ECLI:NL:RBLIM:2026:1885

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
ROE 25/3199
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 5.5 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens overtreden vergunningvoorschriften

Verzoekster, eigenaar van een perceel met twee loodsen en een kringloopwinkel, kreeg drie lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van vergunningvoorwaarden verbonden aan een omgevingsvergunning voor een nieuwe loods. Het college stelde dat sortering en overslag van goederen in containers uitsluitend in de bestaande loods mochten plaatsvinden en dat detailhandel op het terrein verboden was.

Verzoekster betwistte de uitleg van de vergunningvoorwaarden en voerde aan dat de overslag deels in de nieuwe loods plaatsvindt en dat de webshop vanuit de bestaande loods wordt uitgevoerd. De voorzieningenrechter oordeelde dat de vergunningvoorwaarden voor meerdere uitleg vatbaar zijn en dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bevoegd is tot handhaving op grond van deze voorwaarden.

Gezien het spoedeisend belang en de redelijke kans van slagen van het bezwaar, schorst de voorzieningenrechter het bestreden besluit met alle drie de lasten onder dwangsom tot op het bezwaar is beslist. Tevens veroordeelt zij het college in de proceskosten en de griffierechtvergoeding.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het bestreden besluit met drie lasten onder dwangsom wordt geschorst tot op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/3199

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 februari 2026 in de zaak tussen

Allbo Holding B.V., uit Einighausen, verzoekster

(gemachtigde: P.H.M. Haenen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen

(gemachtigde: mr. A. van Kan).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een drietal lasten onder dwangsom die aan verzoekster zijn opgelegd. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 16 december 2025 heeft het college aan verzoekster een drietal lasten onder dwangsom opgelegd
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: L. Lafleur en A. Stevens namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.

