Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:1747

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
12096857 \ CV EXPL 26-567
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over ontruiming woning na beëindiging huurovereenkomst

De zaak betreft een executiegeschil over de ontruiming van een woning na beëindiging van de huurovereenkomst door de bewindvoerder van de moeder van eiser. De moeder was huurder van de woning en was opgenomen in een GGZ-instelling, waarna de huur werd opgezegd en de huurovereenkomst per 8 november 2025 eindigde.

Eiser, de zoon van de moeder, verbleef sinds juli 2024 in de woning zonder zelf partij te zijn bij de huurovereenkomst. Na het einde van de huur bleef hij in de woning zonder recht of titel en weigerde medewerking aan ontruiming. Hij vorderde in kort geding opschorting van de uitvoerbaarheid van het vonnis dat ontruiming gelastte, met als argument dat hij als medehuurder moest worden beschouwd vanwege een gemeenschappelijke huishouding.

De kantonrechter oordeelde dat in een executiegeschil geen plaats is voor inhoudelijke herbeoordeling van de huurovereenkomst en dat geen sprake is van een kennelijke misslag. De belangenafweging viel uit in het voordeel van de verhuurder, omdat eiser niet voldeed aan de vereisten voor medehuurderschap en de huurovereenkomst rechtsgeldig was beëindigd. De vorderingen tot opschorting en verlenging van de ontruimingstermijn werden afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen tot opschorting van de ontruiming worden afgewezen en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12096857 \ CV EXPL 26-567
Vonnis in kort geding van 3 maart 2026
[eisende partij],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. C.A.M.J.M. Joosten,
tegen
STICHTING WOONWENZ,
te Venlo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Woonwenz,
gemachtigde: mr. W.A. Kempe.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de door Woonwenz ingediende producties 1 tot en met 12,
- de mondelinge behandeling van 17 februari 2026,
- de pleitnota van Woonwenz.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] is de zoon van [de moeder] (hierna: de moeder).
2.2.
Tussen de moeder en Woonwenz heeft een huurovereenkomst bestaan, waarbij Woonwenz als verhuurder aan de moeder als huurster, de woning gelegen aan [adres] te [plaats] verhuurde.
2.3.
[eisende partij] verbleef met ingang van 8 juli 2024 ook in de woning.
2.4.
De moeder verblijft sinds februari 2025 niet meer in de woning. Zij is krachtens een zorgmachtiging opgenomen in een [GGZ-instelling] . Sinds de opname van de moeder zijn de huurtermijnen niet (volledig) voldaan, waardoor een huurachterstand is ontstaan.
2.5.
Bij beschikking van 7 mei 2025 heeft de kantonrechter in de rechtbank Limburg met ingang van 16 mei 2025 een bewind en mentorschap uitgesproken ten aanzien van de moeder. Als bewindvoerder en mentor is [bewindvoerder] B.V. aangesteld (hierna: de bewindvoerder).
2.6.
Bij beschikking van 2 september 2025 heeft de kantonrechter in de rechtbank Limburg een machtiging verleend aan de bewindvoerder om de huur van de woning op te zeggen. De bewindvoerder heeft vervolgens de huur bij brief van 8 oktober 2025 opgezegd. Het einde van de huurovereenkomst is bepaald op 8 november 2025.
2.7.
De moeder heeft via haar advocaat, mr. C.A.M.J.M. Joosten, hoger beroep ingesteld tegen de beschikking onderbewindstelling c.q. mentorschap en tegen de door de kantonrechter verleende machtiging tot opzegging van de huurovereenkomst. De mondelinge behandeling van het hoger beroep bij het gerechtshof is bepaald op 16 maart 2026.
2.8.
Sinds 8 november 2025 verblijft [eisende partij] zonder recht of titel in de woning. Hij weigert medewerking te verlenen aan de ontruiming van de woning.
2.9.
Vervolgens heeft Woonwenz een kort geding procedure aanhangig gemaakt tegen de bewindvoerder, de moeder en [eisende partij] . In die procedure heeft Woonwenz samengevat - ontruiming van de woning gevorderd, alsmede hoofdelijke veroordeling tot betaling van de huurachterstand, een gebruikersvergoeding en de proceskosten. Tevens heeft Woonwenz verzocht het vonnis gemotiveerd uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.10.
