ECLI:NL:RBLIM:2026:1910

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
C/03/341763 / HA ZA 25-213
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Provaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 6:119 BWArtikel 8, lid 1 WIBONWIBONBIBON
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor schade aan elektriciteitskabel door onzorgvuldig graafwerk

Mijnwater Energy B.V. beheert duurzame energievoorzieningen en leverde warmte aan een woon-zorgcomplex. Bij graafwerkzaamheden door [gedaagde partij] B.V. in mei 2024 werd een elektriciteitskabel van Mijnwater geraakt, die niet op de oorspronkelijke Klic-melding van augustus 2023 stond aangegeven. Omdat de werkzaamheden pas negen maanden na de Klic-melding begonnen, had [gedaagde partij] een nieuwe melding moeten doen om de actuele situatie te verifiëren.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde partij] onzorgvuldig handelde door geen nieuwe Klic-melding te doen en onvoldoende onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van kabels, ondanks het hoge risicoprofiel van het gebied en de toepasselijke wettelijke zorgplichten uit de WIBON, BIBON en de CROW-richtlijn. Het verweer van [gedaagde partij] dat een nieuwe melding niets had opgeleverd, wordt verworpen omdat overleg en inspectie dan alsnog mogelijk waren geweest.

De rechtbank veroordeelt [gedaagde partij] tot vergoeding van de schade van €30.367,73, wettelijke rente vanaf 29 juni 2024, buitengerechtelijke incassokosten van €1.078,68 en proceskosten van €4.975,40. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van €30.367,73 schadevergoeding, incassokosten, rente en proceskosten wegens onzorgvuldig graafwerk met schade aan elektriciteitskabel.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/341763 / HA ZA 25-213
Vonnis van 25 februari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
MIJNWATER ENERGY B.V.,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Mijnwater,
advocaat: mr. S.G.J. Habets,
tegen
[gedaagde partij] B.V.,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. J.H. Tuit.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 17,
- de conclusie van antwoord met één productie,
- de akte van Mijnwater houdende productie 18,
- de mondelinge behandeling van 20 januari 2026, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt, alwaar partijen hun standpunten hebben toegelicht en door Mijnwater spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Mijnwater beheert duurzame energievoorzieningen en is verantwoordelijk voor de energielevering en aanverwante diensten, zoals het leveren van warmte, koud en warm tapwater, verkregen uit de eigen installaties en het onderhoud van deze installaties. Een van de locaties waaraan Mijnwater warmte voor ruimteverwarming en verwarming van tapwater levert is woon-zorgcomplex [complex] te [plaats 2] . Om deze locatie van de benodigde warmte te voorzien, gebruikt Mijnwater een energiecentrale, die zich in één van de drie gebouwen (de [flat] ) van [complex] bevindt. Vanuit deze energiecentrale loopt onder andere een elektriciteitskabel, die de hoofdvoeding vormt van de energiecentrale en die het transformatiehuisje van netbeheerder Enexis (gelegen naast de [flat] ) met de energiecentrale van Mijnwater verbindt.
2.2.
In het kader van de herinrichting van het terrein en de ondergrond van de locatie [complex] was [gedaagde partij] belast met de aanleg van een waterbuffer (een vijver) en een daarop aan te sluiten riolering.
2.3.
Op 25 augustus 2023 heeft Mijnwater een melding ontvangen, de zogeheten Kabels en Leidingen Informatie Centrum-melding (hierna: Klic-melding), voor werkzaamheden bij de locatie [complex] van [gedaagde partij] , met [kenmerk 1] . [1] Deze graafmelding had betrekking op de graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de waterbuffer (een vijver) en de riolering.
2.4.
Mijnwater heeft in reactie op deze Klic-melding onder meer laten weten dat zich in de graaflocatie leidingen bevinden waarop een eis voorzorgsmaatregel van toepassing is. [2]
2.5.
Per e-mail van 28 augustus 2023 heeft Mijnwater – nadat zij de situatie ter plaatse had beoordeeld – akkoord gegeven op de werkzaamheden, op voorwaarde van handhaving van de insteek van het bestaande talud. [3]
2.6.
