Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:1690

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/03/347628 / KG ZA 25-476
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Roeffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195a RvArt. 21 RvArt. 5:2 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot inzage documenten en afgifte roerende zaken in koopgeschil onroerende zaken

Eisers vorderen inzage in alle documenten met betrekking tot een (al dan niet gesloten) koopovereenkomst van onroerende zaken en afgifte van roerende zaken die volgens hen onrechtmatig door gedaagden worden vastgehouden.

De rechtbank oordeelt dat het spoedeisend belang voor inzage aanwezig is vanwege de dreigende executie door de bank, maar wijst de inzagevordering af omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de gevraagde documenten bestaan. De vordering wordt gezien als een 'fishing expedition'.

Ten aanzien van de afgifte van roerende zaken wordt geoordeeld dat eiser 1 eigenaar is van de goederen en dat gedaagden gehouden zijn de precisiebreedstrooier en Fendt tractor af te geven, omdat een eventueel gebruiksrecht is opgezegd. De vordering tot afgifte van een VW Caddy wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat gedaagden deze in bezit hebben.

De gevorderde dwangsom wordt gematigd. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten van gedaagden, de bank en de makelaar, omdat zij onvolledig en onjuist hebben gesteld dat goederen nog in bezit van gedaagden waren. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vordering tot inzage afgewezen, vordering tot afgifte precisiebreedstrooier en Fendt tractor toegewezen met dwangsom, eisers veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/347628 / KG ZA 25-476
Vonnis in kort geding van 19 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] B.V.,

te [plaats 1] ,
2.
[eiser 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. M.M.M. Rooijen,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

te [plaats 2] ,
advocaat: mr. H.M.L. Dings,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
te [plaats 1] ,
advocaat: mr. H.M.L. Dings,
3.
[gedaagde 3] B.V.,
te [plaats 1] ,
advocaat: mr. H.M.L. Dings,
4.
[gedaagde 4],
te [plaats 1] ,
advocaat: mr. H.M.L. Dings,
5.
[gedaagde 5],
te [plaats 1] ,
advocaat: mr. H.M.L. Dings,
6.
[gedaagde 6] BV,
te [plaats 3] ,
procederend in persoon,
7.
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amsterdam,
advocaat: mr. J.W. Achterberg,
8.
[gedaagde 8] B.V.,
te [plaats 2] ,
advocaat: mr. H.M.L. Dings,
9.
[gedaagde 9] B.V.,
te [plaats 1] ,
advocaat: mr. H.M.L. Dings,
gedaagde partijen.
Eisers zullen hierna [eisers] worden genoemd. Gedaagden sub 1 t/m 5 en gedaagden sub 8 en sub 9 zullen hierna gezamenlijk [gedaagden] en ieder voor zich [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 8] en [gedaagde 9] worden genoemd. Gedaagde sub 6 zal hierna de Makelaar worden genoemd en gedaagde sub 7 zal hierna de Bank worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 8
- het bericht van 2 februari 2026 van [eisers] met producties 9 t/m 12
- de conclusie van antwoord met productie 1 van de Bank
- de producties 1 t/m 12 van [gedaagden]
- de mondelinge behandeling van 5 februari 2026 ter gelegenheid waarvan aan de zijde van [eisers] en aan de zijde van [gedaagden] spreekaantekeningen zijn overgelegd.