De mondelinge behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 6 januari 2026. [eisende partij] is niet in de procedure verschenen en heeft ook geen verweer gevoerd.
2.11.
Bij vonnis van 20 januari 2026 (zaaknummer 11939115 \ CV EXPL 25-4558) heeft de kantonrechter de bewindvoerder, in diens hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van de moeder, veroordeeld tot ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand, de gebruiksvergoeding en de proceskosten. Daarbij is de ontruiming, voor zover nodig, mede uitgesproken ten aanzien van [eisende partij] . Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kantonrechter heeft die beslissing als volgt gemotiveerd:
“Uitvoerbaar bij voorraad
4.12
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Zoals gezegd is de huuropzegging van de bewindvoerder rechtsgeldig en kan de bewindvoerder de huur van de woning niet meer opbrengen. Dat betekent dat er snel een einde moet komen aan het gebruiken van de woning, zodat de schuld aan Woonwenz niet verder oploopt. [de moeder] woont feitelijk ook niet in de woning en zal – naar verwachting – niet op korte termijn kunnen terugkeren.”
2.12.
Woonwenz heeft vervolgens de ontruiming van de woning aangezegd tegen 18 februari 2026.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert dat de kantonrechter, bij wijze van voorlopige voorziening:
I. de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van 20 januari 2026 opschort totdat in hoger beroep, waarvan de behandeling gepland staat op 16 maart 2026, is beslist,
II. Woonwenz en de bewindvoerder verbiedt over te gaan tot ontruiming van de woning aan [adres] , zolang het vonnis niet onherroepelijk is geworden,
III. primair bepaalt dat de woning niet mag worden ontruimd voordat [eisende partij] passende alternatieve huisvesting heeft gevonden, en
subsidiair de termijn tot ontruiming verlengt met een redelijke periode van ten minste drie maanden,
IV. een hoofdelijke veroordeling in de proceskosten uitspreekt.
3.2.
[eisende partij] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eisende partij] stelt dat hij in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 20 januari 2026 niet is verschenen omdat hij in veronderstelling verkeerde dat de zitting op een andere datum zou plaatsvinden. Daardoor heeft hij zijn standpunt, in het bijzonder zijn persoonlijke situatie en belang, niet kunnen toelichten, terwijl het vonnis voor hem verstrekkende gevolgen heeft, te weten ontruiming en dakloosheid. [eisende partij] had ook geen advocaat die hem bijstond. Hij stelt dat hij een gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder voert en dat hij daarom als medehuurder dient te worden gekwalificeerd.
3.3.
Woonwenz voert verweer. Woonwenz concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Woonwenz de ontvankelijkheid van [eisende partij] ter discussie gesteld nu in het vonnis van 20 januari 2026 de ontruiming slechts “voor zover nodig” ten aanzien van [eisende partij] is uitgesproken.
4.2.
De kantonrechter stelt vast dat het vorenstaande niet wegneemt dat in het dictum van dat vonnis de ontruiming mede tegen [eisende partij] is uitgesproken. Dat betekent dat er een veroordeling tot ontruiming tegen hem ligt. Omdat het vonnis ook jegens [eisende partij] kan worden geëxecuteerd, heeft hij recht en belang om daartegen op te kunnen komen door schorsing van de executie te vragen. Dat maakt dat [eisende partij] ontvankelijk is in zijn vordering.
Ten aanzien van de opmerkingen over de nietigheid van de dagvaarding
4.3.
Woonwenz heeft tijdens de mondelinge behandeling de in de dagvaarding voorkomende vormfouten besproken, maar verbindt daaraan geen consequenties. Nu niet is gebleken dat Woonwenz daardoor in haar belangen is geschaad, passeert de kantonrechter die opmerkingen. Daarbij is van belang dat Woonwenz (gedaagde partij) bij verschijning in een kort geding procedure bij de kantonrechter geen griffierecht verschuldigd is. Dit volgt uit het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken.
Spoedeisend belang
4.4.
