ECLI:NL:RBLIM:2026:1700

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
03.299382.25
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor diefstal elektrische fiets

De rechtbank Limburg heeft op 20 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van diefstal van een elektrische fiets op 22 oktober 2025 te Heerlen. De verdachte heeft het feit ter terechtzitting bekend, waarna de rechtbank het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen achtte.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte strafbaar is en dat er geen omstandigheden zijn die de strafbaarheid uitsluiten. Gezien het strafblad van de verdachte met meerdere eerdere vrijheidsbenemende straffen en het hoge recidiverisico, zoals vastgesteld in reclasseringsrapporten, werd voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een ISD-maatregel.

De verdediging verzocht om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met klinische opname en begeleid wonen, maar de rechtbank volgde de aanbeveling van de reclassering die een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar adviseerde. De rechtbank wees de schadevordering van de benadeelde partij af wegens onvoldoende onderbouwing en verwees deze naar de civiele rechter.

De rechtbank legde de onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar op zonder aftrek van voorarrest, met het oog op de verslavingsproblematiek van de verdachte en de noodzaak tot langdurige behandeling ter bescherming van de samenleving.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar zonder aftrek van voorarrest wegens diefstal van een elektrische fiets.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.299382.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 20 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedatum] 1972,
gedetineerd in [PI] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. L. van Tiggelen, advocaat te Heerlen.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 februari 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De benadeelde partij is niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 22 oktober 2025 in Heerlen een elektrische fiets heeft gestolen.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), omdat de verdachte het feit ter terechtzitting duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.
  • De bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting.
  • Het proces-verbaal van aangifte van [naam] (pagina’s 4 en 5).
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 22 oktober 2025 te Heerlen een elektrische fiets van het merk Watt, type Boston, die aan [naam] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
diefstal
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf en/of de maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISDmaatregel voor de duur van twee jaren op te leggen, zonder aftrek van het voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan de verdachte op te leggen, maar een extra lange, deels voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarden klinische opname en begeleid wonen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van de elektrische fiets van [naam] . Hij heeft daarmee het eigendomsrecht van [naam] geschonden.
De rechtbank stelt vast dat aan de vereisten voor het opleggen van een ISD-maatregel is voldaan. De verdachte heeft zich met de diefstal van de elektrische fiets schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij in de vijf jaren voorafgaand aan deze diefstal ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld en de diefstal is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Volgens de reclasserings-rapporten van 16 januari 2026 en 2 februari 2026 is het risico op recidive hoog. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van een ISD-maatregel eist.
De reclassering ziet geen andere mogelijkheid om het hoge recidiverisico te beperken dan door oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Anders dan de raadsrouw heeft bepleit, raadt de reclassering een traject met een klinische behandeling en opname in een instelling voor begeleid wonen niet enkel af omdat een klinische opname niet direct na zijn detentieperiode gerealiseerd zal kunnen worden, maar ook omdat er geen recente diagnostiek voorhanden is waaruit blijkt dat een klinische behandeling noodzakelijk/wenselijk is. De reclassering brengt in dat verband maar voren dat de verdachte tijdens eerdere toezichten in het voorwaardelijk kader heeft laten zien dat het hem niet lukt om zich te conformeren aan afspraken en zich langdurig te committeren aan een dergelijk hulpverleningstraject of klinische behandeling en dat de verdachte momenteel niet beschikt over de vaardigheden om zijn problemen, op met name het middelengebruik, in een ambulant kader aan te pakken.
Gezien met name de verslavingsproblematiek van de verdachte en ter optimale bescherming van de samenleving, acht de rechtbank het van belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Langdurige behandeling zal noodzakelijk zijn om het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden volstaan met een ISD-maatregel voor minder dan twee jaren of voor twee jaren met aftrek van het voorarrest.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren opleggen zonder aftrek van het voorarrest.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [naam] vordert voor materiële schade, bestaande uit - naar de rechtbank begrijpt - de kosten voor de aanschaf van een nieuwe fiets, een schade-vergoeding tot een bedrag van € 1.795,-.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij, omdat de vordering niet is onderbouwd.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, omdat de vordering niet is onderbouwd.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is de hoogte van de vordering van de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd, nu de benadeelde partij heeft volstaan met het geven van de omschrijving ‘nieuwe fiets aangeschaft’ met daarachter de vermelding van het gevorderde bedrag. Voor het vaststellen van de omvang van de door de benadeelde partij geleden schade is daarom nader onderzoek noodzakelijk, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat er onvoldoende gegevens over de fiets bekend zijn zodat de rechtbank gebruik zou kunnen maken van de schattingsbevoegdheid ter vaststelling van de schade. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij nietontvankelijk verklaren in haar vordering.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Maatregel
- legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren;
Benadeelde partij
  • verklaart de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
  • veroordeelt de benadeelde partij [naam] in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.E.G. Peters, voorzitter,
mr. M.J.M. Goessen en mr. J.S. Spijkerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I.W. Levelt-Iseger, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 20 februari 2026.
Buiten staat
Mr. J.S. Spijkerman is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Heerlen een elektrische fiets van het merk Watt, type Boston, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL23002025184253, gesloten op 9 november 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 29.