2.De feiten

2.1.
[gedaagden] zijn eigenaar van diverse onroerende zaken (hierna: de Onroerende Zaken), die worden gebruikt ten behoeve van een champignonkwekerij.
2.1.1.
[gedaagde 1] BV is eigenaar van de onroerende zaken met kadastrale aanduiding:
  • [kadastrale aanduiding 1] (adres: [adres 1] )
  • [kadastrale aanduiding 2]
  • [kadastrale aanduiding 3]
  • [kadastrale aanduiding 4]
  • [kadastrale aanduiding 5] (adres: [adres 1] )
2.2.
[gedaagde 2] BV is eigenaar van de onroerende zaken met kadastrale aanduiding:
  • [kadastrale aanduiding 6] (adres: [adres 2] )
  • [kadastrale aanduiding 7] (adres: [adres 2] )
  • [kadastrale aanduiding 8]
2.3.
[gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn eigenaar van de onroerende zaken met kadastrale aanduiding:
  • [kadastrale aanduiding 9] (adres: [adres 3] )
  • [kadastrale aanduiding 10] (adres: [adres 4] ; hun woonhuis)
  • [kadastrale aanduiding 11]
  • [kadastrale aanduiding 12]
2.4.
[gedaagde 3] BV is eigenaar van de onroerende zaken met kadastrale aanduiding:
  • [kadastrale aanduiding 13]
  • [kadastrale aanduiding 14] (adres: [adres 5] )
  • [kadastrale aanduiding 15]
  • [kadastrale aanduiding 16]
  • [kadastrale aanduiding 17]
  • [kadastrale aanduiding 18]
2.5.
De hypotheekhouder van de Onroerende Zaken is de Bank. Op 13 februari 2025 heeft de Bank tegenover [gedaagden] de financiering opgezegd en opgeëist. Op dat moment zijn [gedaagden] een bedrag van € 10.629.611,12 aan de Bank verschuldigd. Aan [gedaagden] is een termijn gegund om de Onroerende Zaken zelf onderhands te verkopen.
2.6.
[gedaagden] hebben op 20 februari 2025 een verkoopopdracht verstrekt aan de Makelaar.
2.7.
[eiser 2] heeft zich op enig moment gemeld als kandidaat-koper voor de Onroerende Zaken. Tussen partijen is vervolgens gesproken over de (ver)koop van de Onroerende Zaken. Daarnaast hebben [eiser 1] (een vennootschap van [eiser 2] ) en [gedaagden] gesproken over de (ver)koop van een aantal roerende zaken.
2.8.
Op 10 oktober 2025 hebben en [eiser 1] enerzijds en [gedaagde 9] en [gedaagde 8] anderzijds een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de navolgende roerende zaken:
a. a) precisiebreedstrooier
b) Magni verreiker
c) veegmachine
d) Volvo graafmachine EC35D
e) Volkswagen Caddy
f) Volkswagen Caddy
g) Volkswagen Transporter
h) Fendt tractor
2.9.
Diezelfde dag zijn twee facturen verstuurd aan [eiser 1] voor de roerende zaken tegen een totaalbedrag van € 37.147,00 en € 4.114,00. [eiser 1] heeft beide facturen voldaan. Later bleek dat de Volkswagen Transporter (onder f) slechts geleaset werd, waardoor verkoop door [gedaagden] aan [eiser 1] niet mogelijk bleek. Op 20 oktober 2025 is daarom een creditnota opgemaakt voor een bedrag van € 10.000,00.
2.10.
[eiser 2] heeft de Bank gemeld dat hij bereid is de Onroerende Zaken te kopen voor een bedrag van € 6 miljoen, waarna de Bank als hypotheekhouder heeft toegezegd in te stemmen met die verkoop en royement te zullen verlenen. Op 23 oktober 2025 mailt de Bank aan [eiser 2] en de Makelaar:
“(…)
Zoals tijdens ons gesprek ook opgemerkt is de bank geen verkoper maar slechts hypotheekhouder. De bank kan het vastgoed niet leveren en daar ook niet voor instaan. De verkopende partij is het [echtpaar] en enkele vennootschappen, zij zullen medewerking moeten verlenen aan de transactie.
@ [makelaar] , kun jij de concept koopovereenkomst opstellen en e.e.a. met partijen afstemmen.”
2.11.
Op 28 oktober 2025 mailt [gedaagde 4] aan de Makelaar en in kopie (CC) aan [gedaagde 5] :
“Hoi [makelaar] , Wij zijn akkoord met de bieding.”
