ECLI:NL:RBLIM:2026:1973

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
11842283 \ CV EXPL 25-3300
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WKVArt. 35 lid 1 WKVArt. 35 lid 2 sub c WKVArt. 49 lid 1 sub a WKVArt. 74 WKV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding koopovereenkomst wegens wezenlijke tekortkoming in levering onderbroeken

Partijen sloten op 28 maart 2024 een koopovereenkomst voor de productie van 2.000 onderbroeken. De verkoper leverde meerdere voorbeeldexemplaren, waarvan de koper het derde exemplaar goedkeurde. Bij levering in januari 2025 bleek de partij onderbroeken echter niet te voldoen aan de maatvoering van het goedgekeurde derde exemplaar, maar aan het eerste, afgekeurde exemplaar.

De koper vorderde ontbinding van de overeenkomst wegens een wezenlijke tekortkoming, terugbetaling van de koopsom, vergoeding van meerkosten voor een nieuwe productie, incassokosten en proceskosten. De verkoper betwistte de tekortkoming en stelde dat de geleverde onderbroeken conform het derde exemplaar waren.

De rechtbank oordeelde dat de verkoper niet voldoende had onderbouwd dat de geleverde onderbroeken aan het goedgekeurde model voldeden. De tekortkoming was wezenlijk omdat de onderbroeken te klein en onverkoopbaar waren. De ontbinding werd toegewezen, evenals de hoofdsom, schadevergoeding, incassokosten en wettelijke rente. De proceskosten werden aan de verkoper opgelegd.

Uitkomst: De koopovereenkomst wordt ontbonden wegens wezenlijke tekortkoming en de verkoper wordt veroordeeld tot betaling van hoofdsom, schadevergoeding, incassokosten, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11842283 \ CV EXPL 25-3300
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eisende partij] H.O.D.N. [bedrijf 1],
wonende en zaak doende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. S.H.F. Kerckhoffs,
tegen
[bedrijf 2] H.O.D.N. [gedaagde partij],
gevestigd te [plaats 2] (Portugal),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: dr. [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben met behulp van Fashion Network Portugal (hierna te noemen: FNP) als tussenpersoon op 28 maart 2024 een overeenkomst gesloten voor de productie van onderbroeken, waarbij [gedaagde partij] in opdracht van [eisende partij] 2.000 onderbroeken zou produceren voor een bedrag van € 10.280,00. In deze overeenkomst staat - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
“This agreement is entered into between [gedaagde partij] , FNP, herein referred to as “the Company”, and [bedrijf 1] , herein referred to as “the Client”, effective as of 28th March.

1.Sample Development Process:

1.1
The Company agrees to develop samples for the Client according to the specifications provided by the Client.
1.2
The sample development process includes:
  • Initial consultation to understand the Client’s requirements.
  • Designing and creating the initial sample(s).
  • Presentation of the sample(s) to the Client for evaluation and feedback.
1.3
The Company will make reasonable revisions to the samples bases on the Client’s feedback at no extra cost.
1.4
The Client agrees to provide timely and constructive feedback during the sample development process to ensure satisfactory results.

2.Refunding Sample Cost:

2.1
Once the bulk production order is confirmed by the Client, the Company agrees to refund the total cost of the developments previously paid by the Client.

3.Interpretation and Clarity

3.1
Both parties agree that this agreement represents the entire understanding between the Company and the Client regarding sample development and refunding procedures.
3.2.
Any amendments or modifications to this agreement must be made in writing and signed by both parties.
3.3.
In case of any disputes arising from this agreement, both parties agree to resolve them through good faith negotiations.”
2.2.
[gedaagde partij] heeft een eerste sample (hierna te noemen: voorbeeldexemplaar) verzonden aan [eisende partij] .
2.3.
Met een e-mail van 12 juli 2024 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] gevraagd om een aantal aanpassingen. In deze e-mail staat onder meer de volgende feedback:
The main points are:

Length of the fabric in the crotch area (needs 2.5 cm more)”
2.4.
Vervolgens heeft [gedaagde partij] een tweede voorbeeldexemplaar naar [eisende partij] gestuurd.
2.5.
In een e-mail van 12 september 2024 12:39 uur heeft [eisende partij] zijn opmerkingen over het tweede voorbeeldexemplaar doorgegeven. In dit bericht schrijft [eisende partij] , onder meer, het volgende:
“here you can see that the fabric in the sample looks ugly at the bottom. When I tuck in the fabric a bit, it looks much better and more cleaner shape. Will this also be the end result with your new sample?”
2.6.
[gedaagde partij] heeft in haar e-mail van 13 september 2024 [eisende partij] - voor zover van belang - het volgende bericht:
“The new sample is ready to shipp.
The sample are made with the new shape measures like you ask on the email.”
2.7.
Op 23 september 2024 heeft [eisende partij] het derde voorbeeldexemplaar ontvangen. In een e-mailbericht van dezelfde datum aan [gedaagde partij] schrijft [eisende partij] :
“Now it fits perfectly! So the pattern & fit is approved.”
2.8.
Op 8 januari 2025 heeft [eisende partij] de zending onderbroeken van [gedaagde partij] ontvangen. Op 10 januari 2025 heeft [eisende partij] de zending gecontroleerd.
2.9.
In een e-mail van 10 januari 2025 schrijft [eisende partij] aan FNP - voor zover van belang - het volgende:
“ [naam] didn’t use the measurements from the third sample, which was approved on September 29. Instead, the batch seems to be based entirely on the first sample, with only the waistband width matching the approved sample. As a result, the entire batch has been made with the wrong measurements.”
2.10.
FNP heeft deze e-mail op 10 januari 2025 doorgestuurd naar [gedaagde partij] .