Het spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening staat tussen partijen niet ter discussie en volgt uit de aangezegde ontruiming van de woning.
Inhoudelijke beoordeling
4.5.
[eisende partij] komt op tegen de tenuitvoerlegging van het vonnis van 20 januari 2026, meer in het bijzonder tegen de veroordeling om de woning te ontruimen. Het gaat in deze zaak om een executiegeschil. [1] Omdat het gaat om de tenuitvoerlegging van het vonnis waartegen door [eisende partij] hoger beroep kan worden ingesteld, moet de toetsingsmaatstaf van het Zeester-arrest [2] worden gehanteerd.
4.6.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
4.7.
Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de kantonrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
4.8.
Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad niet is gemotiveerd, dan dient de kantonrechter, wederom uitgaande van de beslissing in de bestreden uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, in het executiegeschil alsnog een belangenafweging te maken.
4.9.
De kantonrechter zal eerst beoordelen of sprake is van een misslag en vervolgens of er aanleiding is voor een (nadere) belangenafweging.
Kennelijke misslag?
4.10.
[eisende partij] stelt dat hij met zijn moeder een gemeenschappelijk huishouding voert en dat hij daarom als medehuurder moet worden aangemerkt. Volgens [eisende partij] is in het vonnis van 20 januari 2026 ten onrechte hieraan voorbijgegaan.
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat het betoog van [eisende partij] strekt tot een inhoudelijke herbeoordeling waarvoor in een executiegeschil geen plaats is. Van een kennelijke misslag is geen sprake.
Uitvoerbaarheid bij voorraad gemotiveerd?
4.12.
Volgens Woonwenz is de beslissing om de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren wel degelijk in het vonnis van 20 januari 2026 gemotiveerd (r.o. 4.12.).
4.13.
De kantonrechter volgt Woonwenz daarin niet. De motivering ziet namelijk voornamelijk op de positie van de moeder en/of de bewindvoerder als huurder waarbij is overwogen dat de huuropzegging van de bewindvoerder rechtsgeldig is, de bewindvoerder de huur niet langer kan opbrengen, dat moet worden voorkomen dat de huurachterstand verder oploopt en dat niet te verwachten valt dat de moeder in de woning terug zal keren. Ten aanzien van [eisende partij] bevat het vonnis geen afzonderlijke en kenbare motivering van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Dit leidt tot de conclusie dat alsnog een belangenafweging dient te worden gemaakt maar uitsluitend betreffende de belangen van [eisende partij] tegenover die van Woonwenz. De belangen van de moeder en/of de bewindvoerder zijn immers al gewogen.
Belangenafweging
4.14.
[eisende partij] verbleef in de woning zonder dat hij partij was bij de huurovereenkomst. Vaststaat dat de huurovereenkomst door de bewindvoerder van de moeder rechtsgeldig is opgezegd. Daarmee is de huurovereenkomst per 8 november 2025 geëindigd. Sinds die datum wordt de woning zonder recht of titel gebruikt door [eisende partij] . [eisende partij] stelt dat hij met zijn moeder een gemeenschappelijke huishouding voert en dus als medehuurder moet worden beschouwd. Hij voldoet echter niet aan de vereisten om als medehuurder te worden gekwalificeerd. Aan die vereisten voldeed hij ook niet op het moment dat de huurovereenkomst werd opgezegd. Als gevolg van de opzegging en beëindiging van de huur kan hij daaraan ook in de toekomst niet meer voldoen. Tenslotte is er ook geen sprake van een verzoek zijnerzijds tot toekenning van de status van medehuurder. Er bestaat dan ook geen perspectief op verder verblijf van [eisende partij] in de woning. Dat betekent dat de belangenafweging in zijn nadeel uitvalt. Het belang van Woonwenz om over de woning te beschikken en deze opnieuw te verhuren weegt zwaarder.
4.15.
De door [eisende partij] gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 20 januari 2026 zal worden afgewezen. Daarmee is er geen ruimte voor de kantonrechter om de ontruimingstermijn te verlengen.
Proceskosten
4.16.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonwenz worden begroot op:
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
721,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 438 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering
2.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026