ECLI:NL:RBLIM:2026:1764

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
11982586 \ CV EXPL 25-5270
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:265 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst woonruimte wegens ernstige huurachterstand

Eiseres verhuurt sinds februari 2019 een zelfstandige woonruimte aan gedaagde, die een huurachterstand heeft opgebouwd van ruim vier maanden. Ondanks aanmaningen en een melding bij de gemeente voor schuldhulpverlening, bleef de achterstand bestaan. Gedaagde erkende de achterstand en gaf aan dat deze was ontstaan door persoonlijke omstandigheden.

De kantonrechter heeft de huurovereenkomst getoetst aan het consumentenrecht en de algemene voorwaarden niet oneerlijk bevonden. De huurachterstand werd als ernstig beoordeeld, mede omdat na dagvaarding slechts een deel van de achterstand werd ingelopen en er nog steeds vier maanden huur openstond.

Op grond hiervan werd de ontbinding van de huurovereenkomst toegewezen, met een termijn van veertien dagen voor ontruiming. Daarnaast werd gedaagde veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, wettelijke rente, een gebruiksvergoeding voor de periode na ontbinding en buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten werden eveneens aan gedaagde opgelegd.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens een huurachterstand van vier maanden, met veroordeling tot ontruiming en betaling van achterstallige huur, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11982586 \ CV EXPL 25-5270
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
COEVER VASTGOED BELEGGINGEN C.V.,
te Roermond,
eisende partij,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde partij],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de aantekening van het mondeling antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de op 26 januari 2026 van eiseres ontvangen specificatie van de huidige huurachterstand.
1.2.
Op 29 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij namens eiseres is verschenen de heer [naam] , verbonden aan Janssen & Janssen Gerechtsdeurwaarders. Gedaagde is niet verschenen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Eiseres verhuurt met ingang van 22 februari 2019 aan gedaagde de zelfstandige woonruimte gelegen aan het [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 738,37 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
Gedaagde heeft (een deel van) de huur niet betaald. Eiseres heeft gedaagde op
14 juli 2025 aangemaand om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
2.3.
Eiseres heeft gedaagde schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. Gedaagde heeft daarop niet gereageerd. Eiseres heeft gedaagde daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.

3.Het geschil

3.1.
Eiseres vordert - samengevat - ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van gedaagde tot ontruiming van het gehuurde en betaling van € 3.859,58 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
Eiseres legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Gedaagde is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. In november en december 2025 zijn er nog betalingen gedaan, maar desondanks is er nog steeds een huurachterstand van 4 maanden. Deze huurachterstand rechtvaardigt volgens eiseres de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
Gedaagde is verschenen tijdens de rolzitting van 3 december 2025. Hij heeft toen de vordering van eiseres erkend en toegelicht waardoor de achterstand is ontstaan.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat gedaagde bij brief van de griffier van 24 december 2025 is opgeroepen om op de mondelinge behandeling van 29 januari 2026 te verschijnen. De brief is gericht aan het woonadres van gedaagde in [plaats] , en de kantonrechter gaat er dan ook van uit dat de brief gedaagde heeft bereikt. De omstandigheid dat gedaagde op 29 januari 2026 niet naar de rechtbank is gekomen, komt daarom voor zijn risico.
4.2.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
4.3.
De voor de vordering relevante bedingen in de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden.
4.4.
Gedaagde heeft erkend dat er een huurachterstand is die tot en met november 2025 berekend is op een bedrag van € 3.596,75. De kantonrechter zal de gevorderde betaling hiervan dan ook toewijzen. Nu gedaagde te laat is met het betalen van de verschillende huurtermijnen zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand ook worden toegewezen.
4.5.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat eiseres heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
4.6.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2]
4.7.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand ruim 4 maanden. Na dagvaarding heeft gedaagde een totaalbedrag van € 2.215,11 betaald, hetgeen overeenkomt met 3 maanden huur. Ondanks deze betaling, bedroeg de huurachterstand ten tijde van de mondelinge behandeling nog steeds 4 maanden. De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. De omstandigheid dat gedaagde heeft aangevoerd dat hij zich inmiddels heeft gewend tot Budget Beheer en een nieuwe baan heeft, kan voor eiseres wellicht reden zijn om alsnog een betalingsregeling met gedaagde af te spreken om een ontruiming te voorkomen. De kantonrechter heeft hiermee echter geen bemoeienis.
4.8.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. Gedaagde zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
4.9.
Eiseres wil ook dat gedaagde wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 738,37, te rekenen vanaf 1 december 2025 tot het moment dat gedaagde het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat gedaagde nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
4.10.
Eiseres maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Door eiseres is een aanmaning verzonden voor een lagere hoofdsom dan nu bij dagvaarding wordt gevorderd. Over die lagere hoofdsom zijn de buitengerechtelijke incassokosten berekend en aangezegd. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 6 BW Pro slechts worden toegewezen tot het in de aanmaning genoemde bedrag, te weten een bedrag van € 134,01.
4.11.
Gedaagde is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eiseres worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.292,64

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres] ,
5.2.
veroordeelt gedaagde om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van eiseres zijn, en de sleutels af te geven aan eiseres,
5.3.
veroordeelt gedaagde om te betalen aan eiseres:
- € 3.742,82 aan achterstallige huur tot en met november 2025, rente en incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.596,75 vanaf 6 november 2025 tot de dag van voldoening,
- € 738,37 per maand vanaf 1 december 2025 tot de dag van daadwerkelijke ontruiming,
5.4.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 1.292,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
bepaalt dat op vorenstaande veroordelingen op de voet van artikel 6:44 BW Pro in mindering strekken de door gedaagde na het moment van dagvaarden gedane betalingen, in ieder geval het in november en december 2025 door gedaagde betaalde bedrag van in totaal € 2.215,11,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)