Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met één productie,
- de akte van Mijnwater houdende productie 18,
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
.”
– de kabel van Mijnwater zou ook dan niet zichtbaar zijn geweest, aldus [gedaagde partij] – is onjuist, omdat naar aanleiding van een nieuwe melding opnieuw overleg had kunnen plaatsvinden tussen partijen. Mijnwater had dan haar zienswijze (opnieuw) naar voren kunnen brengen en zij had wederom ter plaatse kunnen gaan kijken. De aanwezigheid van de kabel had alsdan vastgesteld kunnen worden.De omstandigheid dat de betreffende kabel mogelijk nog niet aan het kadaster was doorgegeven waardoor deze nog niet in de aan [gedaagde partij] verstrekte gegevens was opgenomen (en, zoals [gedaagde partij] stelt, een nieuwe Klic-melding dus niets aan de situatie had veranderd), kan derhalve niet afdoen aan de hiervoor vermelde verplichting van [gedaagde partij] een nieuwe graafmelding te doen. Deze omstandigheid kan daarom niet als eigen schuld in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW Pro worden aangemerkt.
dusergens anders moesten bevinden en had het op haar weg gelegen om het te graven tracé van de riolering – en dus niet, zoals [gedaagde partij] stelt, het gehele terrein – voldoende zorgvuldig te controleren. Het betoog dat niet van [gedaagde partij] verwacht mocht worden dat zij het gehele terrein aan een grondige inspectie zou onderwerpen teneinde mogelijk aanwezige kabels te lokaliseren, volgt de rechtbank daarom niet.