Overwegingen

Totstandkoming van het besluit
3. Verzoekster is eigenaar van het perceel plaatselijk bekend als de [adres] te 6142 AB Einighausen (hierna: de locatie). Op dat perceel bevinden zich twee loodsen: een bestaande loods en een nieuwe loods waarvoor op 1 augustus 2022 een omgevingsvergunning is verleend. Vanuit en in deze loodsen vinden de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf van verzoekster plaats. Het bedrijf is gericht op het ontruimen van woningen, waarbij goederen uit de woningen worden gehaald, vervolgens naar de locatie worden gebracht en aldaar worden gesorteerd en opgeslagen. Een deel van de locatie was daarnaast in gebruik als (kringloop)winkel, bekend als de Snuffelmarkt Lentjheuvel. In deze winkel werden de goederen verkocht die door verzoekster waren meegenomen van de ontruimingen. Daarnaast werden en worden de voormelde goederen nog altijd via de website van de Snuffelmarkt verkocht. Via de website kunnen er bestellingen worden geplaatst en vervolgens kunnen de goederen op de locatie worden opgehaald op woensdagen tussen 9:00 en 16:00 uur en op vrijdagen tussen 9:00 en 14:00.
4. Op de locatie geldt Beheersverordening Rosengarten (vastgesteld op 26 juni 2013), welke beheersverordening van rechtswege onderdeel uitmaakt van het Omgevingsplan gemeente Sittard-Geleen (hierna: de Beheersverordening).
5. De omgevingsvergunning van 1 augustus 2022 is verleend voor het project zadeldakhal (hierna: de nieuwe loods) voor de activiteiten bouwen en het gebruiken in strijd met de geldende Beheersverordening (hierna: de omgevingsvergunning). Aan de omgevingsvergunning, die inmiddels onherroepelijk is, zijn een aantal voorwaarden verbonden, te weten voorwaarde a tot en met g. De voor dit geschil relevante voorwaarden luiden:
d. De sortering ofwel overslag van materialen en goederen in containers dient in de bestaande loods plaats te vinden conform schetstekening en de aard en omvang van het bedrijf dienen nagenoeg gelijk te blijven.
e. Buitenopslag dient plaats te vinden achter (het verlengde van) de voorste voorgevelrooilijn.
f. Er mag geen detailhandel plaatsvinden op het terrein (als kringloopwinkel en/of locatie waar particulieren hun spullen kunnen brengen en halen) vanwege toename van het aantal transporten en de verkeersaantrekkende werking.
Eerder opgelegde last onder dwangsom van 14 mei 2025
6. Eerder heeft het college, na diverse controles, op 14 mei 2025 een last onder dwangsom aan verzoekster opgelegd voor het overtreden van de vergunningsvoorwaarden d en f behorende bij de omgevingsvergunning opgelegd. Naar aanleiding van het bezwaar van verzoekster van 25 mei 2025 heeft op 2 oktober 2025 de hoorzitting in bezwaar plaatsgevonden en is op 14 oktober 2025 het college van advies voorzien.
6.1.
Op 16 januari 2026, pas nadat het bestreden besluit van 16 december 2025 tot stand is gekomen, heeft het college een beslissing genomen op het bezwaar van verzoekster tegen het eerste dwangsombesluit van 14 mei 2025. Het college heeft bij besluit van 5 februari 2026 het eerste dwangsombesluit van 14 mei 2025 en de daarmee samenhangende beslissing op bezwaar van 16 januari 2026 ingetrokken. Vervolgens heeft verzoekster het daartegen gerichte beroep (geregistreerd onder zaaknummer ROE 26/307) en het daarmee samenhangende verzoek om voorlopige voorziening (geregistreerd onder zaaknummer ROE 26/306) ingetrokken.
Last onder dwangsom van 16 december 2025 (het bestreden besluit)
7. Op 21 november 2025 heeft nogmaals een controle plaatsgevonden en daarvan is verslag uitgebracht in het rapport objectcontrole van 22 november 2025. Daaruit is gebleken dat de overslag van materialen niet plaatsvindt in de bestaande (oude) loods, maar in de nieuwe loods en op het buitenterrein. Uit het rapport objectcontrole van 22 november 2025 blijkt niet dat sprake was van een winkel ter plaatse.
7.1.
Op 7 oktober 2025 heeft het college, ondanks de lopende bezwaarprocedure naar aanleiding van de eerder opgelegde last onder dwangsom van 14 mei 2026, een nieuw voornemen tot handhavend optreden aan verzoekster kenbaar gemaakt. Verzoekster heeft op 23 oktober 2025 in haar zienswijze tegen het voornemen verwezen naar haar standpunten in de al lopende bezwaarprocedure. Het college heeft in de zienswijze geen aanleiding gezien om van handhavend optreden af te zien.
7.2.
In het bestreden besluit stelt het college zich op het standpunt dat sprake is van een overtreding van de voorwaarden d en f behorend bij de omgevingsvergunning. Het college verwijst daarvoor naar een aantal controlerapporten waarbij overtredingen zijn geconstateerd. In het bestreden besluit gelast het college verzoekster om de overtredingen van vergunningvoorwaarden d en f te staken en gestaakt te houden. In totaal worden er drie overtredingen in het bestreden besluit genoemd, waarvoor drie aparte lasten onder dwangsom zijn opgelegd. Indien verzoekster vanaf maandag 5 januari 2026 opnieuw in strijd handelt met deze vergunningvoorwaarden, verbeurt zij de volgende dwangsommen:
1. € 3.000,- per overtreding per dag dat geconstateerd wordt dat de online webshop voor detailhandel op de [adres] te Einighausen wordt aangehouden. Hiervoor geldt een maximumbedrag van € 30.000,-.
2. € 7.000,- per overtreding per dag dat geconstateerd wordt dat detailhandel plaatsvindt op het terrein aan de [adres] te Einighausen in de vorm van een (kringloop)winkel. Hiervoor geldt een maximumbedrag van € 70.000,-.
