ECLI:NL:RBLIM:2026:1685

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/03/339697 / HA ZA 25-104
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Timmermans-Vermeer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 7:751 BWArt. 6:76 BWArt. 6:87 BWArt. 6:89 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid en schadevergoeding wegens ondeugdelijk stucwerk bij aanneming van werk

In deze civiele procedure vordert de opdrachtgever vergoeding van schade wegens ondeugdelijk uitgevoerd stucwerk in een aanbouw, uitgevoerd door een onderaannemer namens de aannemer. De rechtbank stelt vast dat het stucwerk niet voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk, mede op basis van een deskundigenrapport en filmopname.

De aannemer en onderaannemer betwisten de gebrekkigheid en wijzen op onvoldoende ventilatie en te snel aangebracht schilderwerk als oorzaak, maar de rechtbank wijst deze verweren af wegens onvoldoende bewijs. De klachtplicht van de opdrachtgever wordt niet geschonden, mede door tijdige mondelinge en schriftelijke klachten.

De rechtbank veroordeelt de aannemer tot betaling van vervangende schadevergoeding, gevolgschade, expertisekosten en buitengerechtelijke incassokosten, en wijst verrekening af. In de vrijwaringszaak wordt de onderaannemer aansprakelijk gehouden voor de gevolgschade, maar niet voor de vervangende schadevergoeding wegens ontbreken van verzuim. De proceskosten worden verdeeld conform de veroordelingen.

Uitkomst: De aannemer is toerekenbaar tekortgeschoten en veroordeeld tot betaling van herstelkosten, gevolgschade, expertisekosten, incassokosten en proceskosten; de onderaannemer is aansprakelijk voor gevolgschade maar niet voor vervangende schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/339697 / HA ZA 25-104
Vonnis van 4 maart 2026
In de hoofdzaak
in de zaak van
[opdrachtgever],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [opdrachtgever] ,
advocaat: mr. B.P.M. Dirkx,
tegen
[opdrachtnemer] , H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,
advocaat: mr. P. Koeslag.
en
De besloten vennootschap STUKADOORSBEDRIJF [B.V.] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
gevoegde partij ex artikel 214 Rv Pro,
advocaat: mr. I.J.A.J. Hanssen,
en in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/03/343861 HAZA 25-327 (hierna te noemen: de vrijwaringszaak) van
[opdrachtnemer] , H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [plaats 2] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,
advocaat: mr. P. Koeslag,
tegen

1.[persoon] ,

te [plaats 1] ,
2.
[B.V.],
te [plaats 1] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [persoon] en afzonderlijk aan te duiden als de heer [persoon] en [B.V.] .,
advocaat: mr. I.J.A.J. Hanssen.
1.1.
[opdrachtgever] heeft in zijn woning een aanbouw laten realiseren door [bedrijf 1] . [opdrachtgever] is van mening dat het stucwerk in de aanbouw niet goed is uitgevoerd. [bedrijf 1] heeft voor het laten verrichten van het stucwerk [B.V.] , althans [persoon] , ingeschakeld. [opdrachtgever] vordert in deze procedure de herstelkosten en gevolgschade. [bedrijf 1] vordert om [persoon] te veroordelen tot betaling van datgene dat [bedrijf 1] eventueel aan [opdrachtgever] moet voldoen.

2.De procedure

In de hoofdzaak
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 maart 2025 met producties 1 t/m 14,
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring,
- het vonnis in incident van 11 juni 2025,
- de conclusie van antwoord van [bedrijf 1] met producties 16 t/m 23,
- de akte tot voeging ex artikel 214 Rv Pro (dus in vrijwaringssituatie) van [persoon] ,
- de conclusie van antwoord (in hoofdzaak) van [persoon] met productie 1,
- de akte overlegging nadere producties van [opdrachtgever] 24 t/m 29,
- de akte overlegging productie 24 van [bedrijf 1] ,
- de akte overlegging producties 25 en 26 van [bedrijf 1] ,
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026 en de tijdens de mondelinge behandeling
overgelegde pleitaantekeningen van [opdrachtgever] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
In de vrijwaringszaak
2.3.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 juli 2025 met als bijlage het vonnis in incident van 11 juni 2025,
waarbij Poels is toegestaan om [persoon] in vrijwaring op te roepen,
- de akte overlegging producties 1 t/m 8 van [opdrachtgever] ,
- de conclusie van antwoord (in vrijwaring),
- de akte overlegging productie 18 van [persoon] ,
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026 en de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde comparitie-aantekeningen van [persoon] ,

3.De feiten

3.1.
Op 2 februari 2022 is tussen [opdrachtgever] en [bedrijf 1] een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de realisatie van een aanbouw aan de woning van [opdrachtgever] , inclusief de afwerking daarvan met stucwerk.
3.2.
In de op 2 februari 2022 uitgebrachte offerte is onder meer opgenomen:
3.3.
Het stucwerk betrof een oppervlakte van 176 m2 en is tussen 13 mei en 16 mei 2022 aangebracht door [persoon] . Op 10 juni 2022 zijn er herstelwerkzaamheden door [persoon] verricht.
3.4.
Bij brief van 27 maart 2023 heeft [opdrachtgever] [bedrijf 1] in gebreke gesteld en verzocht de gebreken weg te nemen.
3.5.
Bij brief van 12 oktober 2023 is [bedrijf 1] (nogmaals) ingebreke gesteld en gesommeerd tot herstel van de gebreken.
3.6.
Op 25 maart 2024 heeft TBA-Afbouw op verzoek van (de rechtsbijstandsverlener van) van [opdrachtgever] een deskundigenrapport opgesteld met betrekking tot het stucwerk.
3.7.
Bij brief van 17 december 2024 heeft [opdrachtgever] aan [bedrijf 1] te kennen gegeven dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert.

