ECLI:NL:RBLIM:2026:1946

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
11563510 \ CV EXPL 25-1122
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:129 BWArt. 6:119 BWArtikel 18 Wetboek van Koophandel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling geldlening aan vennootschap onder firma en afwijzing huurovereenkomst parkeerplaatsen

In deze civiele bodemzaak vordert eiser terugbetaling van een geldlening van €12.000 aan de vennootschap onder firma (V.O.F.) en haar vennoten, terwijl de V.O.F. in reconventie huurpenningen vordert voor parkeerplaatsen die eiser zou hebben gehuurd voor een foodtruck.

De kantonrechter heeft na bewijslevering vastgesteld dat eiser is geslaagd in zijn bewijsopdracht dat hij de lening aan de V.O.F. heeft verstrekt en dat hiervan €4.000 reeds is terugbetaald. De leningsovereenkomst is conform artikel 7:129 BW Pro aangetoond, ondanks de stelling van een vennoot dat het om een trust ging. De vordering tegen de vennoot die niet partij was bij de lening wordt afgewezen.

De vordering van de V.O.F. tot huurbetaling wordt afgewezen omdat geen bewijs is geleverd van een huurovereenkomst of betalingsverplichting. Getuigenverklaringen bevestigen slechts dat eiser een foodtruck exploiteerde op het terrein, maar niet dat hij hiervoor huur verschuldigd was. De factuur die maanden na de vermeende huurperiode werd gestuurd, ontbeert contractuele grondslag.

De V.O.F. en haar vennoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het restant van de lening met wettelijke rente vanaf 17 september 2024, alsmede in de proceskosten van eiser. De vorderingen tegen de vennoot die niet partij was bij de lening worden afgewezen. De proceskostenveroordeling wordt eveneens hoofdelijk uitgesproken.

Uitkomst: De V.O.F. en haar vennoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €8.000 plus wettelijke rente aan eiser, terwijl de huurvordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11563510 \ CV EXPL 25-1122
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[persoon 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
gemachtigde: mr. R.H.J.G. Borger,
tegen

1.[V.O.F.] ,

te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [V.O.F.]
2.
[vennoot 1],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [vennoot 1] ,
3.
[vennoot 2],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [vennoot 2] ,
4.
[vennoot 3],
te [plaats 3] ,
hierna te noemen: [vennoot 3] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 juli 2025
- het getuigenverhoor aan de zijde van [persoon 1] van 17 november 2025
- het getuigenverhoor aan de zijde van [V.O.F.] van 19 november 2025
- de conclusie na getuigenverhoor van [persoon 1]
- de antwoordconclusie na getuigenverhoor van [V.O.F.] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
De zaak in het kort
2.1.
Voor de leesbaarheid van dit vonnis wordt hieronder een korte samenvatting gegeven van het tussenvonnis, de daarin gegeven bewijsopdrachten en het oordeel van de kantonrechter naar aanleiding van de bewijslevering door partijen.
2.2.
[vennoot 1] en [vennoot 2] zijn vennoten van de vennootschap onder firma [V.O.F.] (hierna: [V.O.F.] ). [V.O.F.] exploiteert een supermarkt/islamitische slagerij met dezelfde naam. [vennoot 3] , broer van [vennoot 1] , was tot april 2024 werkzaam voor [V.O.F.] . Zijn werkzaamheden bestonden uit crediteurenbeheer en boekhoudkundig werk. [persoon 1] is een vriend van de vader van beide broers [vennoten 1 & 3] .
2.3.
In deze zaak vordert [persoon 1] terugbetaling van een geldlening aan [V.O.F.] (en haar vennoten) en [vennoot 3] . [V.O.F.] vordert van [persoon 1] op haar beurt huurpenningen voor door [persoon 1] gehuurde parkeerplaatsen op het terrein van [V.O.F.] , waar [persoon 1] een foodtruck zou hebben geëxploiteerd. In het tussenvonnis heeft [persoon 1] een bewijsopdracht gekregen om te bewijzen dat hij met [V.O.F.] een geldleningsovereenkomst heeft gesloten voor € 12.000,00 waarvan [V.O.F.] € 4.000,00 had terugbetaald. [V.O.F.] heeft een bewijsopdracht gekregen om te bewijzen dat zij aan [persoon 1] drie parkeerplaatsen had verhuurd voor € 100,00 per dag exclusief btw.
2.4.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat [persoon 1] is geslaagd in zijn bewijsopdracht en dat [V.O.F.] de geldlening moet terugbetalen. [vennoot 3] was geen partij bij deze geldleningsovereenkomst, zodat de vordering jegens hem wordt afgewezen. [V.O.F.] is niet geslaagd in de bewijsopdracht. Dat betekent dat [persoon 1] niets aan [V.O.F.] hoeft te betalen en dat de vordering van [V.O.F.] wordt afgewezen. [V.O.F.] moet de proceskosten van [persoon 1] betalen.
2.5.
Hieronder zal worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
in conventie
2.6.
[persoon 1] had eerder in de procedure al de volgende bewijsmiddelen in gebracht [1] :
2.6.1.
De e-mail van [vennoot 3] aan [persoon 1] met de volgende inhoud:
(…) Ik werk in een [V.O.F.] -winkel als accountant en de eigenaar van de winkel is de heer [vennoot 1] . Vanwege uw probleem met hem ben ik sinds 8 april mijn baan in deze winkel kwijtgeraakt. Ik stopte met werken en kreeg een conflict met Ik werd op barbaarse wijze uit de winkel gezet noch mijn salaris, noch mijn contributie werd aan mij uitbetaald. Sterker nog, ik werd met een valse aangifte bij de politie aangegeven en werd ten onrechte gevangen gezet.Waarom vraag je dat aan mij als je weet dat je geld bij winkeleigenaar [V.O.F.] ligt.
2.6.2.
De e-mail van [vennoot 3] d.d. 9 oktober 2024 aan mr. Borger:
Dit is waar, de heer [persoon 1] gaf het bedrijf waarin ik werkte een bedrag van 12.000, en het was in trust, geen lening. Ik was accountant in het bedrijf en verliet het werk op 8 en 9 april. Een geschil ontstond samen met mijn broer, de eigenaar van het bedrijf, vanwege de heer [persoon 1], omdat het bedrag niet aan hem werd terugbetaald.De heer [persoon 1] beschuldigde de bedrijfseigenaar, [vennoot 1] , ervan onethische woorden te hebben geuit en een geschil tussen hen te hebben veroorzaakt, en ik weet niet wat er daarna is gebeurd. U kunt wettelijk niet eisen dat ik verantwoordelijk ben voor het terugbetalen van het bedrag, omdat ik heb niets op mijn rekening ontvangen.Het was allemaal ten behoeve van [V.O.F.] en zijn eigenaar [vennoot 1]. Als mij wordt gevraagd om te getuigen, kan ik getuigen van wat er is gebeurd.
2.6.3.
De (door een beëdigd tolk vertaalde) geluidsopname van een spraakbericht van [vennoot 3] , waarin (volgens [persoon 1] ) [vennoot 3] zegt:
Daarover bestaat geen enkele discussie.Wat betreft het geldbedrag: het genoemde bedrag van 12.000… is beschikbaar.Zelfs als ik daarvoor mijn eigen ogen of mijn kind zou moeten verkopen. Naar mijn mening hoef je je dus geen zorgen te maken over dat geld. Dit is zowel mijn standpunt als dat van [vennoot 1].
2.7.
Ter voldoening aan de bewijsopdracht heeft [persoon 1] , naast zichzelf, zijn dochter en ex-vrouw als getuigen laten horen. Deze getuigen hebben – onder meer en voor zover van belang – het volgende verklaard:
2.7.1.
De heer [persoon 1] heeft verklaard dat hij in een periode van drie maanden € 12.000,00 heeft betaald aan [vennoot 3] en [vennoot 1] en dat al dat geld bedoeld was voor de supermarkt zodat die niet failliet zou gaan. [persoon 1] heeft verklaard dat hij hier bewijs van heeft, omdat [vennoot 3] aan hem heeft geschreven dat het geld geleend was en een geluidsopname van [vennoot 3] dat hij op de ogen van zijn kinderen zweert dat het geld zou worden terugbetaald. Uiteindelijk heeft hij € 4.000,00 van het geleende bedrag teruggekregen. Hij mocht dit gaan ophalen in de supermarkt, maar durfde dit zelf niet te halen, zodat hij zijn ex-vrouw heeft gevraagd dit te doen. [persoon 1] heeft tijdens het getuigenverhoor ook geluidsopnames laten horen die hij heeft ontvangen van de vader van [vennoot 1] en [vennoot 3] , waarop [vennoot 1] – samengevat - zegt dat [persoon 1] een beetje geduld moet hebben, dat hij in een moeilijke financiële situatie zit en niet genoeg geld heeft om hem terug te betalen.
2.7.2.
Mevrouw [persoon 2] , de ex-vrouw van [persoon 1] , heeft als getuige verklaard dat zij ongeveer twee jaar geleden € 4.000,00 moest ophalen bij [vennoot 1] in de winkel. Die heeft het geld geteld en aan haar gegeven. Zij heeft hiervan op verzoek van [persoon 1] € 2.000,00 aan haar beide dochters heeft gegeven.
2.7.3.
Mevrouw [persoon 3] , dochter van [persoon 1] , heeft verklaard dat haar vader een jaar of langer geleden via haar en haar zus aan haar moeder had gevraagd om € 4.000,00 op te halen dat haar vader had zakelijk had uitgeleend aan de eigenaren van de supermarkt tegenover haar moeders huis, [vennoot 3] en [vennoot 1] . Haar moeder heeft dit geld ook opgehaald en zij heeft van dit geld € 2.000,00 gekregen. Voor zover zij weet heeft haar vader alleen die € 4.000,00 gekregen en de rest nog niet terug ontvangen.
2.7.4.
In contra-enquête is alleen de heer [vennoot 1] gehoord. Hij heeft verklaard dat er geen lening was en dat hij € 4.000,00 van [persoon 1] heeft gekregen. Over de e-mail van [vennoot 3] (hiervoor genoemd onder 2.6.2.) heeft hij verklaard dat hij drie maanden veel problemen heeft gehad met zijn broer en dat dit in die periode is geschreven. Later zou zijn broer hebben gezegd dat het niet goed was wat hij had geschreven.
2.8.
Op grond van de al eerder overgelegde bewijsmiddelen en hetgeen tijdens de getuigenverhoren is verklaard, is de kantonrechter van oordeel dat [persoon 1] erin is geslaagd te bewijzen dat hij € 12.000,00 aan [V.O.F.] heeft uitgeleend en dat hij daarvan € 4.000,00 heeft terug ontvangen.
2.9.