2.12.
De Makelaar heeft een concept koopovereenkomst opgesteld en met [eiser 2] en [gedaagden] gedeeld.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen bij vonnis in kort geding, voor zoveel als wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Ten aanzien van Vordering I
I. [gedaagden] , de Bank en de Makelaar te veroordelen binnen zeven (7) dagen na betekening van dit vonnis afschrift te verstrekken van, dan wel inzage te verschaffen in de volgende documenten uit de periode oktober 2025 tot aan de dag van dagvaarding:
gericht tot [gedaagden] / de Bank en de Makelaar
  • e-mails, chat- en appberichten, gespreksnotities, brieven, logboeken, systeemnotities, instructies aan of van derden die betrekking hebben op de verkoop van de Onroerende Zaken en/of de koopovereenkomst;
  • alle communicatie tussen [gedaagden] en diens adviseurs, de notaris, de makelaar of overige betrokkenen aangaande de verkoop van de Onroerende Zaken en/of de koopovereenkomst;
gericht tot [gedaagden]
- eventuele interne correspondentie of memo's binnen het kantoor/woning van [gedaagden] die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de verkoop van de Onroerende Zaken en/of de koopovereenkomst;
[gedaagden] , de Bank en de Makelaar te veroordelen om aan [eiser 2] een hoofdelijke dwangsom te betalen van € 5.000,00 per dag, een deel van een dag voor een hele gerekend, dat [gedaagden] , de Bank en de Makelaar niet (volledig) aan de uitgesproken veroordeling voldoen.
II. [gedaagden] hoofdelijk, de Bank en de Makelaar, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de (na)kosten van deze procedure, met bepaling dat indien [gedaagden] het bedrag aan proceskosten niet heeft voldaan binnen veertien dagen na dagtekening, althans betekening van dit vonnis, [gedaagden] hoofdelijk, de Bank en de Makelaar vanaf de vijftiende dag over het bedrag aan proceskosten de wettelijke rente zijn verschuldigd zulks tot aan de dag der algehele voldoening.
Ten aanzien van Vordering II
Primair
III. de heer [gedaagde 4] , [gedaagde 8] BV en [gedaagde 9] BV hoofdelijk te veroordelen om uiterlijk binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de Roerende Zaken, met toebehoren, aan [eiser 1] te retourneren op straffe van verbeurte van een hoofdelijke dwangsom van € 5.000,00 per dag of deel daarvan dat de heer [gedaagde 4] , [gedaagde 8] BV en [gedaagde 9] BV in gebreke blijft aan die veroordeling te voldoen;
Subsidiair
IV. [eiser 1] te machtigen de Roerende Zaken, met toebehoren, te revindiceren als de heer [gedaagde 4] , [gedaagde 8] BV en [gedaagde 9] BV in gebreke blijven (volledig) aan de primaire veroordeling te voldoen, indien nodig met de sterke arm van politie en justitie, waarbij alle gevolgen en kosten hoofdelijk voor rekening en risico van de heer [gedaagde 4] , [gedaagde 8] BV en [gedaagde 9] BV komen;
Primair en subsidiair
V. De heer [gedaagde 4] , [gedaagde 8] BV en [gedaagde 9] BV hoofdelijk, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de (na)kosten van deze procedure, met bepaling dat indien [gedaagden] het bedrag aan proceskosten niet hebben voldaan binnen veertien dagen na dagtekening, althans betekening van het in dezen te wijzen vonnis, [gedaagden] hoofdelijk, de Bank en de Makelaar vanaf de vijftiende dag over het bedrag aan proceskosten de wettelijke rente zijn verschuldigd zulks tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
[gedaagden] , de Bank en de Makelaar voeren verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover van belang nader ingegaan.

