ECLI:NL:RBLIM:2026:1756

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/03/344964 / HA ZA 25-379
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:84 BWArt. 5:18 BWArt. 3:115 BWArt. 3:33 BWArt. 3:35 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over eigendom en terugvordering van Mercedes na overdracht tot zekerheid

De zaak betreft een geschil over de eigendom van een Mercedes Benz die op 16 maart 2024 door eisende partij op naam van gedaagde partij is overgeschreven. Eisende partij stelt dat de overdracht slechts tot zekerheid diende en dat de eigendom niet is overgegaan vanwege het fiduciaverbod ex artikel 3:84 lid 3 BW Pro. Gedaagde partij betwist dit en voert aan dat sprake is van een geldige eigendomsoverdracht of subsidiair dat eisende partij de eigendom heeft prijsgegeven op grond van artikel 5:18 BW Pro.

De rechtbank oordeelt dat de overdracht niet rechtsgeldig was omdat de auto slechts tot zekerheid is overgedragen om een mogelijke toekomstige schuld van naam 1 te dekken. Dit volgt uit de omstandigheden, waaronder de financiële problemen van eisende partij en de communicatie tussen partijen. De rechtbank wijst het beroep van gedaagde partij op artikel 5:18 BW Pro deels toe: mogelijk heeft eisende partij op 5 augustus 2024 afstand gedaan van zijn eigendom, maar dit moet nog worden bewezen.

Daarom wordt gedaagde partij opgedragen bewijs te leveren van afstand van eigendom op of omstreeks 5 augustus 2024, onder meer door het horen van getuigen. Tot die tijd worden alle verdere beslissingen, waaronder over schadevergoeding, aangehouden. De zaak wordt op 4 maart 2026 voortgezet met een getuigenverhoor in Roermond.

Uitkomst: Eigendomsoverdracht Mercedes niet rechtsgeldig; bewijsopdracht over afstand eigendom op 5 augustus 2024; verdere beslissing aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/344964 / HA ZA 25-379
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij],
advocaat: mr. R.P.F. Rober,
tegen
[gedaagde partij],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
advocaat: mr. B.C. van Hees.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties A tot en met G
- de conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijke eis in reconventie met producties 1 tot en met 8
- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, tevens vermeerdering van eis met productie H
- de akte overlegging productie H1 van [eisende partij]
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 8 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van [gedaagde partij]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] en [naam 1] hebben een affectieve relatie gehad die inmiddels duurzaam is ontwricht. Zij hebben hun relatie februari/maart 2024 verbroken. [gedaagde partij] is de vader van [naam 1].
2.2.
[eisende partij] had begin 2024 financiële problemen. Hij was aandeelhouder en bestuurder van een holdingvennootschap waaronder twee dochtervennootschappen vielen: [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV. [bedrijf 2] BV is op 31 januari 2024 failliet verklaard en [bedrijf 1] BV eind juli 2024. De curator heeft een procedure tegen [eisende partij] opgestart gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid. Op 24 juli 2024 hebben [eisende partij] en de curator een schikking getroffen die werd vastgelegd in een (door de rechter-commissaris goedgekeurde) vaststellingsovereenkomst [1] . Ter uitvoering van die overeenkomst heeft [eisende partij] – voor zover relevant - € 45.000,00 aan de curator betaald, waarna de curator hem finale kwijting heeft verleend en de rechtbank heeft verzocht de procedure door te halen op de rol.
2.3.
Op 10 januari 2024 hebben [eisende partij] en [naam 1], die toen nog samen waren, een woning gekocht. Er was voor de aankoop van deze woning met succes een hypotheek aangevraagd met een overbruggingskrediet. De aanvraag was geaccepteerd op de verkoopopbrengst van de woning van [eisende partij]. Echter, op 6 februari 2024 is conservatoir beslag gelegd op de woning van [eisende partij] door de curator waardoor de woning van [eisende partij] niet kon worden geleverd aan zijn kopers. Als gevolg daarvan ging de hypotheek met overbruggingskrediet voor de aankoop van de nieuwe woning niet door. Indien [eisende partij] en [naam 1] niet snel een nieuwe financiering zouden vinden, zouden zij de woning niet kunnen afnemen, waardoor zij aan de verkopers een contractuele boete van € 49.500,00 verschuldigd zouden worden. Om de financiering voor de nieuwe woning rond te krijgen (en dus de contractuele boete te voorkomen), is vervolgens een nieuwe hypotheek aangevraagd zonder overbruggingskrediet. Deze aanvraag is op 22 maart 2024 goedgekeurd. Op 25 maart 2024 is vervolgens de nieuwe woning aan [eisende partij] en [naam 1] geleverd [2] , waardoor definitief duidelijk was dat [eisende partij] en [naam 1] geen contractuele boete verschuldigd waren aan de verkopers van hun woning.