4.Het geschil

In de hoofdzaak
4.1.
[opdrachtgever] vordert - samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
verklaart voor recht dat [bedrijf 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst;
[bedrijf 1] veroordeelt om aan [opdrachtgever] te betalen een vervangende schadevergoeding van € 24.908,- althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 juni 2024 tot de dag van voldoening;
[bedrijf 1] veroordeelt tot betaling van aanvullende schadevergoeding van € 5.009,40, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 juni 2024 tot de dag van voldoening;
[bedrijf 1] veroordeelt tot vergoeding van de expertisekosten van € 2.075,15, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;
[bedrijf 1] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.293,31,-.
[bedrijf 1] veroordeelt in de proceskosten inclusief nakosten en vermeerderd met wettelijke rente.
4.2.
[opdrachtgever] voert ter onderbouwing van de vorderingen het volgende aan. Het aangebrachte stucwerk blijkt zeer gevoelig voor stootbelasting en krasvorming. Door TBA is geconcludeerd dat sprake is van een gebrek, namelijk een lagere hardheid/drukvastheid van het stucwerk veroorzaakt door ondeugdelijke materialen en onjuiste drogingsomstandigheden. Het stucwerk voldoet niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. Daarmee is sprake van een tekortkoming in de nakoming (6:74 BW, jo. 7:751 BW jo. 7:760 BW). [bedrijf 1] verkeert in verzuim. [opdrachtgever] maakt aanspraak op vervangende schadevergoeding (ex artikel 6:87 BW Pro) en gevolgschade, bestaande uit de kosten voor opslag, verblijf elders en expertisekosten (ex artikel 6:95 jo Pro. 6:74 BW).
4.3.
[bedrijf 1] voert verweer. [bedrijf 1] betwist dat het stucwerk gebrekkig zou zijn. Het stucwerk voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. De door TBA gemeten Shore-D waarden kunnen niet dienen ter onderbouwing van drukvastheid en/of krasvastheid. Bovendien is geen sprake van een aan [bedrijf 1] toerekenbaar gebrek omdat [opdrachtgever] zelf heeft nagelaten, ondanks aanbevelingen van zowel [bedrijf 1] als [persoon] , om voldoende te ventileren. Het schilderwerk is aangebracht vlak nadat [persoon] had geconstateerd dat het stucwerk nog onvoldoende was gedroogd. Het aanbrengen van schilderwerk op nat stucwerk kan ertoe leiden dat het droogvermogen wordt aangetast en kan leiden tot verzepen van stucwerk. [bedrijf 1] stelt verder dat dat [opdrachtgever] zijn klachtplicht heeft geschonden en geen gelegenheid heeft geboden tot onderzoek. [opdrachtgever] verkeert daarom in verzuim (artikel 6:58 BW Pro), zodat de omzettingsverklaring zonder gevolg is. [bedrijf 1] betwist ook de hoogte van de schade. [bedrijf 1] wijst er tevens op dat het [opdrachtgever] niet vrijstaat zijn vorderingsrecht zelfstandig in te stellen (artikel 6:15 lid 2 BW Pro).
4.4.
[persoon] voert kort samengevat het volgende verweer. [persoon] voert aan dat [opdrachtgever] en zijn vrouw een gezamenlijk vorderingsrecht hebben omdat de aannemingsovereenkomst met hen beide is gesloten. De omzettingsverklaring is ongeldig. Daarom moet [opdrachtgever] niet-ontvankelijk worden verklaard. [persoon] betwist dat hij zou hebben aangegeven dat het stucwerk droog was en dat [opdrachtgever] kon gaan schilderen. Ook is onjuist dat [persoon] bij het bijwerken van krimpscheuren en wat beschadigingen zou hebben aangegeven dat het stucwerk erg zacht zou zijn. Als het stucwerk al te zacht is, dan is dit toe te rekenen aan onvoldoende ventileren en/of te snel aanbrengen van het schilderwerk op de stuclaag. De gevorderde schadevergoeding door [opdrachtgever] is buitensporig.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In de vrijwaringszaak
4.6.
[bedrijf 1] vordert – kort samengevat – dat de rechtbank bij vonnis zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat [persoon] hoofdelijk, althans ieder voor zich, jegens [opdrachtgever] aansprakelijk is voor de schade van [opdrachtgever] in verband met de fouten van [bedrijf 1] bij de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst;
[persoon] zo mogelijk gelijktijdig met het te wijzen vonnis in de hoofdzaak, hoofdelijk althans ieder voor zich te veroordelen om aan [bedrijf 1] te betalen of te voldoen datgene waartoe [bedrijf 1] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [opdrachtgever] mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling;
[persoon] hoofdelijk, althans ieder voor zich, te veroordelen tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten;
[persoon] hoofdelijk, althans ieder voor zich, te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten en vermeerderd met wettelijke rente.
4.7.
[bedrijf 1] legt aan deze vorderingen kort samengevat het volgende ten grondslag. [bedrijf 1] is met de heer [persoon] een overeenkomst aangegaan tot het verrichten van stucwerk in de woning van [opdrachtgever] . De facturatie geschiedde echter door [B.V.] . [bedrijf 1] heeft nooit ingestemd met contractovername door [B.V.] . Derhalve blijft de heer [persoon] aansprakelijk voor de door hem aangegane schulden.
Als wordt aangenomen dat [bedrijf 1] jegens [opdrachtgever] aansprakelijk is, dan betekent dit dat [persoon] tekort is geschoten in haar contractuele verplichtingen en/of uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is.
4.8.
[persoon] voert verweer. [persoon] stelt allereerst dat [bedrijf 1] in zijn vorderingen gericht tegen de heer [persoon] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard althans deze moeten worden afgewezen. De overeenkomst is namelijk gesloten tussen [bedrijf 1] enerzijds en [B.V.] anderzijds. [persoon] betwist verder dat sprake is van tekortkoming in de nakoming. Betwist wordt dat het stucwerk te zacht is en voor zover dat het geval is, blijkt uit niets dat dat [persoon] is toe te rekenen. [bedrijf 1] heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt op grond waarvan de oorzaak aan [persoon] als onderaannemer is toe te rekenen. Ook van een onrechtmatige daad is geen sprake. Er is geen sprake van verzuim en evenmin is voldaan aan de klachtplicht. [persoon] beroept zich tot slot op décharge van hem als aannemer.