4.De beoordeling

Vordering I - inzage
Spoedeisend belang
4.1.
Een vordering in kort geding kan slechts worden toegewezen als degene die de vordering instelt bij toewijzing daarvan voldoende (spoedeisend) belang heeft.
4.2.
[eiser 2] stelt dat het spoedeisend belang erin is gelegen dat de Bank de executie van de Onroerende Zaken heeft aangezegd. Om die executie tegen te gaan, moet met spoed komen vast te staan dat er al een koopovereenkomst is. Daarvoor is volgens [eiser 2] inzage in de gevraagde stukken vereist.
4.3.
[gedaagden] betwisten het spoedeisend belang, omdat (nog) geen sprake is van de verkoop van de ONC-locatie door de curator aan [eiser 2] , zodat [eiser 2] het omliggende terrein ook niet met spoed nodig heeft.
4.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het spoedeisend belang van [eiser 2] erin gelegen dat de Bank de executie heeft aangezegd, mede gelet op het feit dat de Bank tijdens de mondelinge behandeling heeft bevestigd dat zij voornemens is de executie door te zetten.
De inzagevordering
4.5.
[eiser 2] vordert inzage in alle correspondentie met betrekking tot de gestelde koopovereenkomst, die volgens [eiser 2] tussen hem en [gedaagden] is gesloten. [eiser 2] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij voldoende belang heeft bij inzage, omdat hij daarmee kan aantonen dat tussen partijen een (onvoorwaardelijke) koopovereenkomst tot stand is gekomen. [eiser 2] twijfelt aan de volledigheid van de administratie van [gedaagden] en richt daarom zijn vordering tevens aan de Bank en de Makelaar. [eiser 2] betoogt dat de Bank en de Makelaar ook te gelden hebben als partijen die beschikken over bepaalde bescheiden over de rechtsbetrekking tussen [gedaagden] en [eiser 2] . [eiser 2] verwijst in dat kader naar de e-mail van 28 oktober 2025 van [gedaagde 4] aan de Makelaar, waarin [gedaagde 4] aangeeft akkoord te gaan met de bieding. [eiser 2] stelt dat het aannemelijk is dat er meer informatie over de koopovereenkomst is die ter kennis moet zijn gebracht aan de Bank en de Makelaar. [eiser 2] wil voorkomen dat de Bank de Onroerende Zaken aan een ander verkoopt en stelt daarom belang te hebben bij inzage in de gevraagde bescheiden.
4.6.
De Bank en de Makelaar hebben betwist dat zij over meer of andere documenten beschikken, die zien op de rechtsbetrekking tussen [gedaagden] en [eiser 2] . De Bank heeft daarbij aangevoerd dat het steeds [eiser 2] is geweest die de Bank (deels telefonisch) op de hoogte heeft gehouden omtrent de ontwikkelingen over het verkooptraject. De Makelaar heeft aangevoerd dat hij naar aanleiding van het contact tussen hem en [eiser 2] en de hiervoor genoemde e-mail van 28 oktober 2025 een concept koopovereenkomst heeft opgesteld die hij met partijen heeft gedeeld, maar dat hij niet over meer stukken beschikt.
4.7.
[gedaagden] hebben eveneens betwist dat de gevraagde bescheiden bestaan. Behoudens de hiervoor genoemde e-mail is volgens [gedaagden] geen sprake van correspondentie of andere stukken die betrekking hebben op het onderhandelings- dan wel verkooptraject tussen [gedaagden] en [eiser 2] .
4.8.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 194 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Ingevolge lid 2 van dat artikel is degene die over de gegevens beschikt verplicht daarvan desverzocht inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. In artikel 195a Rv is bepaald dat een rechter ook een derde die geen partij is bij de rechtsbetrekking, maar wel over bepaalde gegevens beschikt, kan veroordelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens.
4.9.
Dat voldaan is aan het vereiste van een rechtsbetrekking in de zin van artikel 194 Rv Pro tussen [eiser 2] en [gedaagden] staat terecht tussen partijen niet ter discussie. Dat begrip dient immers ruim te worden uitgelegd en inzet van de procedure kan ook zijn het bestaan van een dergelijke rechtsbetrekking te bewijzen.