2.4.
In de periode dat onzeker was of de nieuwe hypotheek rond zou komen, is de auto van [eisende partij], een Mercedes Benz, type A220 met [kenteken] (hierna Mercedes), op 16 maart 2024 overgeschreven op naam van [gedaagde partij], de vader van [naam 1]. De vorderingen van partijen hebben betrekking op deze Mercedes.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[eisende partij] vordert samengevat en na vermeerdering van eis:
te bepalen dat [eisende partij] rechthebbende en eigenaar is van de Mercedes
te bepalen dat [gedaagde partij] gehouden is de Mercedes in goede staat terug te geven, op straffe van een dwangsom
te bepalen dat [gedaagde partij] schadeplichtig is en dat de schade bestaat uit de waarde van de Mercedes van € 30.000,-
veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met rente,
de proceskosten vermeerderd met rente.
3.2.
[eisende partij] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Mercedes tot zekerheid op 16 maart 2024 op naam van [gedaagde partij] is overgeschreven om te voorkomen dat [naam 1] in de schulden zou raken in het geval de contractuele boete verschuldigd zou worden. [gedaagde partij] en [naam 1] zouden een onderpand hebben geëist om financiële en materiële zekerheid te verschaffen. Dit blijkt uit Whatsappberichten die zijn gewisseld tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] [3] en tussen [eisende partij] en [naam 1] [4] . Uiteindelijk is de contractuele boete niet verschuldigd geworden omdat de nieuwe woning tijdig kon worden betaald op 25 maart 2024. De voorwaarde voor overdracht van de Mercedes is daarom niet vervuld. [eisende partij] doet een beroep op artikel 3:84 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek, hierna BW, en stelt dat er geen sprake was van eigendomsoverdracht omdat een geldige titel ontbreekt. Hij is eigenaar van de auto gebleven.
3.3.
[gedaagde partij] weigert de Mercedes terug te geven. Over de eigendom van de Mercedes voert [gedaagde partij] het volgende verweer.
3.3.1.
Primair betwist [gedaagde partij] dat sprake is van een overdracht ter zekerheid in de zin van artikel 3:84 lid 3 BW Pro waardoor de eigendom niet zou zijn overgegaan, aangezien hij geen vordering had op [eisende partij]. [gedaagde partij] stelt dat sprake is van een geldige eigendomsoverdracht. [eisende partij] was beschikkingsbevoegd. De titel voor de overdracht volgt uit het Whatsapp-bericht van [eisende partij] van 19 maart 2024 [5] , waaruit volgt dat hij de auto niet meer terugwenst. Dit is ook op 16 maart 2024 in aanwezigheid van getuigen door [eisende partij] verklaard. De leveringshandeling betreft de overschrijving bij de RDW op 16 maart 2024, waarna het bezit van de Mercedes conform artikel 3:115 aanhef Pro en sub a BW aan [gedaagde partij] is verschaft.
3.3.2.
Subsidiair stelt [gedaagde partij] zich op het standpunt dat [eisende partij] herhaaldelijk en ondubbelzinnig zijn eigendomsrecht heeft prijsgegeven zoals bedoeld in artikel 5:18 BW Pro en de auto aan [naam 1] heeft gegeven. Niet alleen heeft [eisende partij] op 16 en 19 maart 2024 aangegeven de auto niet meer terug te willen, maar dat blijkt ook uit het whatsappbericht van 19 juli 2024 van [eisende partij] aan [naam 1] [6] . In een telefoongesprek op 5 augustus 2024 tussen [eisende partij] en [naam 1] tijdens een familiedag heeft [eisende partij] opnieuw aangegeven dat de Mercedes zijn eigendom niet meer was en dat hij ook niet meer verantwoordelijk was voor reparatiekosten, waarover [naam 1] hem had gebeld. Getuigen kunnen dit bevestigen omdat de telefoon op de speaker stond [7] . Gelet op het voorgaande is volgens [gedaagde partij] aan de voorwaarden van artikel 5:18 juncto Pro 3:33 BW voldaan.