5.De beoordeling

In de hoofdzaak
Is [opdrachtgever] ontvankelijk in zijn vordering?
5.1.
[bedrijf 1] en [persoon] voerden aanvankelijk het verweer dat het [opdrachtgever] niet vrijstaat om zijn vorderingsrecht zelfstandig in te stellen omdat hij samen met zijn vrouw gezamenlijk opdrachtgever van [bedrijf 1] . In reactie op dit verweer heeft [opdrachtgever] een akte van cessie van 21 januari 2026 in de procedure gebracht. [bedrijf 1] en [persoon] hebben vervolgens niet kenbaar gemaakt dat zij het niet-ontvankelijkheidsverweer handhaven. Op het niet-ontvankelijkheidsverweer hoeft daarom niet meer te worden beslist.
Schending van de klachtplicht?
5.2.
[bedrijf 1] stelt dat [opdrachtgever] zijn klachtplicht heeft geschonden door pas op 24 januari 2023 bij [persoon] te klagen over “te zacht” stucwerk. [opdrachtgever] heeft zich pas op 27 maart 2023 voor het eerst tot [bedrijf 1] gericht. Dit terwijl het stucwerk al in mei 2022 is uitgevoerd. [bedrijf 1] beroept zich daarmee op artikel 6:89 BW Pro.
Het juridisch kader
5.3.
Op grond van artikel 6:89 BW Pro kan de schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd. De beantwoording van de vraag of tijdig is geklaagd moet plaatsvinden onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden, waaronder het antwoord op de vraag of de verkoper nadeel lijdt door het tijdsverloop. Een vaste termijn kan daarbij niet worden gehanteerd, ook niet als uitgangspunt. [1] Rekening dient te worden gehouden met enerzijds het voor de opdrachtgever ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren (te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming) en anderzijds de concrete belangen waarin de aannemer is geschaad door het late tijdstip waarop is geklaagd, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken.
Het beroep op schending van de klachtplicht slaagt niet
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op schending van de klachtplicht door [bedrijf 1] niet slaagt. Daarvoor is allereerst van belang dat [opdrachtgever] de nodige tijd moet krijgen gegund om onderzoek te laten verrichten. Verder heeft [opdrachtgever] – met overlegging van een Whatsapp-bericht van 28 oktober 2022 – onderbouwd gesteld dat al voor januari 2023 mondeling heeft geklaagd over het stucwerk. [opdrachtgever] stelt dat hij al op 10 oktober 2022 ondubbelzinnig aan [bedrijf 1] heeft laten weten dat het stucwerk niet werd geaccepteerd zoals dit was opgeleverd. Uit het overgelegde Whatsapp-bericht blijkt dat [opdrachtgever] op 28 oktober 2022 naar [bedrijf 1] een Whatsappbericht heeft gestuurd met de volgende tekst:
“ [opdrachtnemer] ?? En [persoon] gesproken mbt stucwerk?”.[bedrijf 1] heeft daarop geantwoord: “
Dag [opdrachtgever] , wordt midden volgende week”.Naar het oordeel van de rechtbank heeft [bedrijf 1] niet voldoende weersproken dat dit Whatsapp-bericht betrekking had op klachten die [opdrachtgever] had geuit over de kwaliteit van het stucwerk.
Daarbij komt nog dat [bedrijf 1] niet heeft gesteld dat en op welke wijze hij in dit geval door het gestelde te late klagen daadwerkelijk in zijn belangen is geschaad.
De vordering onder 1: tekortkoming in de nakoming?
5.5.
Niet in geschil is dat tussen [opdrachtgever] en [bedrijf 1] een overeenkomst van aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 BW Pro tot stand is gekomen voor de gehele aanbouw inclusief het stucwerk.
Op grond van artikel 6:76 BW Pro en artikel 7:751 BW Pro is [bedrijf 1] ten opzichte van [opdrachtgever] op gelijke wijze aansprakelijk voor gedragingen van [persoon] als zij voor haar eigen gedragingen aansprakelijk is.
Het juridisch kader
5.6.
Artikel 6:74 lid 1 BW Pro bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.
Een aannemer is verplicht om zijn werkzaamheden niet alleen uit te voeren naar de bepalingen van de overeenkomst, maar ook naar de eisen van goed en deugdelijk werk. De verplichting tot het leveren van goed en deugdelijk werk maakt als verbintenis voor de aannemer onderdeel uit van de aannemingsovereenkomst. De eisen van goed en deugdelijk werk gelden als minimum (kwaliteits)norm die door iedere aannemer moet worden waargemaakt, naast eventuele overeengekomen normen in de overeenkomst, het bestek, de verwerkingsvoorschriften en/of werkwijzen. Het antwoord op de vraag of voldaan wordt aan de eisen van goed en deugdelijk werk hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de keuze voor bouwstoffen, welk resultaat daarmee te bereiken is, en wat de functie is van een bepaald onderdeel van het werk.
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat [opdrachtgever] voldoende onderbouwd heeft gesteld dat het stucwerk niet voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. [opdrachtgever] heeft allereerst een filmopname in de procedure gebracht. Daaruit komt voor de rechtbank duidelijk naar voren dat het stucwerk zeer zacht is en zeer makkelijk tot de onderlaag is in te drukken. Ook uit het door [opdrachtgever] overgelegde rapport van TBA volgt dat het stucwerk te zacht is. [bedrijf 1] en/of [persoon] hebben geen contraexpertise overgelegd. De door [persoon] in de procedure gebrachte brief van [bedrijf 3] van 23 januari 2026 kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank niet als contra-expertise, alleen al omdat vaststaat dat de opsteller van die brief nooit ter plaatse bij [opdrachtgever] is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is de betwisting aan de zijde van [bedrijf 1] en [persoon] - die enkel neerkomt op het ter discussie stellen van de door de deskundige van TBA gehanteerde meetwijze - op dit punt in het licht van de onderbouwde stelling door [opdrachtgever] onvoldoende. Het feit dat er geen bijzondere eisen gelden voor de hardheid van stucwerk en er met [opdrachtgever] geen bijzondere afspraken zijn gemaakt over de hardheid van het stucwerk laat onverlet dat [bedrijf 1] op grond van de aannemingsovereenkomst de verplichting rustte tot het leveren van goed en deugdelijk werk. Stucwerk dat zo zacht is en zeer makkelijk tot de onderlaag is in te drukken voldoet niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. De rechtbank neemt dan ook als vaststaand aan dat het stucwerk qua hardheid niet voldoet aan datgene dat [opdrachtgever] als minimum eis in datt kader van het stucwerk mocht verwachten. Daarmee staat ook vast dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van aanneming van werk (ex artikel 6:74 BW Pro).
