Uitspraak
1.De procedure
- de door Woonwenz ingediende producties 1 tot en met 12,
- de mondelinge behandeling van 17 februari 2026,
- de pleitnota van Woonwenz.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een executiegeschil over de ontruiming van een woning na beëindiging van de huurovereenkomst door de bewindvoerder van de moeder van eiser. De moeder was huurder van de woning en was opgenomen in een GGZ-instelling, waarna de huur werd opgezegd en de huurovereenkomst per 8 november 2025 eindigde.
Eiser, de zoon van de moeder, verbleef sinds juli 2024 in de woning zonder zelf partij te zijn bij de huurovereenkomst. Na het einde van de huur bleef hij in de woning zonder recht of titel en weigerde medewerking aan ontruiming. Hij vorderde in kort geding opschorting van de uitvoerbaarheid van het vonnis dat ontruiming gelastte, met als argument dat hij als medehuurder moest worden beschouwd vanwege een gemeenschappelijke huishouding.
De kantonrechter oordeelde dat in een executiegeschil geen plaats is voor inhoudelijke herbeoordeling van de huurovereenkomst en dat geen sprake is van een kennelijke misslag. De belangenafweging viel uit in het voordeel van de verhuurder, omdat eiser niet voldeed aan de vereisten voor medehuurderschap en de huurovereenkomst rechtsgeldig was beëindigd. De vorderingen tot opschorting en verlenging van de ontruimingstermijn werden afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen tot opschorting van de ontruiming worden afgewezen en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.