3.3.3.
Meer subsidiair voert [gedaagde partij] aan dat hij niet kan voldoen aan de vordering tot teruggave van de auto omdat hij de auto niet onder zich heeft. De eigenaar kan volgens artikel 5:2 BW Pro alleen afgifte van een zaak vorderen van een bezitter of houder die de zaak ten onrechte onder zich houdt.
3.3.4.
Aanvankelijk voerde [gedaagde partij] ook nog het verweer dat sprake is van een voorwaardelijke overdracht, maar dat verweer heeft [gedaagde partij] ter zitting niet langer gehandhaafd, zodat de rechtbank daar verder ook niet meer op ingaat.
Verder betwist [gedaagde partij] dat hij jegens [eisende partij] schadeplichtig is. Hij voert aan dat de schade onvoldoende is onderbouwd.
In voorwaardelijke reconventie
3.4.
[gedaagde partij] vordert - in het geval de rechtbank de vorderingen van [eisende partij] in conventie toewijst - samengevat veroordeling van [eisende partij] tot betaling van € 8.115,14 te vermeerderen met maandelijkse verzekeringspremies, de wegenbelasting per kwartaal en de ANWB-premies voor de Mercedes tot aan de datum van dit vonnis, een en ander te vermeerderen met de proceskosten, waaronder de nakosten vermeerderd met rente.
3.5.
[gedaagde partij] legt aan zijn vordering te grondslag dat hij recht heeft op terugbetaling van de kosten die hij voor de Mercedes heeft gemaakt in het geval de vorderingen van [eisende partij] in conventie worden toegewezen. [eisende partij] is hierdoor namelijk ongerechtvaardigd verrijkt. De kosten die [gedaagde partij] heeft gemaakt zijn de volgende:
- € 2.356, € 2.356, zijnde de optelsom van de maandelijkse premie van € 124,00 voor de autoverzekering gedurende de periode 16 maart 2024 tot aan 15 oktober 2025, te vermeerderen met de toekomstige premies tot en met de datum van het vonnis. Ter onderbouwing legt [gedaagde partij] de verzekeringspolis en een betalingsbewijs over [8] .
- € 975,00, € 975,00, zijnde de optelsom van de wegenbelasting per kwartaal van € 195,- vanaf 16 maart 2024 tot en met 15 oktober 2025, te vermeerderen met de toekomstige wegenbelasting tot aan de datum van het vonnis. Ter onderbouwing heeft [gedaagde partij] betaalinformatie van de belastingdienst overgelegd en betalingsbewijzen [9] .
- € 424,62 € 424,62 aan APK-keuringskosten inclusief de vervanging van accu’s. Ter onderbouwing van deze kosten legt [gedaagde partij] over de factuur van de garage [10] .
- € 230,04 € 230,04 aan maandelijkse abonnement voor ANWB lidmaatschap van € 13,78 gedurende de periode juli 2024 tot en met 15 oktober 2025, te vermeerderen met toekomstige premies tot en met datum van het vonnis. Ter onderbouwing van deze kosten legt [gedaagde partij] een betalingsbewijs over [11] .
- € 4.129,85 € 4.129,85 aan reparatie en servicekosten. Ter onderbouwing van deze kosten legt [gedaagde partij] over de factuur van de garage [12] .
3.6.
[eisende partij] voert het verweer dat de gebruiker/houder van de auto de wegenbelasting, de verzekeringen en het reguliere onderhoud voor de gereden kilometers moet betalen. [gedaagde partij] is de houder van de auto en die dient goed voor de eigendom te zorgen. Het waardeverlies van de auto door de gereden kilometers weegt zeker op tegen de reparatiekosten voorzover die niet vallen onder regulier onderhoud en sprake is van waardevermeerdering van de Mercedes, aldus [eisende partij].