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat -:
I. de overeenkomst te ontbinden en [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van de hoofdsom van € 13.330,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2025;
II. veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 908,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2025
III. veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eisende partij] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eisende partij] heeft van [gedaagde partij] ongeveer 2.000 onderbroeken afgenomen waarvoor [gedaagde partij] aan [eisende partij] van tevoren voorbeeldexemplaren heeft gestuurd. Naar aanleiding van het eerste en tweede voorbeeldexemplaar heeft [eisende partij] [gedaagde partij] voorzien van feedback wat er aan de ontwerpen moest worden veranderd. Na ontvangst van het derde voorbeeldexemplaar heeft [eisende partij] zijn goedkeuring gegeven voor de productie. De ontvangen onderbroeken kwamen echter niet overeen met het derde voorbeeldexemplaar, maar met het eerste voorbeeldexemplaar. De gebruikte maatvoering van de onderbroeken was verkeerd. De onderbroeken vallen te klein uit en sluiten niet aan bij de gebruikelijke maten van mannen. Daardoor is de hele bestelling onverkoopbaar en wenst [eisende partij] de overeenkomst te ontbinden.
3.3.
Naast ontbinding vordert [eisende partij] ook schadevergoeding, bestaande uit de aankoopprijs van € 11.187,24 en de meerkosten van een nieuwe, correcte, productie van onderbroeken. Deze meerkosten van totaal € 2.112,76 bestaan volgens [eisende partij] uit het verschil aan productiekosten van € 1.612,76, nieuwe kosten voor voorbeeldexemplaren van € 150,00 en verzendkosten van € 350,00.
3.4.
[gedaagde partij] voert verweer en stelt dat zij onderbroeken heeft geleverd conform het goedgekeurde derde voorbeeldexemplaar. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eisende partij] is gevestigd dan wel woonachtig in Nederland en [gedaagde partij] is gevestigd in Portugal. Het geschil bevat daarmee internationale aspecten. De kantonrechter moet daarom allereerst beoordelen of hij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Daarnaast dient de kantonrechter vast te stellen naar welk recht hij het geschil tussen partijen dient te beoordelen.
Rechtsmacht
4.2.
Het geschil betreft een burgerlijke en handelszaak van na 10 januari 2015 en valt daarom onder het toepassingsbereik van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I-bis). De onderbroeken zijn op 8 januari 2025 aan [eisende partij] geleverd in Nederland ( [plaats 1] ). Op grond van artikel 7 lid 1 sub b Brussel Pro-bis is de Nederlandse rechter bevoegd om van het geschil kennis te nemen.
4.3.
Gelet op de hoogte van de vordering en de woonplaats van [eisende partij] , is de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie [plaats 1] bevoegd om over het geschil te oordelen.
Toepasselijk recht
4.4.
Het geschil betreft een koopovereenkomst tot levering van roerende zaken (onderbroeken). Op de door partijen gesloten overeenkomst is geen nationaal recht van toepassing verklaard. Partijen zijn professioneel handelende partijen die beiden woonachtig dan wel gevestigd zijn in landen die zijn aangesloten bij het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken van 11 april 1980, oftewel: het Weens Koopverdrag (hierna: het WKV). Dit heeft tot gevolg dat het WKV van toepassing is op het geschil. Dit is alleen anders als partijen (bepalingen van) het WKV hebben uitgesloten. Daarvan is niet gebleken., zodat het WKV het toepasselijke recht is. Onderwerpen die niet zijn geregeld in het WKV worden op grond van artikel 4 lid 1 sub a van Pro de Verordening (EG) 593/2008 (hierna: Rome I) beheerst door Portugees recht, omdat [gedaagde partij] als verkoper haar gewone verblijfplaats in Portugal heeft.
Ontbinding
4.5.
[eisende partij] vordert ontbinding van de koopovereenkomst. Volgens artikel 49 lid 1 sub a WKV Pro is het mogelijk een overeenkomst te ontbinden als sprake is van een wezenlijke tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Het is aan [eisende partij] om te stellen en te onderbouwen dat [gedaagde partij] is tekortgeschoten in de nakoming van een van haar verplichtingen en dat deze tekortkoming wezenlijk is.
4.6.
Niet in geschil is dat een akkoord van [eisende partij] ten aanzien van een voorbeeldexemplaar nodig was, voordat [gedaagde partij] de onderbroeken in productie kon nemen. Evenmin is in geschil dat [eisende partij] zijn akkoord heeft gegeven op het derde voorbeeldexemplaar.
4.7.
[eisende partij] voert aan dat de geleverde onderbroeken niet voldoen aan de maatvoeringen van het goedgekeurde voorbeeldexemplaar nummer drie. Volgens [eisende partij] komen de maten van de geleverde onderbroeken overeen met het afgekeurde eerste voorbeeldexemplaar en was dat exemplaar te klein.
4.8.
[gedaagde partij] is als verkoper verplicht de zaken af te leveren waarvan de hoeveelheid, de kwaliteit en de omschrijving voldoen aan de in de overeenkomst gestelde eisen [1] . De geleverde zaken beantwoorden alleen dan aan de overeenkomst als zij de hoedanigheid bezitten die de verkoper als monster of model aan de koper heeft aangeboden [2] . Daarmee staat vast dat de onderbroeken moeten voldoen aan de maten van het goedgekeurde derde voorbeeldexemplaar. Wat de exacte maatvoeringen moeten zijn van het derde en goedgekeurde voorbeeldexemplaar is niet gesteld. Wel was het eerste voorbeeldexemplaar afgekeurd omdat er aan de voorkant in het ‘kruisgebied’ meer stof bij moest [3] en dus groter moest worden. Op de door [eisende partij] overgelegde foto’s [4] is te zien dat de witte onderbroek (dat is een van de geleverde onderbroeken ná goedkeuring) kleiner is dan de okergele onderbroek (dat is het goedgekeurde derde voorbeeldexemplaar). Dit komt overeen met de stelling van [eisende partij] dat de geleverde onderbroeken te klein zijn.
4.9.
[gedaagde partij] heeft hier enkel tegenin gebracht dat de geleverde onderbroeken wel conform de maten van het derde voorbeeldexemplaar zijn geproduceerd en geleverd. Zij heeft hiertoe een aantal formulieren overgelegd die in het productieproces zouden zijn gebruikt. [gedaagde partij] heeft echter verzuimd duidelijk te maken wat uit deze formulieren op te maken is. Evenmin heeft [gedaagde partij] haar standpunt verder onderbouwd met bijvoorbeeld technische tekeningen van het goedgekeurde derde voorbeeldexemplaar en de geleverde onderbroeken. Als producent van de onderbroeken beschikt zij hier wel over en had het op haar weg gelegen om die te overleggen.
4.10.
Uit het bovenstaande volgt dat [gedaagde partij] er niet in is geslaagd om de stelling van [eisende partij] onderbouwd te betwisten. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.
Is sprake van een wezenlijke tekortkoming?
4.11.
Een volgende vraag is of de tekortkoming ook wezenlijk is. Daarvan is sprake als de tekortkoming leidt tot zodanige schade voor de andere partij, dat haar in aanmerkelijke mate wordt onthouden wat zij uit hoofde van de overeenkomst mag verwachten [5] .
4.12.
De tekortkoming bestaat eruit dat de geleverde onderbroeken een andere, kleinere maatvoering hebben dan door [eisende partij] was goedgekeurd. Doordat de onderbroeken te klein zijn geleverd, komen deze volgens [eisende partij] niet overeen met de geldende maatvoering voor onderbroeken en kan hij geleverde onderbroeken niet verkopen. Dat onderbroeken die niet aan de geldende maatvoering voldoen onverkoopbaar zijn, heeft [gedaagde partij] niet betwist. Daarmee staat vast dat de geleverde onderbroeken te klein zijn geleverd en onverkoopbaar zijn. De conclusie is dat [eisende partij] het recht om de koopovereenkomst te ontbinden omdat sprake is van een wezenlijke tekortkoming van [gedaagde partij] in de nakoming van de koopovereenkomst. De verzochte ontbinding zal worden toegewezen.
Gevolgen ontbinding
4.13.
[eisende partij] vordert naast terugbetaling van de door hem betaalde koopsom van € 11.187,24 ook vergoeding van de schade die door de ontbinding wordt veroorzaakt. