Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[persoon 1] ,
2.
[persoon 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 8,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Limburg
Partijen zijn buren met direct aan elkaar grenzende percelen. [partij A] startte medio 2023 met een aanbouw waarbij de scheidsmuur werd verwijderd. Na het constateren van vochtproblemen in 2024 en 2025 verzocht [partij A] toestemming om het perceel van [partij B] te betreden voor herstelwerkzaamheden. [partij B] weigerde toestemming tenzij aan voorwaarden werd voldaan, waaronder schadeloosstelling voor eerdere schade en garanties tegen nieuwe schade.
[partij A] vorderde in kort geding het gedogen van het ladderrecht op grond van art. 5:56 BW Pro. De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig was, maar dat [partij B] voldoende aannemelijk had gemaakt dat er een gewichtige reden bestaat om het ladderrecht te weigeren. De vrees voor toegenomen waterdruk en mogelijke funderingsschade, mede gezien de drassige grond, werd niet weerlegd door [partij A].
De vordering tot het uitvoeren van voorbereidende werkzaamheden door [partij B] werd afgewezen wegens gebrek aan belang na afwijzing ladderrecht. De vorderingen van [partij B] tot schadevergoeding wegens verwijdering scheidsmuur en vernieling beplanting werden eveneens afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang en onvoldoende onderbouwing.
De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis werd gewezen door mr. De Bruijn en uitgesproken op 13 februari 2026.
Uitkomst: Vorderingen tot uitoefening ladderrecht en schadevergoeding worden afgewezen wegens gewichtige reden en ontbreken spoedeisend belang.