4.De beoordeling

4.1.
Kern van het geschil is wie de eigenaar is van de Mercedes. [eisende partij] stelt dat hij altijd eigenaar is gebleven. [gedaagde partij] heeft in deze procedure primair het standpunt verdedigd dat [eisende partij] op 16 maart 2024 de eigendom heeft overgedragen aan [gedaagde partij] danwel subsidiair de eigendom van de Mercedes heeft prijs gegeven en de Mercedes aan [naam 1] heeft gegeven [13] . In dat geval stelt [gedaagde partij] dat [eisende partij] de verkeerde partij heeft gedagvaard.
Geen rechtsgeldige eigendomsoverdracht op 16 maart 2024
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de eigendom van de Mercedes op 16 maart 2024 niet rechtsgeldig is overgedragen aan [gedaagde partij]. In artikel 3:84 lid 1 BW Pro is bepaald dat voor overdracht van een goed is vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over dat goed te beschikken. In lid 3 van dat artikel staat een rechtshandeling die tot doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid of de strekking mist het goed na de overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen geen geldige titel van overdracht van dat goed is [14] (het zogenaamde fiduciaverbod). De vraag of de overdracht al dan niet tot werkelijke overdracht strekt, moet worden beantwoord aan het Haviltexcriterium [15] : het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank had [eisende partij] de bedoeling zijn auto over te dragen tot zekerheid voor verhaal voor een mogelijke toekomstige schuld aan [naam 1]. [eisende partij] wilde de [naam 1] beschermen tegen verhaal door schuldeisers. Daarom is geen sprake van een geldige titel, zodat de eigendom ook niet kan zijn overgegaan. Dat zal de rechtbank hierna uitleggen, waarbij de volgende feiten en omstandigheden van belang zijn.
4.3.1.
Nadat de vennootschap van [eisende partij] op 31 januari 2024 failliet was verklaard heeft de curator op 6 februari 2024 conservatoir beslag gelegd op zijn woning en is een procedure gestart tegen [eisende partij] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Het beslag had tot gevolg dat [eisende partij] en [naam 1] de door hen op 10 februari 2024 gekochte woning niet konden afnemen, omdat hun financierder zich vanwege het beslag terug had getrokken. Indien [eisende partij] en [naam 1] niet snel een nieuwe financierder konden vinden, zouden zij een contractuele boete van € 49.500,00 moeten betalen aan de verkoper. [eisende partij] voelde zich hiervoor jegens [naam 1] en [gedaagde partij] verantwoordelijk. Tegen deze achtergrond stuurde [eisende partij] op 15 maart 2024 [gedaagde partij] een whatsapp bericht met de volgende tekst:
“Allereerst wil ik mijn excuses aanbieden voor de situatie waarin [naam 1] en ik terecht zijn gekomen. (…) Ik voel me enorm schuldig over de mogelijke financiële gevolgen die dit voor [naam 1], die er echt helemaal niks aan kan doen, met zich mee gaan brengen als daadwerkelijk alles mis gaat.
Uit goede wil wil ik voorslaan om mijn auto die 27K waard is en volledig betaald op jou naam over te schrijven, zodat mocht alles mis gaan [naam 1] tenminste 27K van de auto plus 3K wat ik haar zo heb geleend alvast heeft om niet met het volledige bedrag te blijven zitten.
Het enige wat ik hierbij vraag is dat ik de auto als mijn eigen mag beschouwen totdat definitief en onherroepelijk vaststaat dat [naam 1] daadwerkelijk door mijn toedoen zo diep in de schulden geraakt.
Wat mij betreft kunnen we de auto vandaag al overschrijven op jou naam zodat jullie als gezin en vooral [naam 1] al iets aan zekerheid hebben.”
4.3.2.