Toerekenbare tekortkoming?
5.8.
Vervolgens is het de vraag of de tekortkoming aan [bedrijf 1] toerekenbaar is. Een tekortkoming kan de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt (overmacht, artikel 6:75 BW Pro). De rechtbank stelt daarbij voorop dat de stelplicht en de bewijslast van het niet toerekenbaar zijn van de tekortkoming rust op de schuldenaar.
Onvoldoende ventileren?
5.8.1.
[bedrijf 1] heeft in dat kader allereerst gesteld dat [opdrachtgever] na het aanbrengen van het stucwerk door [persoon] de betreffende ruimte onvoldoende heeft geventileerd. [opdrachtgever] heeft in reactie daarop tijdens de zitting aangevoerd dat het stucwerk is aangebracht in een daarvoor relatief gunstige weerperiode (mei/juni) en dat hij destijds alle ramen dan ook vrijwel de gehele tijd overdag open heeft gezet. In reactie op de stelling van [persoon] dat de houten vloeren op enig moment bol stonden van het vocht heeft [opdrachtgever] tijdens de zitting aangevoerd dat dit klopt, maar dat dit na enkele weken vanzelf goed is gekomen. [bedrijf 1] en [persoon] hebben deze stellingen van [opdrachtgever] niet weersproken. [persoon] heeft wel aangevoerd (en daarvan bewijs aangeboden) dat hij op 16 en 17 mei 2022 expliciet aan [opdrachtgever] heeft aangegeven dat er voldoende moet worden geventileerd in de ruimte. Dat laat echter onverlet dat [persoon] niet heeft weersproken dat [opdrachtgever] na het aanbrengen van het stucwerk (tussen 13 mei en 16 mei 2022) in mei/juni 2022 zo goed als mogelijk heeft geventileerd. [persoon] beroept zich erop dat een door hem ingeschakelde deskundige ( [naam] van ABC Afbouwcentre te Vierlingsbeek) ook van mening is dat de zachtheid van het stucwerk toe te rekenen is aan onvoldoende ventileren. [persoon] heeft die stelling echter niet onderbouwd met een brief en/of verklaring van [naam] . De rechtbank kan dan ook niet als vaststaand aannemen dat [opdrachtgever] onvoldoende heeft geventileerd.
Schilderwerk te snel aangebracht?
5.8.2.
[bedrijf 1] heeft daarnaast aangevoerd dat [opdrachtgever] het schilderwerk al heeft aangebracht, terwijl het stucwerk onvoldoende droog was. [opdrachtgever] heeft in reactie daarop gesteld dat het stucwerk ter hoogte van de plinten niet voorzien is van een texlaag en dat die plek even zacht is als de plaatsen waarop wel tex is aangebracht. [opdrachtgever] heeft daaromtrent ook aangevoerd dat dit ook door de deskundige van TBA is geconstateerd. Beide stellingen zijn door [bedrijf 1] niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden aangenomen dat de oorzaak van het gebrek gelegen is in het te snel aanbrengen van het schilderwerk op het stucwerk.
5.9.
De conclusie is dat het beroep op overmacht niet slaagt.
Tussenconclusie
5.10.
De tussenconclusie is dat vast staat dat [bedrijf 1] jegens [opdrachtgever] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis op grond van de aannemingsovereenkomst. Dat brengt mee dat [bedrijf 1] (op grond van artikel 6:74 BW Pro) verplicht is om de schade die [opdrachtgever] daardoor lijdt te vergoeden. De vordering onder 1 kan daarom worden toegewezen.
Vordering onder 2: vervangende schadevergoeding
5.11.
Onder 2 vordert [opdrachtgever] om [bedrijf 1] te veroordelen om aan hem een vervangende schadevergoeding ex artikel 6:87 BW Pro van € 24.908,- (de rechtbank begrijpt: inclusief btw) althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente te betalen. Dit bedrag ziet op het bedrag dat [opdrachtgever] moet betalen om een derde de gebreken te laten verhelpen en de problemen met het stucwerk op te lossen.
Omzettingsverklaring
5.12.
Op grond van artikel 6:87 lid 1 BW Pro is het mogelijk om de verbintenis tot nakoming om te zetten in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk mededeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. Aan deze twee vereisten is voldaan.
5.13.
De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat de omzettingsverklaring, zoals [bedrijf 1] heeft aangevoerd, niet (ook) is uitgebracht door mevrouw [opdrachtgever] onverlet laat dat het [opdrachtgever] nu gelet op de onbetwiste cessie vrijstaat om aanspraak te maken op vervangende schadevergoeding.
Geen schuldeisersverzuim
5.14.
[bedrijf 1] heeft aangevoerd dat de omzettingsverklaring zonder gevolgen is omdat [opdrachtgever] in schuldeisersverzuim verkeert (artikel 6:58 BW Pro). Op grond van artikel 6:58 BW Pro komt de schuldeiser onder andere in verzuim wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent. De rechtbank stelt voorop dat het aan [bedrijf 1] is om het beroep hierop te onderbouwen. [bedrijf 1] wijst er in dat kader op dat hij op 11 september 2023 met een vertegenwoordiger van de firma [bedrijf 3] bij [opdrachtgever] is langsgegaan en dat hen die dag de toegang werd geweigerd. [opdrachtgever] heeft in reactie daarop aangevoerd dat hij voor een voldongen feit werd geplaatst doordat [bedrijf 1] eigenhandig een voor [opdrachtgever] en zijn vrouw onmogelijke dag en tijdstip voor bezoek heeft vastgesteld en toen langskwam. Noch [opdrachtgever] noch zijn vrouw konden op dat moment thuis zijn, zodat daarom de deur niet is opengedaan. De rechtbank stelt vast dat door [bedrijf 1] niet is onderbouwd dat [bedrijf 1] zijn bezoek voldoende tijdig heeft aangekondigd aan [opdrachtgever] en de dag en tijdstip van het bezoek met [opdrachtgever] heeft afgestemd. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat [bedrijf 1] een keer bij [opdrachtgever] is langsgegaan en die dag aan hen geen toegang werd verschaft ( [opdrachtgever] stelt: de deur niet werd geopend omdat er niemand thuis was) onvoldoende is voor een beroep op schuldeisersverzuim. Het beroep op schuldeisersverzuim slaagt dan ook niet. Dit brengt mee dat de omzettingsverklaring met recht is uitgebracht.