In de e-mail van [vennoot 3] aan mr. Borger [2] wordt het bedrag expliciet genoemd en ook dat dit bedoeld was voor [V.O.F.] . Ook in de geluidsopname [3] – waarvan [persoon 1] onder ede heeft verklaard dat dit de stem van [vennoot 3] is – wordt het bedrag van € 12.000,00 genoemd. Dat het geld geheel bestemd was voor de supermarkt (voor [V.O.F.] dus) en alleen aan [vennoot 3] als tussenpersoon werd gegeven, blijkt uit de e-mail van [vennoot 3] , de verklaring van [persoon 1] en de verklaring van de ex-vrouw van [persoon 1] . Zij heeft immers de terugbetaling opgehaald in de supermarkt en kreeg het bedrag van € 4.000,00 uit handen van [vennoot 1] ontvangen, één van de vennoten van [V.O.F.] . Ook de dochter van [persoon 1] heeft verklaard dat het geld in de supermarkt moest worden opgehaald.
2.10.
[V.O.F.] heeft er niet voor gekozen om [vennoot 3] in contra-enquête te horen. [persoon 1] heeft onder ede verklaard dat het [vennoot 3] ’s stem is, die te horen is op de onder 2.6.3 genoemde geluidsopname. De kantonrechter gaat daar nu ook van uit. Ook daarin noemt [vennoot 3] het bedrag van € 12.000,00 en dat [persoon 1] dit terug krijgt.
2.11.
Uit dit alles blijkt dat [persoon 1] € 12.000,00 aan [V.O.F.] heeft verstrekt en dat het de bedoeling was dat hij dit terug zou krijgen. In artikel 7:129 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is de overeenkomst van geldlening als volgt gedefinieerd: “de kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen.” Nu dit is wat er is gebeurd, is er aan deze definitie voldaan en heeft [persoon 1] recht op terugbetaling van het door hem verstrekte bedrag dat nog niet is terugbetaald. Dat [vennoot 3] heeft gezegd dat het géén lening betrof, maar een “trust” of “bewaargeving”, maakt dit niet anders. Het bedrag van € 8.000,00 zal worden toegewezen.
2.12.
Omdat het geld aan [V.O.F.] is uitgeleend, moet [V.O.F.] het restantbedrag betalen. [vennoot 1] en [vennoot 2] zijn als vennoten van [V.O.F.] hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van [V.O.F.] [4] en zullen dus ook (hoofdelijk) worden veroordeeld om het restantbedrag te betalen.
2.13.
Zoals in het tussenvonnis al is overwogen zal de vordering, voor zover gericht tegen [vennoot 3] worden afgewezen omdat niet is gesteld of gebleken dat hij partij was bij de geldleningsovereenkomst.
2.14.
Uit artikel 7:129 e BW volgt dat de lener verplicht is het door hem op grond van de overeenkomst verschuldigde terug te geven binnen zes weken nadat de uitlener heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Daar heeft [V.O.F.] niet aan voldaan. Op 6 augustus 2024 is de lening opgeëist, zodat vanaf 17 september 2024 sprake was van verzuim zijdens [V.O.F.] . De vanaf die datum gevorderde wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen.
2.15.
[V.O.F.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [persoon 1] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [V.O.F.] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [persoon 1] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
1.260,00
(3,5 punten × € 360,00)
- getuigentaxe [persoon 2]
91,32
- getuigentaxe [persoon 3]
164,00
- tolkentaxe
451,00
- nakosten
144,00
Totaal
2.200,32
2.16.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in reconventie
2.17.
[V.O.F.] is toegelaten tot het leveren van bewijs van haar stelling dat [persoon 1] van haar drie parkeerplaatsen heeft gehuurd in de periode van juni 2023 tot 4 december 2023 voor
€ 100,- per dag excl. BTW en dat de door [persoon 1] aan [V.O.F.] betaalde € 4.000,- (plus € 100,- contant) ziet op de huur voor die parkeerplaatsen.
2.18.
[V.O.F.] heeft vijf getuigen gehoord. Die hebben– onder meer en voor zover van belang – het volgende verklaard:
2.18.1.
De heer [vennoot 1] heeft verklaard dat [persoon 1] drie parkeerplaatsen heeft gehuurd bij zijn winkel voor 6 maanden voor € 100,00 per dag. [persoon 1] wilde daar een restaurant neerzetten om eten te verkopen. Hij zou zes maanden gratis krijgen en zes maanden zou hij betalen. Wanneer deze afspraak is gemaakt, hoe dat is gegaan, hoe de huurprijs en de huurperiode zijn bepaald, heeft [vennoot 1] niet verklaard.