[gedaagde partij] is ongeveer negen maanden later, in mei 2024, nadat de werkzaamheden van andere betrokkenen bij het project gevorderd waren, gestart met het uitvoeren van het tweede deel van haar werkzaamheden: het aanleggen van de riolering naar de waterbuffer. Tijdens die werkzaamheden heeft zij op 13 mei 2024 een elektriciteitskabel van Mijnwater geraakt. Deze elektriciteitskabel stond niet aangegeven op de tekeningen bij de graafmelding van augustus 2023.
2.7.
Op 13 mei 2024 heeft Lengkeek B.V. in opdracht van de assurantietussenpersoon van [gedaagde partij] (Boval) een onderzoek verricht en daarvan een rapport opgesteld. [4]
2.8.
Mijnwater heeft [gedaagde partij] per brief van 13 juni 2024 aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. [5]
2.9.
[gedaagde partij] heeft op 28 juni 2024 opnieuw een graafmelding gedaan met [kenmerk 2] .
2.10.
[gedaagde partij] heeft bij monde van Boval op 5 november 2024 betwist aansprakelijk te zijn voor de door Mijnwater gestelde schade. [6]

3.Het geschil

3.1.
Mijnwater vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
voor recht verklaart dat [gedaagde partij] aansprakelijk is voor de door Mijnwater geleden schade,
[gedaagde partij] veroordeelt tot vergoeding van de schade van € 30.367,73,
[gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over het schadebedrag vanaf 29 juni 2024, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige voldoening,
[gedaagde partij] veroordeelt om aan Mijnwater de buitengerechtelijke kosten te voldoen van € 1.078,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het instellen van deze vordering tot de dag van volledige voldoening,
[gedaagde partij] veroordeelt in de proceskosten te voldoen binnen acht dagen na datum van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn tot de dag van volledige voldoening.
3.2.
Mijnwater legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde partij] onzorgvuldig heeft gehandeld door graafwerkzaamheden te verrichten zonder dat zij daarvoor (opnieuw) een Klic-melding heeft gedaan. Daarnaast had het volgens Mijnwater op de weg van [gedaagde partij] gelegen om niet alleen de op de tekening aangegeven kabels te lokaliseren. Gelet op het hoge risicoprofiel van de graaflocatie (de omgevingskenmerken), alsook dat het een gebied betreft waarop een eisvoorzorgsmaatregel van toepassing is en dat een Klic-melding niet altijd correct en/of volledig en actueel is, had [gedaagde partij] (extra) zorgvuldigheid moeten betrachten en actief onderzoek moeten doen naar de (eventuele) aanwezigheid van (andere) kabels. Uit niets blijkt dat [gedaagde partij] voldoende voorbereidingen heeft getroffen, aldus Mijnwater. De te verwachten (extra) voorzorgsmaatregelen, zoals het graven van (extra) proefsleuven, een bredere lokalisatie, communicatie met netbeheerder, risicoanalyse, etc. zijn praktisch uitvoerbaar en niet disproportioneel of bezwarend voor [gedaagde partij] . [gedaagde partij] is daarom aansprakelijk voor de geleden en nog te lijden schade van Mijnwater, bestaande uit de herstelkosten van de kabel, de personeelskosten en de compensatie die Mijnwater verplicht heeft moeten uitkeren aan haar klanten toen zij door het incident, het raken van de elektriciteitskabel door [gedaagde partij] , niet kon voldoen aan haar leveringsverplichting.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Mijnwater, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Mijnwater, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Mijnwater in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In deze procedure gaat het om de vraag of [gedaagde partij] aansprakelijk is voor de door Mijnwater geleden schade. De rechtbank is met Mijnwater van oordeel dat dit het geval is. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het toetsingskader
4.2.
Volgens vaste rechtspraak [7] dienen diegenen onder wiens verantwoordelijkheid of leiding graafwerkzaamheden worden verricht (hierna: grondroerders) hun werkzaamheden op zorgvuldige wijze te verrichten. Op grondroerders rusten zorgplichten ter voorkoming van het toebrengen van schade aan in de grond gelegen kabels en leidingen. Daartoe dienen grondroerders op grond van de in deze zaak toepasselijke Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (hierna: WIBON) en het op de WIBON gebaseerde Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (hierna: BIBON) ten minste ervoor zorg te dragen dat voor aanvang van de werkzaamheden een graafmelding is gedaan, onderzoek is verricht naar de precieze ligging van onderdelen van netten op de graaflocatie en dat de ontvangen gebiedsinformatie over de ligging van het net op de graaflocatie aanwezig is.