Kosten van herstel gebreken
5.15.
[opdrachtgever] is bij de begroting van de herstelkosten, in navolging van het rapport van TBA, uitgegaan van het laten afschuren/affrezen van de bestaande wandafwerking op de draagkrachtige ondergrond. TBA heeft in het rapport aangegeven dat er geen andere mogelijkheid is om de schade te herstellen en om de wandafwerking inwendig te versterken door middel van bijvoorbeeld impregneren. [bedrijf 1] en [persoon] hebben daarover aangevoerd dat er ook een andere minder kostbare wijze van herstel mogelijk is door een nieuwe stuclaag aan te brengen op de huidige laag. [bedrijf 1] heeft de stelling dat herstel ook op deze wijze mogelijk is echter niet onderbouwd door het overleggen van correspondentie afkomstig van een onafhankelijk deskundige. Een verklaring van [persoon] daarover, die in deze zaak procespartij is en daarom niet als onafhankelijk kan worden aangemerkt, is in dat kader onvoldoende. [persoon] heeft er weliswaar op gewezen dat een door hem ingeschakelde deskundige heeft bevestigd dat het aanbrengen van een nieuwe stuclaag mogelijk is, maar heeft dat standpunt niet onderbouwd door het overleggen van een verklaring daarover. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij de begroting van de herstelkosten, zoals door TBA aangegeven, moet worden uitgegaan van het afschuren en affrezen van de volledige bestaande wandafwerking.
5.16.
De rechtbank zal nu de herstelkosten bespreken en daarbij ingaan op de door [bedrijf 1] ter zake gevoerde verweren.
Kosten schilderwerk
5.16.1.
[bedrijf 1] voert aan dat niet valt in te zien op grond waarvan de kosten van schilderwerk als vervangende schadevergoeding kan worden meegenomen. Het schilderwerk was volgens [bedrijf 1] immers niet inbegrepen in de aanneemsom. De rechtbank overweegt dat [opdrachtgever] als gevolg van de tekortkoming waarvoor [bedrijf 1] aansprakelijk is, nu opnieuw schilderkosten moet maken. In zoverre voert [bedrijf 1] terecht aan dat de kosten die betrekking hebben op het schilderwerk niet kunnen worden aangemerkt als herstelkosten, maar kwalificeren als gevolgschade. [bedrijf 1] stelt dat hij ter zake het herstel van het schilderwerk nimmer in gebreke is gesteld. Omdat voor gevolgschade geen verzuim is vereist - de schuldenaar schiet immers meteen tekort in zijn nevenverplichting om te voorkomen dat hij schade aan het vermogen van de schuldeiser toebrengt - slaagt het beroep op het ontbreken van verzuim evenwel niet.
5.16.2.
De hoogte van de schilderkosten is door [opdrachtgever] met een offerte onderbouwd. De rechtbank begrijpt de stelling van [bedrijf 1] dat [opdrachtgever] ten onrechte in de kostenbegroting ook de plafonds heeft meegenomen aldus dat dit betrekking heeft op het geoffreerde schilderwerk. Over de plafonds is nooit geklaagd, zodat de noodzaak om ook de plafonds mee te nemen ontbreekt, aldus [bedrijf 1] . De rechtbank stelt vast dat in de door [bedrijf 3] B.V. uitgebrachte offerte ook de plafonds in diverse ruimtes zijn meegenomen. [opdrachtgever] heeft niet weersproken dat er geen noodzaak bestaat om ook de plafonds mee te nemen. De rechtbank begroot de kosten aan schilderwerk met aftrek van de plafonds (ex artikel 6:97 BW Pro) op € 6.500,- inclusief btw. Omdat deze kosten zoals hiervoor overwogen niet kwalificeren als herstelkosten, maar als gevolgschade, zal de rechtbank het gevorderde bedrag onder 2 afwijzen en onder 3 (waarbij gevolgschade wordt gevorderd) toewijzen.
Behang
5.16.3.
[bedrijf 1] stelt dat [opdrachtgever] ten onrechte ook behang heeft meegenomen in de begroting van de herstelkosten. Uit niets blijkt volgens [bedrijf 1] dat er wanden opnieuw moeten worden behangen als gevolg van het te zachte stucwerk. [opdrachtgever] heeft in reactie daarop niet nader toegelicht op grond waarvan het behang door [bedrijf 1] zou moeten worden vergoed. Het verweer van [bedrijf 1] slaagt dan ook. De rechtbank zal daarom de vordering voor zover die ziet op het gevorderde bedrag wegens behang (€ 616,60) afwijzen en in mindering brengen op het toe te wijzen bedrag.
Plinten
5.16.4.
[bedrijf 1] stelt verder dat uit niets blijkt dat er een noodzaak bestaat om de plinten te verwijderen en nieuwe plinten te kopen. [opdrachtgever] heeft vervolgens niet uitgelegd waarom het nodig zou zijn om nieuwe plinten te kopen als gevolg van de tekortkoming. [bedrijf 1] wijst er naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat TBA uitgaat van het afplakken/maskeren van de vloer inclusief plinten. Dit brengt mee dat het gevorderde bedrag vanwege het leveren en plaatsen van plinten (€ 1.406,- inclusief btw, zijnde € 1.110,66 exclusief btw) zal worden afgewezen en in mindering worden gebracht op het toe te wijzen bedrag.
Opslag aannemer 10%
5.16.5.
[bedrijf 1] voert tot slot aan dat onbegrijpelijk is dat [opdrachtgever] een bedrag aan opslag aannemer van 10% (€ 1.945,32 exclusief btw) heeft opgenomen in de kostenbegroting. [opdrachtgever] heeft niet toegelicht op grond waarvan deze opslag bij [bedrijf 1] in rekening moet worden gebracht. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen en in mindering gebracht op het toe te wijzen bedrag.