Op zitting heeft [eisende partij] (onweersproken) uitgelegd dat hij zich tot [gedaagde partij] richtte (in plaats van [naam 1]), omdat de relatie tussen hem en [naam 1] “heen en weer” ging en [gedaagde partij] altijd nuchter, betrouwbaar en vaak de neutrale partij was als het ging over de relatie tussen diens dochter [naam 1] en [eisende partij]. [gedaagde partij] sprak [naam 1] ook wel eens aan op haar gedrag jegens [eisende partij], zodat de rechtbank er vanuit gaat dat [eisende partij] voormeld aanbod aan [naam 1] deed, via [gedaagde partij] als vertegenwoordiger van [naam 1]. Een en ander volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit het antwoord van [gedaagde partij], dat als volgt luidde:
“Goedemorgen [eisende partij], heb je dit ook met [naam 1] besproken? Dit is een goed voorstel, maar ik wil alleen dingen mogelijk maken waar jullie allebei achterstaan.”
4.3.3.
Op 16 maart 2024 werd de Mercedes overgeschreven op naam van [gedaagde partij] en heeft [gedaagde partij] feitelijk de Mercedes meegenomen en vervolgens bij [naam 1] in gebruik gegeven. Hieruit leidt de rechtbank af dat het aanbod dat [eisende partij] op 15 maart 2024 deed door [gedaagde partij] en [naam 1] is aanvaard. [eisende partij] stelt dat hij met het aanbod op 15 maart 2024 de bedoeling had om de eigendom van de auto tot zekerheid over te dragen. Met andere woorden hij had de bedoeling om voor een mogelijke toekomstige schuld te beschermen. Als [naam 1] de contractuele boete moest betalen, dan zou zij de auto te gelde kunnen maken, teneinde zich op de opbrengst te kunnen verhalen. Dat volgt uit zijn bewoordingen “
Het enige wat ik hierbij vraag is dat ik de auto als mijn eigen mag beschouwen totdat definitief en onherroepelijk vaststaat dat [naam 1] daadwerkelijk door mijn toedoen zo diep in de schulden geraakt”.
4.3.4.
[gedaagde partij] heeft voormelde feiten en omstandigheden onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat voormelde bedoeling van [eisende partij] vast staat. Dat [gedaagde partij] zelf juridisch geen vordering op [eisende partij] had maakt voormeld oordeel niet anders, omdat tussen partijen vast staat dat [naam 1] de feitelijke verkrijger is wiens belangen worden beschermd en het gaat om de rechtshandeling van [eisende partij], welke rechtshandeling geen geldige titel van overdracht is van dat goed. Dit betekent dat [eisende partij] na de wijziging van de tenaamstelling van de Mercedes op 16 maart 2024 eigenaar is gebleven van de Mercedes.
Slaagt het beroep van [gedaagde partij] op artikel 5:18 BW Pro?
4.4.
[gedaagde partij] stelt (subsidiair) dat [eisende partij] op meerdere momenten als eigenaar het bezit van de Mercedes heeft prijsgegeven met het oogmerk zich van de eigendom te ontdoen.
4.5.
Krachtens artikel 5:18 BW Pro wordt de eigendom van een roerende zaak verloren als de eigenaar het bezit ervan prijsgeeft met het oogmerk zich van de eigendom te ontdoen. Het afstand doen van het eigendomsrecht kan worden afgeleid uit een verklaring van de eigenaar waarin deze zijn wil om de eigendom prijs te geven heeft geopenbaard (artikel 3:33 BW Pro) wat vormvrij kan geschieden (artikel 3:37 BW Pro). Het prijsgeven van het bezit van de zaak met het oogmerk zich van de eigendom te ontdoen is een rechtshandeling, waarop ook de artikelen 3:33 en 3:35 BW van toepassing zijn. Beoordeeld moet worden of [gedaagde partij] er in de omstandigheden van het geval op heeft mogen vertrouwen dat [eisende partij] afstand wilde doen van de Mercedes (artikel 3:35 BW Pro). In de parlementaire geschiedenis is in dit verband opgemerkt:
"hij mag aan de handeling van hem die het bezit heeft prijsgegeven de uitlegging geven, die een redelijk oordelend mens onder de gegeven omstandigheden aan de handeling mocht geven." [16] Daar voegt de rechtbank aan toe dat het gaat om een eenzijdige rechtshandeling van [eisende partij], waarbij terughoudendheid is gepast bij het aannemen dat hij het oogmerk had afstand te doen van eigendomsrecht, omdat het om niet gebeurt. Mensen beogen immers niet snel te handelen op een manier die ongunstig uitpakt voor hun vermogen.
4.6.
De rechtbank zal hierna ingaan op de door [gedaagde partij] genoemde momenten, waarvan hij zegt dat hij toen er vanuit mocht gaan dat [eisende partij] zijn bezit prijsgaf met het oogmerk zich van eigendom te ontdoen. Of dat het geval is, is ook afhankelijk van de feiten en omstandigheden die zich voor en na die momenten hebben voorgedaan. Daarom gaat de rechtbank hierna chronologisch in op alle momenten en relevante feiten en omstandigheden daar omheen. De rechtbank komt dan tot het oordeel dat mogelijk op 5 augustus 2024 zich zo’n moment voordeed dat [eisende partij] zijn eigendom heeft verloren, maar om dat vast te kunnen stellen zal de rechtbank een bewijsopdracht geven, zoals hierna nader toegelicht.
Moment 16 maart 2025
4.7.
Op zitting heeft [gedaagde partij] gesteld dat [eisende partij] op 16 maart 2024 tegen [gedaagde partij] zou hebben gezegd dat hij de Mercedes niet meer terug hoefde. Echter, als al wordt aangenomen dat [eisende partij] iets in de trant van die bewoordingen zou hebben gezegd (hetgeen door [eisende partij] is betwist) dan moet die uiting worden uitgelegd in de context van (de feiten en omstandigheden voorafgaande aan en) het whatsappbericht van 15 maart 2024. De bedoeling van [eisende partij] was dat hij eigenaar bleef tot onherroepelijk vast zou komen te staan dat [naam 1] daadwerkelijk in de schulden zou raken door toedoen van [eisende partij]. [gedaagde partij] kon dus in redelijkheid niet aannemen op 16 maart 2024 dat [eisende partij] zijn bezit prijsgaf met het oogmerk zich van de eigendom van de Mercedes te ontdoen.
Moment op 19 maart 2024
4.8.
Na overschrijving van de auto op naam van [gedaagde partij] op 16 maart 2024 zijn [eisende partij] en [naam 1] met spoed gaan zoeken naar mogelijkheden om de door hun op 10 februari 2024 gekochte woning alsnog te kunnen financieren, zodat de levering kon doorgaan en zij geen contractuele boete hoefden te betalen. Tegen deze achtergrond hebben [naam 1] en [eisende partij] op 19 maart 2024 elkaar de volgende Whatsappberichten gestuurd:
[naam 1]:
“Ik meen oprecht dat je beter de bitcoin kan wegdoen en desnoods een fiets of schilderij. De auto moet het laatste redmiddel zijn, dat is het meeste geld (…)”
[eisende partij]: “
Doe die auto maar weg en koop een kleine en los af.”
[naam 1]:
“Waarom blijf je eigenwijs? (..)”
[eisende partij]: “
Die auto is voor mij ook een stukje materialisme waar ik me altijd achter verstopt heb, ik hoef hem niet meer terug.”
4.9.
Hoewel [eisende partij] weliswaar aangeeft dat de auto verkocht mag worden voor aflossing is de rechtbank – gelet op de achtergrond dat [eisende partij] zich tegenover [naam 1] en [gedaagde partij] schuldig voelde over de hele situatie en dat zij snel een nieuwe financiering moesten regelen – van oordeel dat uit die uiting in redelijkheid niet mag worden afgeleid dat [eisende partij] ondubbelzinnige afstand deed van de eigendom van zijn auto.
4.10.
Uit het gedrag en uitlatingen van [naam 1] in de weken daarna blijkt dat zij er op dat moment ook niet vanuit ging dat [eisende partij] met zijn uitlatingen op 19 maart 2024 ondubbelzinnig afstand had gedaan van de eigendom, aangezien zij meerdere keren de Mercedes aanmerkt als “onderpand”. Dat [gedaagde partij] daar anders over dacht is niet gesteld of gebleken. Daartoe zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang:
  • Op 22 maart 2024 ontvingen [eisende partij] en [naam 1] een definitieve goedkeuring voor financiering van de door hen gekochte woning. Vervolgens is op 25 maart 2024 de woning alsnog geleverd. Op dat moment was voor alle betrokkenen duidelijk dat er geen contractuele boete was verschuldigd.
  • Op 28 maart 2024 stuurt [eisende partij] het volgende whatsappbericht aan [naam 1]:
“Ik wil de zaak niet laten escaleren, ik wil alleen dat jij je nu net zo aan de afspraak houdt dan ik gedaan heb door die auto over te schrijven.”
- [naam 1] antwoordt:
“Ik schrijf de auto nu niet over want ik heb niks meer en er is nog altijd geen garantie dat jij een half jaar de hypotheek kan blijven betalen. Het onderpand is dus nog niet vervallen.”
Uit deze app blijkt dat [naam 1] de auto als onderpand ziet voor financiële moeilijkheden waarin ze kan raken door toedoen van [eisende partij].
4.11.
Nadat voor alle betrokkene duidelijk was dat geen contractuele boete meer verschuldigd zou worden heeft [eisende partij] de in “onderpand gegeven” Mercedes meerdere keren terug gevorderd. Dat volgt uit:
- Het Whatsappbericht van 28 maart 2024 van [eisende partij] aan [naam 1]:
“Ik wil die auto zsm terug.”
[naam 1] antwoordt:
“Het zal me een rotzorg zijn wat jij wil.”
[eisende partij] reageert:
“Bij deze deel ik je officieel mede dat de auto enkel als onderpand aan je vader is overgeschreven. De reden van het onderpand is komen te vervallen dus eis ik hem terug en wil ik dat er verder niet meer mee wordt gereden.(..)”
[naam 1] reageert:
“Flikker op”
Het whatsappbericht van 2 april 2024 van [eisende partij] aan [naam 1]::
“(..) Ik wil alleen mijn auto en mijn geld terug. (…)”
  • Het whatsappbericht van 7 april 2024 van [eisende partij] aan [naam 1]:
  • Het whatsappbericht van 15 april 2024 van [eisende partij] aan [naam 1]:
[naam 1] antwoordt:
“En je kunt dezelfde vragen blijven stellen zoveel je wilt. Maar je weet de antwoorden.”
[eisende partij] reageert:
“Je bent nog steeds met de auto aan het rijden. Ik verbied het je nogmaals om ermee te rijden en hem in onbeschadigde toestand terug te geven. Ik vorder hem voor een laatste keer via deze weg terug.”
[naam 1] antwoordt:
“Ik wens je veel succes met vorderen [eisende partij].”
- Het whatsappbericht van 10 mei 2024 van [eisende partij] aan [naam 1]:
“Je hebt nog steeds ten onrechte mijn auto en 3K in je bezit. Ik ga hier ook stappen tegen ondernemen. Ik wil mijn auto zsm terug hebben.”
Moment op 19 juli 2024
4.12.
Nadat [eisende partij] de auto een aantal keren had teruggevorderd bleek dat er reparatiekosten gemaakt moesten worden voor de Mercedes. [naam 1] nam daarover contact op met [eisende partij]. [eisende partij] stuurde daarover op 19 juli 2024 een whatsappbericht aan [naam 1]:
“Jij hebt de auto sinds maanden en rijdt ermee. Je hebt die auto zonder mankementen gekregen. Je zorgt maar dat het gerepareerd wordt.”
4.13.
[eisende partij] zegt niets over de eigendom van de auto, zodat uit dit bericht ook in redelijkheid niet kan worden afgeleid dat hij toen het oogmerk had om zich van de eigendom te ontdoen.
De feiten en omstandigheden omstreeks 5 augustus 2024
4.14.
[gedaagde partij] verklaart, met een verwijzing naar diverse getuigenverklaringen, dat [eisende partij] en [naam 1] op 5 augustus 2024 telefonisch contact hebben gehad over de reparatiekosten. [eisende partij] heeft weliswaar tijdens de zitting gezegd dat hij zich geen telefoongesprek op 5 augustus 2024 kan herinneren, maar voegde daar aan toe dat dit niet wil zeggen dat het gesprek niet heeft plaatsgevonden. De rechtbank neemt daarom als onvoldoende gemotiveerd weersproken als vaststaand aan dat er op 5 augustus 2024 een telefoongesprek tussen [naam 1] en [eisende partij] heeft plaatsgevonden.
4.15.