4.3.
Verder is op initiatief van het Kabels en Leidingen Overleg, waarin diverse bij graafwerkzaamheden en netwerken betrokken partijen zijn vertegenwoordigd, in 2008 de Richtlijn Zorgvuldig Graafproces (de CROW 250; thans vervangen door de CROW 500, hierna: de Richtlijn) tot stand gekomen. In de Richtlijn wordt beschreven hoe het graafproces zorgvuldig kan worden uitgevoerd, zodat de kans op schade aan kabels en leidingen tot een minimum wordt beperkt. De Richtlijn vormt derhalve de weerslag van de binnen de beroepsgroep geldende opvattingen omtrent zorgvuldig handelen bij grondroerwerkzaamheden. De rechter dient bij de invulling van de zorgplicht in beginsel aan te sluiten bij de Richtlijn. [8]
4.4.
De Richtlijn impliceert dat op een grondroerder in een risicogebied de verplichting rust zo veilig mogelijk te werken dat kabel- en leidingschade wordt voorkomen, zowel in het geval dat de kabels en leidingen met theoretische ligging in het zoekgebied vooraf zijn gelokaliseerd, als in het geval dat die kabels en leidingen niet (of niet alle) zijn gevonden. In de Richtlijn is dit als volgt opgenomen.
“4 Grondroeren nabij kabels en leidingen
Om tijdens het grondroeren schade aan kabels en leidingen te voorkomen, wordt een risicogebied geïntroduceerd. Binnen het risicogebied zal de werkmethode van grondroeren aangepast moeten worden. Buiten het risicogebied mag de grond zonder extra voorzorgsmaatregelen worden geroerd.
Risicogebied
Het gebied nabij een kabel of leiding, waarbinnen de grond niet zonder meer geroerd mag worden, is het risicogebied. Binnen het risicogebied is de grondroerder verplicht ervoor te zorgen dat de grondroering veilig wordt uitgevoerd zonder schade aan de aanwezige kabels en leidingen.
Afbakening van het risicogebied
- Het gebied 1,00 meter (links-rechts) uit de buitenkant en 0,50 meter boven de buitenkant van de kabel of leiding, waarvan de werkelijke ligging bepaald (en in het veld gemarkeerd) is.
- Het gehele graafprofiel als aanwezige kabels en leidingen niet vooraf zijn gelokaliseerd
.”
Treedt in het risicogebied toch schade op aan een kabel of leiding die vooraf was gelokaliseerd of waarvan de theoretische ligging zich in het zoekgebied bevond, en staat vast dat de schade het gevolg is van de werkzaamheden van de grondroerder, dan wordt vermoed dat de grondroerder onvoldoende veilig en daarmee onzorgvuldig heeft gewerkt. [9]
Heeft [gedaagde partij] onzorgvuldig gehandeld?
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde partij] , voordat zij in mei 2024 met de graafwerkzaamheden begon, opnieuw een Klic-melding had moeten doen. Niet alleen was de eerste melding van augustus 2023 verlopen [10] – na het doen van een melding dient binnen twintig (werk)dagen een begin te zijn gemaakt met de graafwerkzaamheden – de situatie ter plaatse was ook veranderd. Op de in het rapport van Lengkeek (pagina 6) weergegeven kaarten, die [gedaagde partij] niet heeft betwist, blijkt immers dat het gebied waarop de eis voorzorgsmaatregel van toepassing is, in 2024 is uitgebreid. Daarmee staat vast dat de plaats waar [gedaagde partij] in mei 2024 heeft gegraven zich bevindt binnen het risicogebied als bedoeld in de Richtlijn, zodat wordt vermoed dat deze onvoldoende veilig en daarmee onvoldoende zorgvuldig heeft gewerkt.
4.6.
De stelling van [gedaagde partij] dat een nieuwe Klic-melding niets zou hebben opgeleverd
– de kabel van Mijnwater zou ook dan niet zichtbaar zijn geweest, aldus [gedaagde partij] – is onjuist, omdat naar aanleiding van een nieuwe melding opnieuw overleg had kunnen plaatsvinden tussen partijen. Mijnwater had dan haar zienswijze (opnieuw) naar voren kunnen brengen en zij had wederom ter plaatse kunnen gaan kijken. De aanwezigheid van de kabel had alsdan vastgesteld kunnen worden.De omstandigheid dat de betreffende kabel mogelijk nog niet aan het kadaster was doorgegeven waardoor deze nog niet in de aan [gedaagde partij] verstrekte gegevens was opgenomen (en, zoals [gedaagde partij] stelt, een nieuwe Klic-melding dus niets aan de situatie had veranderd), kan derhalve niet afdoen aan de hiervoor vermelde verplichting van [gedaagde partij] een nieuwe graafmelding te doen. Deze omstandigheid kan daarom niet als eigen schuld in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW Pro worden aangemerkt.
4.7.
[gedaagde partij] is ongeveer negen maanden na dato gaan graven. Ter zitting heeft [gedaagde partij] nog aangevoerd dat hij proefsleuven heeft gegraven, althans heeft willen graven, maar dat een proefsleuf ter plaatse van de bewuste kabel niet mogelijk was vanwege een laag beton waar niet of moeilijk doorheen te komen was. Juist die omstandigheid – ervan uitgaande dat dit klopt – had voor [gedaagde partij] aanleiding moeten zijn geweest om Mijnwater voor alle zekerheid (nog eens) te raadplegen. Dit klemt temeer nu Mijnwater bij e-mail van 25 augustus 2023 heeft aangegeven dat ter plaatse leidingen van Mijnwater lopen waarop een eis voorzorgsmaatregel van toepassing is en het gebied betreffende die eis in de loop van 2023/2024 is uitgebreid.
4.8.
Ook de situatie ter plaatse en de uiterlijke omgevingskenmerken, zoals de nabije aanwezigheid van transformatorkasten (trafo’s) en naastgelegen wooncomplexen die vanuit deze trafo’s gevoed worden, hadden [gedaagde partij] moeten nopen tot meer voorzichtigheid. Bij het blootleggen van de leidingen van Enexis naast de trafo’s – de leiding van Mijnwater was nog niet aangetroffen – had [gedaagde partij] moeten begrijpen dat de leidingen van Mijnwater zich
dusergens anders moesten bevinden en had het op haar weg gelegen om het te graven tracé van de riolering – en dus niet, zoals [gedaagde partij] stelt, het gehele terrein – voldoende zorgvuldig te controleren. Het betoog dat niet van [gedaagde partij] verwacht mocht worden dat zij het gehele terrein aan een grondige inspectie zou onderwerpen teneinde mogelijk aanwezige kabels te lokaliseren, volgt de rechtbank daarom niet.
4.9.
De conclusie op grond van al het voorgaande is dat [gedaagde partij] onvoldoende heeft ingebracht teneinde het vermoeden dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld te ontzenuwen. De rechtbank stelt derhalve vast dat [gedaagde partij] bij de graafwerkzaamheden in mei 2024 onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, zodat zij uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door Mijnwater dientengevolge geleden schade.
De schade
4.10.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde partij] de omvang van de schade niet, althans onvoldoende, heeft betwist. De omstandigheid dat de aan de zijde van [gedaagde partij] betrokken expert langdurig afwezig is (geweest), dient – mede gelet op de reeds verstreken tijd na de eerste brieven van Mijnwater met betrekking tot de schade [11] en de inhoudelijke behandeling van deze procedure – voor eigen risico van [gedaagde partij] te blijven. Dit leidt dan ook tot de conclusie dat [gedaagde partij] aan Mijnwater in totaal € 30.367,73 aan schadevergoeding moet betalen. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 29 juni 2024 tot de dag van volledige voldoening.
4.11.
Mijnwater vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.078,68. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Daarom zal een bedrag van € 1.078,68 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
4.12.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Mijnwater worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.975,40.
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde partij] aansprakelijk is voor de door Mijnwater geleden schade,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Mijnwater te betalen een bedrag van € 30.367,73, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Mijnwater te betalen een bedrag van € 1.078,68 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 4.975,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Voetnoten

1.Productie 1 dagvaarding
2.Productie 2 dagvaarding
3.Productie 1 conclusie van antwoord, bijlage 9
4.Productie 1 conclusie van antwoord
5.Productie 6 dagvaarding
6.Productie 12 dagvaarding
7.Zie o.a.: HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:772
8.HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:772, r.o. 3.7.2 en HR 15 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1750
9.HR 15 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1750, r.o. 3.5.
10.Artikel 8, lid 1 WIBON
11.Productie 6 dagvaarding, brief 13 juni 2024