Correctie nieuw voor oud
5.16.6.
Bij het vaststellen van de herstelkosten dient naar het oordeel van de rechtbank rekening te worden gehouden met een aftrek ‘nieuw voor oud’. De rechtbank begroot die correctie op € 300,- exclusief btw.
Conclusie herstelkosten
5.17.
De overige gevorderde posten – die zijn onderbouwd aan de hand van offertes en bijbehorende documenten – kunnen naar het oordeel van de rechtbank worden toegewezen. Dit leidt tot de conclusie dat uit hoofde van herstelkosten kan worden toegewezen:
Gevorderde herstelkosten:
€ 24.908,00 inclusief btw
Kosten schilderwerk
€ 6.843,00 -/-
Behang
€ 616,60 -/-
Plinten
€ 1.406,00 -/-
Opslag aannemer
€ 1.110,66 -/-
Correctie nieuw voor oud
€ 300,00 -/-
Totaal:
€ 14.632,34 inclusief btw
Beroep op verrekening
5.18.
[bedrijf 1] heeft voor zover [bedrijf 1] enig bedrag aan [opdrachtgever] verschuldigd zou zijn verrekening gevorderd van dit bedrag met het door [opdrachtgever] onbetaald gelaten factuurbedrag ad € 1.430,46 (productie 15 van [bedrijf 1] ). De rechtbank stelt vast dat het daarbij gaat om factuur 2023/015 van 23 januari 2022. Bij akte inbreng nadere producties heeft [opdrachtgever] gesteld dat deze factuur wel degelijk is voldaan. Deze stelling is vervolgens niet weersproken, in zoverre dat de raadsman van [bedrijf 1] ter zitting heeft gesteld dat een bedrag van ongeveer € 430,- inclusief zou zijn betwist door [opdrachtgever] . Nu [opdrachtgever] dit ter zitting vervolgens gemotiveerd heeft betwist en [bedrijf 1] dit verder niet heeft onderbouwd, wordt het beroep op verrekening verworpen.
Conclusie vervangende schadevergoeding
5.19.
De conclusie is dat een bedrag van € 14.632,34 inclusief btw uit hoofde van vervangende schadevergoeding kan worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente met ingang van 2 juni 2024 kan worden toegewezen.
Vordering onder 3: gevolgschade
5.20.
Onder 3 vordert [opdrachtgever] een bedrag van € 5.009,40 inclusief btw aan gevolgschade, bestaande uit:
  • de kosten voor opslag: € 1.477,00
  • kosten verblijf elders: € 3.000,00
  • expertisekosten: € 532,40
Kosten voor opslag
5.21.
[bedrijf 1] voert aan dat voor deze kosten geldt dat de noodzaak om tijdens de herstelperiode meubels op te slaan in een container niet is toegelicht. Bovendien blijkt uit niets dat het nodig is om voor de herstelwerkzaamheden een periode van drie weken uit te trekken. Het voorwerk kan volgens [bedrijf 1] in drie à vier dagen en [persoon] heeft het stucwerk destijds in enkele dagen aangebracht, zodat een periode van drie weken onnodig is, aldus [bedrijf 1] . [opdrachtgever] heeft de periode van drie weken voor het verblijf elders gebaseerd op het door TBA opgestelde rapport. De rechtbank acht die door TBA gemaakte inschatting van drie weken voor de herstelwerkzaamheden redelijk, zodat ook zij uitgaat van een periode van drie weken. De – met offerte onderbouwde - kosten voor opslag kunnen worden toegewezen.
Kosten verblijf elders
5.22.
[bedrijf 1] stelt zich op het standpunt dat de kosten voor vervangende woonruimte buitensporig zijn, terwijl bovendien uit niets blijkt dat het niet mogelijk is om in de woning te verblijven of bij familie of vrienden te verblijven. De rechtbank is van oordeel dat de verblijfkosten in beginsel als zijnde gevolgschade toewijsbaar zijn; [opdrachtgever] is door een tekortkoming waarvoor [bedrijf 1] aansprakelijk is in een situatie geplaatst waarbij zij niet één maal maar tweemaal in een woning zitten waarin (herstel en) stucwerkzaamheden moeten worden verricht. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om deze schadepost te matigen tot een bedrag van € 2.000,-.
5.23.
De rechtbank stelt vast dat [opdrachtgever] niet heeft toegelicht waarop de expertisekosten van € 532,40 betrekking hebben. De expertisekosten van TBA (€ 1.542,75 respectievelijk € 532,40, in totaal: € 2.075,15 inclusief btw), worden reeds gevorderd onder 4. Het deel van de vordering onder 3 dat ziet op de expertisekosten van € 532,40 wordt dan ook afgewezen.
Conclusie gevolgschade
5.24.
Dit leidt tot de conclusie dat een bedrag van € 3.477,- (€ 1.477,- + € 2.000,-) kan worden toegewezen. Vermeerderd met de kosten van schilderwerk van € 6.500 inclusief btw komt het totaal toe te wijzen bedrag daarmee uit op: € 9.977 inclusief btw,-. De gevorderde wettelijke rente vanaf 2 juni 2024 kan worden toegewezen.
Eigen schuld
5.25.
Voor zover [bedrijf 1] zich heeft willen beroepen op eigen schuld aan de zijde van [opdrachtgever] vanwege het te snel aanbrengen van schilderwerk en/of het onvoldoende ventileren, wordt dit verweer om zelfde redenen als bij de toerekenbaarheid van de tekortkoming besproken gepasseerd.
Vordering onder 4: expertisekosten
5.26.
De onder 4 gevorderde expertisekosten zien op de kosten die door TBA in rekening zijn gebracht. Deze vordering is toewijsbaar.
Vordering onder 5: buitengerechtelijke incassokosten
5.27.
[opdrachtgever] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [opdrachtgever] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [opdrachtgever] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De rechtbank berekent de buitengerechtelijke incassokosten op basis van het toegewezen bedrag (€ 14.632,34 + € 9.977,- = € 24.609,34) op een bedrag van € 1.021,-. De vordering kan tot dit bedrag worden toegewezen.
Proceskosten
5.28.
[bedrijf 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [opdrachtgever] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.380,45
5.29.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In de vrijwaring
De vordering gericht tegen de heer [persoon]
5.30.
voert allereerst het verweer dat [bedrijf 1] in zijn vorderingen gericht tegen de heer [persoon] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans deze afgewezen moeten worden. [bedrijf 1] heeft namelijk met [B.V.] na de inbreng van de eenmansonderneming een overeenkomst gesloten met betrekking tot de stucwerkzaamheden. [persoon] stelt dat hij [bedrijf 1] ook heeft ingelicht over het feit dat hij zijn eenmanszaak ging omzetten naar een BV. De factuur belichaamt hetgeen partijen zijn overeengekomen, aldus [persoon] . Bovendien heeft [bedrijf 1] van de rechtbank geen toestemming verkregen om ook de heer [persoon] in vrijwaring op te roepen.
5.31.
[bedrijf 1] voert aan dat hij de overeenkomst is aangegaan met [bedrijf 1] in privé en niet met [B.V.] .
5.32.
De rechtbank stelt voorop dat het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst afhankelijk is van hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. [2] Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort tevens de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. [3] Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn. [4]
5.33.
De rechtbank stelt vast dat [bedrijf 1] niet heeft betwist dat [persoon] hem heeft medegedeeld dat hij zijn eenmanszaak zou gaan omzetten in een bv en dat de overeenkomst met betrekking tot het stucwerk in kwestie dateert van na de omzetting. Ook is de factuur op naam van de BV uitgebracht. [persoon] heeft onbetwist gesteld dat [bedrijf 1] daartegen niet heeft geprotesteerd. Daaruit leidt de rechtbank af dat [B.V.] . in dit geval als de contractspartij van [bedrijf 1] heeft te gelden. Het enkele feit dat de offerte is uitgebracht op (oud) briefpapier van de eenmanszaak maakt onder die omstandigheden niet dat is gecontracteerd met [persoon] in persoon.
5.34.
Dit brengt mee dat de vorderingen gericht tegen de heer [persoon] moeten worden afgewezen.
Klachtplicht
5.35.
[persoon] stelt dat [bedrijf 1] niet tijdig bij hem heeft geklaagd (artikel 6:89 BW Pro). Niet in geschil is dat [bedrijf 1] de aanmaningen die hij van [opdrachtgever] ontving steeds heeft doorgeleid aan [persoon] . De rechtbank is van oordeel dat dit in het kader van de klachtplicht voldoende is. Het beroep op schending van de klachtplicht slaagt dan ook niet.
Tekortkoming in de nakoming?
5.36.
Onder 1 vordert [bedrijf 1] dat de rechtbank voor recht verklaart dat [persoon] hoofdelijk, althans ieder voor zich, jegens [opdrachtgever] aansprakelijk is voor de schade van [opdrachtgever] in verband met de fouten van [bedrijf 1] bij de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst.
5.37.
Tussen [bedrijf 1] en [persoon] is een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen op basis waarvan [persoon] zich heeft verplicht het stucwerk in de woning van [opdrachtgever] te verrichten. [bedrijf 1] stelt zich op het standpunt dat als wordt geoordeeld dat het stucwerk niet goed is aangebracht, [persoon] dan moet worden veroordeeld tot betaling van al hetgeen waar [bedrijf 1] toe in de hoofdzaak wordt veroordeeld. [persoon] stelt dat geen sprake is van verzuim. Dit verweer slaagt; de rechtbank wijst de vordering van [bedrijf 1] af omdat [persoon] niet in verzuim is. Zij is als volgt tot dat oordeel gekomen.
5.38.
Voor het vergoeden van de schade als gevolg van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst is - voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is - vereist dat de schuldenaar in verzuim is (artikel 6:74 lid 2 BW Pro). Voor het intreden van het verzuim is in beginsel vereist dat [bedrijf 1] [persoon] in gebreke stelt en daarbij [persoon] een termijn geeft voor nakoming van de overeenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf 1] [persoon] niet in gebreke heeft gesteld.
5.38.1.
[bedrijf 1] beroept zich op artikel 6:83 sub c BW Pro. Zij voert in dat kader aan dat [persoon] – nadat [bedrijf 1] door [opdrachtgever] werd aangesproken – mondeling aan [bedrijf 1] kenbaar heeft gemaakt dat er geen sprake was van een gebrek. Uit die mededeling kon [bedrijf 1] afleiden dat [persoon] tekort zou schieten in de nakoming van de verbintenis, aldus [bedrijf 1] .
Het beroep op artikel 6:83 sub c BW Pro is niet tardief
5.39.
[persoon] heeft aangevoerd dat het beroep op artikel 6:83 sub c BW Pro tardief is omdat het pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling is aangevoerd. De rechtbank volgt [persoon] daarin niet omdat de mondelinge behandeling in deze procedure de gelegenheid was voor [bedrijf 1] om te reageren op de verweren die door [persoon] in zijn conclusie van antwoord zijn aangevoerd; er heeft in deze zaak immers geen repliek/dupliek wisseling plaatsgevonden.
Het beroep op artikel 6:83 sub c BW Pro slaagt niet
5.40.
De rechtbank oordeelt evenwel dat het beroep op artikel 6:83 sub c BW Pro niet slaagt.
5.40.1.
Artikel 6:83 aanhef Pro en onder c bepaalt dat het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten. Daarvan is pas sprake als de schuldeiser ‘redelijkerwijs niet anders kan’ dan afleiden dat de schuldenaar in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.
5.40.2.
Het enkele feit dat [persoon] op enig moment mondeling heeft aangegeven dat “het stucwerk in orde was”, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van een mededeling als bedoeld in artikel 6:83 sub c BW Pro. Dit temeer nu [bedrijf 1] zelf in de vrijwaringsdagvaarding – onder randnummer 25 – heeft aangegeven dat [persoon] in reactie op de sommatiebrief van [opdrachtgever] van 27 maart 2023 aangaf dat het stucwerk niet gebrekkig was en “dat als blijkt dat het stucwerk niet goed was”, hij het zou oplossen met [opdrachtgever] . De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] hier niet uit kon afleiden dat [persoon] in de nakoming van zijn verbintenis tekort zou schieten.
Tussenconclusie
5.41.
De conclusie is dat [bedrijf 1] een ingebrekestelling had moeten sturen aan [persoon] voor het intreden van het verzuim. Omdat [bedrijf 1] dat niet heeft gedaan is [persoon] niet in verzuim en wordt hij niet veroordeeld tot betaling van hetgeen [bedrijf 1] aan vervangende schadevergoeding moet betalen in de hoofdzaak.
Gevolgschade
5.42.
Voor de gevolgschade geldt dit voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet. Gevolgschade is kort gezegd de schade die niet door een vervangende prestatie wordt weggenomen. Hiervoor is geen verzuim vereist. Een deel van de door [opdrachtgever] gevorderde schade betreft gevolgschade. Hierna zal worden toegelicht dat [persoon] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst met [bedrijf 1] en dat [persoon] daarom wel de door [opdrachtgever] gevorderde gevolgschade aan [bedrijf 1] moet betalen.
Tekortkoming in de nakoming van [persoon]
5.43.
Bovenstaand is in de beoordeling van de hoofdzaak geoordeeld dat het stucwerk
qua hardheid niet voldoet aan datgene dat [opdrachtgever] als minimum eis in het kader van goed en deugdelijk werk van het stucwerk mocht verwachten. Ook is geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat [opdrachtgever] onvoldoende heeft geventileerd en/of dat [opdrachtgever] het schilderwerk te snel heeft aangebracht op nog onvoldoende droog stucwerk. De rechtbank overweegt dat deze conclusies, om dezelfde redenen als in het vonnis in de hoofdzaak genoemd, ook hebben te gelden in de vrijwaringszaak.
5.44.
Niet in geschil is dat [persoon] het stucwerk volledig zelf heeft aangebracht en dat [bedrijf 1] daar zelf geen bemoeienis mee heeft gehad. [persoon] was op grond daarvan gehouden om stucwerk af te leveren dat voldeed aan de eisen van goed en deugdelijk werk. Het bij [opdrachtgever] aangebrachte stucwerk voldoet daaraan niet. Deze tekortkoming is toerekenbaar aan [persoon] . De twee geopperde alternatieve oorzaken van het te zachte stucwerk zijn immers niet door de rechtbank gevolgd. De conclusie daarvan is dat [persoon] ten opzichte van [bedrijf 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming van werk
Décharge van de aannemer
5.45.
[persoon] voert tot slot aan dat hij op grond van artikel 7:758 BW Pro is ontslagen van zijn aansprakelijkheid jegens [bedrijf 1] . [bedrijf 1] had het gebrek makkelijk kunnen ontdekken en zou bij normaal onderzoek aan het licht zijn gekomen. Omdat hij niet heeft toegelicht en onderbouwd vanaf welk moment hij ontslagen was van zijn aansprakelijkheid jegens [bedrijf 1] als opdrachtgever heeft [persoon] op dit punt niet aan zijn stelplicht voldaan. De rechtbank verwerpt daarom het beroep van [persoon] op artikel 7:758 BW Pro.
Gevolgschade
5.46.
Bovenstaand is in de hoofdzaak overwogen dat [bedrijf 1] uit hoofde van gevolgschade een bedrag van € 9.977,- inclusief btw aan [opdrachtgever] moet betalen. [persoon] zal worden veroordeeld om aan [bedrijf 1] te betalen datgene waartoe [bedrijf 1] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [opdrachtgever] wordt veroordeeld, tot een bedrag van € 9.977,- inclusief btw vermeerderd met de wettelijke rente. De overige vorderingen zullen, inclusief de verklaring voor recht, worden afgewezen.
Proceskosten hoofdzaak
5.47.
Omdat [B.V.] . wordt veroordeeld om een relatief klein deel (37%) van het bedrag dat [bedrijf 1] aan [opdrachtgever] moet betalen aan [bedrijf 1] te betalen, ziet de rechtbank in dit geval geen reden om [persoon] te veroordelen tot betaling van de proceskosten die [bedrijf 1] aan [opdrachtgever] moet vergoeden.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.48.
Omdat [bedrijf 1] in de vrijwaringsdagvaarding niets over buitengerechtelijke incassokosten heeft gesteld, wordt de vordering die daarop ziet afgewezen.
De proceskosten in de vrijwaringszaak
5.49.
[persoon] is de in het ongelijk gestelde partij. [B.V.] . moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bedrijf 1] worden op basis van het toegewezen bedrag begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,02
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.108,00
(2 punten × € 554,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.820,02
5.50.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak
6.1.
verklaart voor recht dat [bedrijf 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst,
6.2.
veroordeelt [bedrijf 1] om aan [opdrachtgever] te betalen een bedrag van € 14.632,34, inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [bedrijf 1] om aan [opdrachtgever] te betalen een bedrag van € 9.977,- inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.4.
veroordeelt [bedrijf 1] om aan [opdrachtgever] te betalen de expertisekosten van € 2.075,15,
6.5.
veroordeelt [bedrijf 1] om aan [opdrachtgever] te betalen een bedrag van € 1.021,- aan buitengerechtelijke kosten,
6.6.
veroordeelt [bedrijf 1] in de proceskosten van € 3.380,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
veroordeelt [bedrijf 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de vrijwaringszaak
6.10.
wijst de vorderingen gericht tegen de heer [persoon] af,
6.11.
veroordeelt [B.V.] . om aan [bedrijf 1] te betalen datgene waartoe [opdrachtgever] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [opdrachtgever] wordt veroordeeld, tot een bedrag van
€ 9.477,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.12.
veroordeelt [persoon] in de proceskosten van € 2.820,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.13.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.14.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken op 4 maart
2026.

Voetnoten

1.HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7617
2.HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615 en zie o.a. HR 30 november 2018,
3.HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9284
4.Vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034