3. € 10.000,- per overtreding per dag dat geconstateerd wordt dat sortering en overslag van goederen in containers buiten de bestaande loods plaatsvindt. Hiervoor geldt een maximumbedrag van € 100.000,-.
In totaal bedraagt de maximaal te verbeuren dwangsom van de lasten 1 tot en met 3 een bedrag van € 200.000,-.
7.3.
Verzoekster is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
8. Op grond van artikel 8:81, eerst lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, als tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
8.1.
In dit geval zal verzoekster, indien het bestreden besluit niet wordt geschorst, dwangsommen gaan verbeuren op het moment dat het college constateert dat de vermeende overtredingen niet gestaakt zijn. Daarom is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een spoedeisend belang aan de zijde van verzoekster.
Toetsingskader
9. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Is daarvan sprake, dan kan dat een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
9.1.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat na invoering van de Omgevingswet aan verzoekster een last onder dwangsom is opgelegd vanwege de door het college geconstateerde overtredingen, is de Omgevingswet van
toepassing op het bestreden besluit.
9.2.
Om te beoordelen of het college handhavend mocht optreden, moet er sprake zijn van een overtreding aan de zijde van de als overtreder aangemerkte persoon. Het handelen in strijd met (de voorwaarden van) een verleende vergunning is in strijd met artikel 5.5, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet.
Is sprake van een overtreding?
Het sorteren en overslaan van goederen
10. Volgens het college is sprake van een overtreding van vergunningvoorwaarde d omdat tijdens diverse controles is gebleken dat het sorteren en overslaan van materialen en goederen in containers (nog steeds) buiten op het terrein in de open lucht en niet in de bestaande loods plaatsvindt. In het verweerschrift en ter zitting heeft het college nog aangevoerd dat de bedoeling van de verleende omgevingsvergunning is om de geluidsoverlast die door omwonenden wordt ervaren terug te dringen door het sorteren en overslaan inpandig in de bestaande loods te laten plaatsvinden. Uit vergunningvoorwaarde d volgt volgens het college glashelder dat sortering en overslag van goederen en materialen in containers in de bestaande hal moet plaatsvinden en het maakt daarbij niet uit welke omvang de ontvangende of stortende container heeft. Dat de bestaande loods feitelijk te klein zou zijn om voor de door verzoekster gebruikte vrachtwagen en containers aldaar sortering en overslag te laten plaatsvinden, acht het college niet onderbouwd. Zelfs als dat zo zou zijn, dan dient dit voor rekening en risico van verzoekster te komen en dient zij met een creatieve oplossing te komen zodat zij (alsnog) aan de vergunningvoorwaarde voldoet. Dat buitenopslag (achter de voorgevelrooilijn) is toegestaan, betekent niet dat overslag in de buiten opgestelde containers buiten mag plaatsvinden.
11. Volgens verzoekster vindt de overslag van de bedrijfswagens (waarin het materiaal wordt meegenomen naar de loods) en de sortering naar (3 m3) containerbakken plaats in de nieuwe loods, die verder weg van en dus gunstiger voor de omwonenden ligt. Op dat moment zijn de goederen in de containers gesorteerd. Vervolgens worden de containers met daarin de goederen overgeheveld naar grotere containers (van respectievelijk 18 m3 en 38 m3) die buiten staan, aan de westkant van het bedrijventerrein. Volgens verzoekster heeft verweerder zich pas recent op het standpunt gesteld dat ook de grotere containers bij het sorteerproces betrokken dienen te worden. Verzoekster bestrijdt dat vergunningvoorwaarde d ook betrekking heeft op de sortering of overslag naar de grotere containers en dat dit glashelder uit vergunningvoorschrift d volgt. De grotere containers kunnen gelet op hun afmetingen en de heftechnieken van de voertuigen immers onmogelijk in de bestaande (of nieuwe) loods worden geplaatst. Bovendien is de opslag van de grotere containers op het buitenterrein toegestaan, zoals ook volgt uit de verleende omgevingsvergunning.
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, anders dan het college heeft betoogd in voorwaarde d, in onderlinge samenhang bezien met de omgevingsvergunning niet glashelder volgt dat al het sorteren en overslaan van goederen in de bestaande loods dient te geschieden. Zo staat op bladzijde 6 van de omgevingsvergunning vermeld: “
Op dit bedrijventerrein is de aan- en afvoer van spullen, de opslag in de loods en de overslag buiten de loods in containers passend binnen milieucategorie 3.1.” en op bladzijde 7 staat (onderaan) vermeld: “
Op het moment van de aanvraag gaat het echter niet om uitbreiding, maar om het inpandig plaatsen van een deel van het buitenterrein naar een dichte loods en om een functionele verschuiving van activiteiten, waarbij de sortering/overslag van materialen in containers in de bestaande loods kan plaatsvindt met als gevolg minder op- en overslag buiten en minder geluidsoverlast.” Op bladzijde 8 van de omgevingsvergunning staat “