2.18.2.
De heer [persoon 4] , zoon van [vennoot 1] , heeft verklaard dat hij zich in september 2023 met de zaak van zijn vader was gaan bemoeien en dat het hem was opgevallen dat [persoon 1] op de parkeerplaats falafel stond te verkopen. Volgens hem was het logisch om daar geld voor te vragen. Volgens hem waren daar ook afspraken over gemaakt, maar daar was hij zelf niet bij geweest.
2.18.3.
[elektromonteur] , elektromonteur, heeft verklaard dat hij op verzoek van de heer [persoon 1] een kabel heeft gelegd vanaf de meterkast van [V.O.F.] naar de foodtruck. Hij verklaarde ook dat hij een foto van de meterstand van de elektriciteitsmeter naar [persoon 1] heeft gestuurd.
2.18.4.
[persoon 5] heeft verklaard dat hij vaker eten kwam halen in de winkel van [vennoot 1] en dat ongeveer twee jaar geleden voor die winkel een cabine stond waar je broodjes kunt kopen en dat hij heeft gezien dat [persoon 1] daarin falafels verkoopt. Van de zoon van de heer [vennoot 1] heeft hij gehoord dat die foodtruck van [persoon 1] is. Hij weet niet wat [persoon 1] daarvoor betaalt.
2.18.5.
De heer [persoon 6] , neef van [vennoot 1] , heeft verklaard dat hij heeft gewerkt in de slagerij van [V.O.F.] en heeft gezien dat van juni tot januari 2023 [persoon 1] falafels verkocht in de foodtruck voor de supermarkt. [persoon 1] kocht in die periode ook vlees in de slagerij van [V.O.F.] , voor zichzelf en voor de foodtruck. Hij weet niet wat voor afspraken zijn gemaakt tussen [persoon 1] en [V.O.F.] over de foodtruck.
2.19.
De kantonrechter is van oordeel dat uit deze getuigenverklaringen alleen kan worden afgeleid dat [persoon 1] heeft gewerkt in de foodtruck op de parkeerplaats bij [V.O.F.] . Dat dit was op basis van een huurovereenkomst op grond waarvan [persoon 1] zich had verplicht
€ 100,00 per dag te betalen, blijkt nergens uit. Geen van de getuigen kan iets verklaren over enige afspraak tussen [persoon 1] en [V.O.F.] daarover. Er zijn meerdere getuigen die hebben verklaard dat er ook een vrouw in de foodtruck werkte. [persoon 1] heeft daarover verklaard dat zij de uitbaatster was van de foodtruck. Dat [persoon 1] in de foodtruck is gezien, betekent in ieder geval niet dat hij
dusook een huurovereenkomst had met [V.O.F.] , laat staan voor
€ 100,00 per dag. Pas in mei 2024 (dus maanden nadat de veronderstelde “huurovereenkomst” was beëindigd, heeft [V.O.F.] een factuur gestuurd naar [persoon 1] waar voor drie parkeerplaatsen € 100,00 per dag in rekening werd gebracht. De kantonrechter kan niet anders dan concluderen dat voor deze factuur geen (contractuele) grondslag bestond.
2.20.
Dat betekent dat de vordering van [V.O.F.] in reconventie wordt afgewezen.
2.21.
[V.O.F.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [persoon 1] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.080,00
(2,5 punten × € 432,00)
Totaal
1.080,00
2.22.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

3.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
3.1.
veroordeelt [V.O.F.] , [vennoot 1] en [vennoot 2] hoofdelijk om aan [persoon 1] te betalen een bedrag van € 8.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 september 2024, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
wijst de vorderingen, voor zover gericht tegen [vennoot 3] , af;
3.3.
veroordeelt [V.O.F.] , [vennoot 1] en [vennoot 2] hoofdelijk in de proceskosten van [persoon 1] van € 2.200,32, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
3.5.
wijst de vorderingen van [V.O.F.] af,
3.6.
veroordeelt [V.O.F.] , [vennoot 1] en [vennoot 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.080,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
3.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Passages waaraan bijzonder belang wordt gehecht zijn onderstreept
2.Zie onder 2.6.2
3.Zie onder 2.6.3
4.Artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel