffen van een ordemaatregel voorligt is of er dringende redenen zijn waarom een verzoeker dat voorlopig rechtmatigheidsoordeel niet kan afwachten zonder schorsing van het bestreden besluit.
5. Wat verzoekers met een verwijzing naar de gronden over de noodzakelijkheid en de evenredigheid van de sluiting van de woning ter onderbouwing van het verzoek hebben aangevoerd gaat over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter heeft daarin geen dringende redenen gelezen waarom verzoekers het voorlopig rechtmatigheidsoordeel niet kunnen afwachten. De omstandigheden dat verzoekers dakloos worden als geen ordemaatregel wordt getroffen en dat verzoeker 1 de financiële consequenties van het bestreden besluit niet kan dragen zijn dat niet. Onweersproken is dat verzoeker 1 al geruime tijd bij zijn vriendin woont. De gemachtigde heeft aangevoerd dat verzoeker 2 in detentie zit. Verder blijkt dat verzoeker 3, alhoewel dit onpraktisch zou zijn, bij moeder kan verblijven. Dat verzoekers dakloos worden als geen ordemaatregel wordt getroffen volgt de voorzieningenrechter daarom niet. Dat verzoeker 1 in een financiële noodsituatie terechtkomt als gevolg van het bestreden besluit hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt en is daarom al geen dringende reden dat verzoekers het voorlopig rechtmatigheidsoordeel niet kunnen afwachten.
6. Er is dan ook geen sprake van een bijzonder geval waarin toepassing wordt gegeven aan de bevoegdheid om een ordemaatregel te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een ordemaatregel te treffen af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een ordemaatregel te treffen af.
Deze beslissing is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze beslissing is verzonden aan partijen op: 18 februari 2026.
(De beslissing is partijen op 9 februari 2026 meegedeeld.)

Tegen deze beslissing staat geen (hoger) beroep of verzet open.