2. De belangen van de directe buren worden niet onevenredig geschaad. Het plaatsen van de loods zorgt er juist voor dat de situatie er voor de omwonenden op vooruit gaat. Bepaalde activiteiten die voorheen in de buitenlucht plaatsvonden en naar binnen worden verplaatst, zorgden voor overlast. Dat is de aanleiding geweest om deze nieuwe loods te bouwen.”Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat vergunningvoorwaarde d, voor meerdere uitleg vatbaar is. De vergunningvoorwaarde spreekt van “sortering ofwel overslag”, terwijl dit verschillende handelingen zijn die feitelijk ook plaatsvinden in de (nieuwe) loods. Er vindt alleen beperkte overslag buiten plaats en dat mag gelet op wat in de omgevingsvergunning staat vermeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan daarom niet ‘klip en klaar’ worden vastgesteld dat de vergunningsvoorwaarde d is overtreden. Het voorgaande heeft tot gevolg dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en de desbetreffende last in de beslissing op bezwaar aangepast moet worden. Dat betekent dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet om het bestreden besluit ten aanzien van last 3, de last die is opgelegd in verband met het overtreden van vergunningvoorwaarde d, te schorsen.
Kringloopwinkel en webshop
13. De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van de vraag of ten aanzien van de kringloopwinkel en webshop sprake is van een overtreding, voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat ten tijde van het tot stand komen van het bestreden besluit sprake was van detailhandel op het perceel, omdat op dat moment nog activiteiten in de kringloopwinkel plaatsvonden. Tussen partijen is echter in geschil of sprake is van het overtreden van vergunningvoorschrift f, mede gelet op de definitie die (volgens de Beheersverordening) aan detailhandel verbonden moet worden.
14. Het college heeft zowel ten aanzien van de kringloopwinkel als de webshop een overtreding van vergunningvoorwaarde f van de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd. Het college heeft het overtreden van vergunningvoorwaarde f verdeeld over twee lasten, te weten last 1 strekkende tot het staken van de webshop en last 2 strekkende tot het staken van de kringloopwinkel. Volgens het college doet het niet ter zake of detailhandel op grond van de Beheersverordening nu wel of niet is toegestaan. De detailhandel is immers voor het gehele terrein uitgesloten in vergunningvoorwaarde f behorende bij de omgevingsvergunning en dat is de grondslag voor de handhaving.
15. Verzoekster heeft ter zitting nader toegelicht dat weliswaar sprake is van een onherroepelijke omgevingsvergunning, maar dat de vergunningvoorwaarden niet deugen. Volgens verzoekster kloppen de vergunningvoorwaarden niet omdat verzoekster eerst op een andere locatie, de Lindenheuvel, een webwinkel exploiteerde en zij met instemming van de gemeente naar haar huidige locatie is verhuisd. Bovendien handhaaft het college op grond van een omgevingsvergunning voor het oprichten en gebruiken van een nieuwe loods in strijd met de Beheersverordening. De omgevingsvergunning en de bijbehorende vergunningvoorwaarden kunnen dus alleen betrekking hebben op activiteiten betreffende de nieuwe loods en niet op activiteiten betreffende de bestaande loods. Volgens verzoekster kan daarom niet op grond van de vergunningvoorwaarden handhavend jegens haar worden opgetreden.
16. Desgevraagd ter zitting heeft het college verklaard dat de vergunningvoorwaarden voor het gehele terrein gelden en dat het een bewuste keuze is geweest om enkel op grond van de vergunningvoorwaarden tot handhavend optreden over te gaan en niet (ook) op grond van de Beheersverordening.
17. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat zij bevoegd is tot handhavend optreden op grond van de vergunningvoorwaarden behorende bij de omgevingsvergunning voor het oprichten voor de nieuwe loods voor de activiteiten bouwen en het gebruiken in strijd met de geldende Beheersverordening. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat verzoekster ten aanzien van de webshop heeft toegelicht dat de webshop wordt uitgevoerd vanuit de bestaande loods, nu de nieuwe loods in gebruik is als overslagruimte. Het college heeft niet weersproken dat de webshop vanuit de bestaande loods wordt uitgevoerd. Wat betreft de kringloopwinkel betrekt de voorzieningenrechter daarbij dat niet duidelijk is geworden, noch uit hetgeen is toegelicht ter zitting, noch uit het rapport objectcontrole van 22 november 2025, of de kringloopwinkel ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in de nieuwe loods of de bestaande loods werd ontplooid. Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter ziet daarom in het voorgaande aanleiding om ook voor zover het gaat om lasten 1 en 2 het bestreden besluit te schorsen.

Conclusie en gevolgen

18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst alle drie de lasten onder dwangsom, en daarmee dus het gehele bestreden besluit, tot op het bezwaar van verzoekster is beslist.
18.1.
Omdat het verzoek wordt toegewezen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bestaan deze proceskosten uit een bedrag van € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1). Voorts ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,00 aan haar dient te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
  • schorst het bestreden besluit tot op het bezwaar van verzoekster is beslist;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.868,00;
  • bepaalt dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,00 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Krens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 25 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 25 februari 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.