4.10.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser 2] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagden] , de Bank en/of de Makelaar over de gevraagde stukken beschikken. Niet aannemelijk is geworden dat de gevorderde bescheiden daadwerkelijk bestaan. Hetgeen [eiser 2] ten aanzien van de door hem genoemde bescheiden naar voren heeft gebracht, is immers grotendeels gebaseerd op speculaties over welke informatie de Makelaar, [gedaagden] en de Bank met elkaar zouden moeten hebben gewisseld. Door alle drie de partijen is betwist dat dergelijke stukken bestaan, anders dan de e-mails die reeds in deze procedure zijn overgelegd. Voor zover het inzageverzoek betrekking heeft op de reeds overgelegde e-mails, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser 2] geen belang meer heeft bij zijn vordering, nu hij reeds over die stukken beschikt.
4.11.
De voorzieningenrechter is al met al van oordeel dat sprake is van een ‘fishing expedition’. Het gaat [eiser 2] om het verkrijgen van stukken om te bezien of daarin de informatie staat die hij veronderstelt, althans waarvan hij hoopt daaraan iets te hebben, terwijl die veronderstelling, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagden] , de Bank en de Makelaar, niet voldoende is onderbouwd en daarvoor ook onvoldoende aanwijzing bestaat.
4.12.
De inzagevordering van [eiser 2] zal dan ook worden afgewezen. Hetgeen partijen meer of anders hebben aangevoerd kan als niet (langer) ter zake doende verder buiten beschouwing worden gelaten.
Vordering II – afgifte roerende zaken
Spoedeisend belang
4.13.
[eiser 1] stelt dat het spoedeisend belang voortvloeit uit de aard van de zaak, omdat zij een einde wil maken aan de inbreuk op haar eigendomsrecht door [gedaagden] , die de roerende zaken volgens [eiser 1] zonder recht of titel onder zich houden.
4.14.
[gedaagden] betwisten dat [eiser 1] een spoedeisend belang heeft. Zij wijzen erop dat [eiser 1] heeft gesteld de roerende zaken nodig te hebben voor de exploitatie van haar nieuwe onderneming op de locatie van ONC, maar zolang er geen koopovereenkomst tot stand is gekomen betreffende de locatie van ONC, zijn deze roerende zaken niet nodig voor de exploitatie van de nieuwe onderneming op die locatie. Nu die koopovereenkomst er (nog) niet is, ontbreekt volgens [gedaagden] ook het spoedeisend belang.
4.15.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang reeds uit de aard van de zaak volgt, omdat [eiser 1] met de revindicatie een einde beoogt te maken aan de gestelde voortdurende inbreuk op haar eigendomsrecht.
De vordering tot revindicatie
4.16.
[eiser 1] stelt dat de roerende zaken medio november 2025 in de nachtelijke uren zijn verwijderd van de locatie van ONC en later deels gelokaliseerd zijn door [eiser 1] op een locatie van [gedaagden] [eiser 1] stelt dat de roerende zaken daarna weer uit het zicht van [eiser 1] zijn gebracht en vordert thans teruggave van die roerende zaken.
4.17.
[gedaagden] betwisten dat zij de roerende zaken hebben weggenomen van de locatie van ONC en elders hebben opgeslagen. [gedaagden] voeren aan dat [eiser 1] deze roerende zaken zelf heeft verplaatst of doen verplaatsen, met uitzondering van de VW Transporter, de precisie breedstrooier en de Fendt tractor. De VW Transporter was geen eigendom van [gedaagden] , maar geleaset en kon dus niet verkocht worden, zodat partijen die koop als het ware hebben teruggedraaid en [eiser 1] hiervoor een creditnota heeft ontvangen. Ten aanzien van de precisie breedstrooier en de Fendt tractor hebben partijen afspraken gemaakt over het gebruik daarvan door [gedaagden] , zodat [gedaagden] niet gehouden zijn die roerende zaken af te geven.
4.18.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser 1] erkend dat de koop van de VW Transporter niet rechtsgeldig was, omdat [gedaagden] geen eigenaar waren. [eiser 1] heeft ook erkend dat de roerende zaken grotendeels door [eiser 1] zijn opgehaald. [eiser 1] stelt enkel niet te beschikken over één van de VW Caddy’s, de precisie breedstrooier en de Fendt tractor. [eiser 1] heeft betwist dat aan [gedaagden] een gebruiksrecht is toegekend voor deze goederen.
4.19.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
In de wet is bepaald dat de eigenaar van een zaak bevoegd is om die zaak van eenieder die haar zonder recht of titel houdt op te eisen (artikel 5:2 BW Pro). In deze procedure eist [eiser 1] afgifte van roerende zaken van [gedaagden] Tussen partijen is dus enkel nog in geschil of [gedaagden] gehouden zijn de VW Caddy, precisie breedstrooier en de Fendt tractor af te geven. Partijen zijn het erover eens dat [eiser 1] eigenaar is van die roerende zaken. De vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden is of [gedaagden] over de genoemde goederen beschikken en een ‘recht of titel’ hebben, die maakt dat zij de roerende zaken mogen blijven gebruiken en [eiser 1] die zaken niet mag terugeisen.
4.20.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser 1] gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagden] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagden] de VW Caddy onder zich houden. De vordering tot afgifte van de VW Caddy wordt dan ook afgewezen.
4.21.
Ten aanzien van de breedstrooier en Fendt tractor hebben [gedaagden] erkend dat zij deze onder zich houden en zijn [gedaagden] gehouden die goederen af te geven. Daartoe is het volgende bepalend. Voor zover er al een gebruiksrecht zou hebben bestaan voor [gedaagden] , heeft [eiser 1] dat gebruiksrecht opgezegd door die roerende zaken op te eisen middels de brief van 28 november 2025 van de advocaat van [eiser 1] gericht aan de advocaat van [gedaagden] Er is dan ook geen sprake (meer) van een recht of titel die maakt dat [gedaagden] de roerende zaken mogen gebruiken. De vordering van [eiser 1] tot afgifte van de roerende zaken zal ten aanzien van de precisie breedstrooier en de Fendt tractor worden toegewezen.
4.22.
De gevorderde dwangsom is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onevenredig hoog en zal worden beperkt en gemaximeerd zoals vermeld in de beslissing.
Vorderingen I en II
Proceskosten
4.23.
[eiser 1] heeft in strijd met artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gehandeld, door de voor de zaak van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid aan te voeren. [eiser 1] wist namelijk dat een groot deel van de goederen waarvan afgifte werd gevorderd al waren afgegeven en met betrekking tot de Volkswagen Transporter dat afgifte niet (langer) aan de orde was. De stelling van [eiser 1] dat roerende zaken na levering door [gedaagden] zijn ontvreemd bleek bovendien onjuist. Op grond van artikel 21 Rv Pro mag de voorzieningenrechter daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Gelet daarop en omdat [eisers] overwegend in het ongelijk zijn gesteld moeten zij de proceskosten van [gedaagden] (inclusief nakosten) betalen.
4.24.
[eiser 1] moet ook de proceskosten van de Bank en de Makelaar betalen, omdat de vorderingen jegens hen volledig worden afgewezen.
4.25.
Bij de begroting van de proceskosten worden zoals gebruikelijk de forfaitaire tarieven gehanteerd voor de kosten van rechtsbijstand. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanleiding om – zoals door de Bank gevorderd – uit te gaan van de daadwerkelijk gemaakte kosten. Daarvoor is vereist dat sprake is van onrechtmatig handelen en/of misbruik van procesrecht (ECLI:NL:HR:2017:2360) en dat is in deze zaak niet aan de orde. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk dat het aanhangig maken van dit kort geding gelet op de evidente ongegrondheid van de vordering in verband met de betrokken belangen van de Bank achterwege had moeten blijven.
4.25.1.
De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.25.2.
De proceskosten van de Bank worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.25.3.
De proceskosten van de Makelaar worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
924,00
4.26.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.27.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 4] , [gedaagde 8] en [gedaagde 9] hoofdelijk om uiterlijk binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de Fendt Tractor en de breedstrooier, met toebehoren, aan [eiser 1] te retourneren,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 4] , [gedaagde 8] en [gedaagde 9] hoofdelijk om aan [eiser 1] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt,
5.3.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van
de Bankvan € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van
de Makelaarvan € 924,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van
[gedaagden]van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.