[naam 1] was op dat moment aanwezig op een familiedag. Een aantal familieleden van [naam 1] heeft via de speaker het telefoongesprek mee kunnen luisteren. Voor wat betreft de inhoud van het telefoongesprek verwijst [gedaagde partij] naar hun schriftelijke getuigenverklaringen, die, voor zover relevant, als volgt luiden.
  • [naam 2] (zus van [naam 1]):
  • [naam 3]:
  • [naam 4]:
  • [naam 5]: “
4.16.
[gedaagde partij] stelt dat hij (en [naam 1]) op basis van de uitlatingen van [eisende partij] tijdens dit telefoongesprek mocht(en) aannemen dat [eisende partij] dan in ieder geval op 5 augustus 2024 ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn eigendomsrecht. In het licht van het tijdsverloop (sinds mei 2024 had [eisende partij] geen actie meer ondernomen), het feit dat er kosten gemaakt moesten worden en de inhoud van de getuigenverklaringen is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde partij] voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij nu wel mocht aannemen dat [eisende partij] afstand deed van het bezit van zijn auto met het oogmerk om zich van de eigendom te ontdoen. Echter, [eisende partij] heeft deze stelling naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd betwist. Immers, [eisende partij] verdedigt het standpunt dat als hij al iets zou hebben gezegd het een soortgelijke uiting moet zijn geweest als die hij op 19 juli 2024 had gedaan. [eisende partij] wijst bovendien op het feit dat hij meerdere keren eerder had gevraagd om de auto terug te geven. Daar komt bij dat iemand die meent eigenaar te zijn een ander niet zal vragen reparatiekosten te betalen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat [eisende partij] voldoende verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij enkele maanden geen daadwerkelijk actie had ondernomen voor wat betreft zijn auto (de curator zat achter hem aan, hij was zijn baan kwijtgeraakt, een vriendin was vermoord, hij was zijn huis kwijt en hij verbleef enkele dagen per week in [locatie]).
4.17.
Bij deze stand van zaken ([gedaagde partij] heeft voldoende onderbouwd gesteld en [eisende partij] heeft voldoende onderbouwd betwist) is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde partij] moet bewijzen dat [eisende partij] op 5 augustus 2024 afstand heeft gedaan van het eigendomsrecht van de Mercedes. Dat kan [gedaagde partij] doen door de familieleden als getuigen onder ede te laten horen of anderszins.
4.18.
In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing in conventie (waaronder ook de schadevergoedingsvordering) en in voorwaardelijke reconventie aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
draagt [gedaagde partij] op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [eisende partij] op of omstreeks 5 augustus 2024 afstand heeft gedaan van het eigendomsrecht van de Mercedes,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 4 maart 2026voor uitlating door [gedaagde partij] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.3.
bepaalt dat, als [gedaagde partij] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
5.4.
bepaalt dat, als [gedaagde partij]
getuigenwil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
apriltot en met
junidan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. A.M. Koster-van der Linden, in het gerechtsgebouw te Roermond, Willem II Singel 67,
5.6.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Voetnoten

1.Productie A bij dagvaarding
2.Productie D bij dagvaarding
3.Productie B bij dagvaarding
4.Producties E en F bij dagvaarding
5.Productie 1 bij conclusie van antwoord
6.Productie 2 bij conclusie van antwoord
7.Productie 3 bij conclusie van antwoord zijn schriftelijke verklaringen overgelegd van [naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5]
8.Productie 4 bij conclusie van antwoord
9.Productie 5 bij conclusie van antwoord
10.Productie 6 bij conclusie van antwoord
11.Productie 7 bij conclusie van antwoord
12.Productie 8 bij conclusie van antwoord
13.Alinea 3.11 en 4.1 conclusie van antwoord en 2.6 en 2.7 van de spreekaantekeningen
14.Weliswaar wordt het fiduciaverbod gerelativeerd in artikel 7:55 jo Pro. 7:51 sub b BW, maar dat van de in die artikelen bedoelde overeenkomst sprake is, is niet gesteld of gebleken.
15.HR 18 november 2005, NJ 2006/151 (BTL Lease/Van Summeren)
16.Parlementaire Geschiedenis Boek 5 BW, TM, p. 115.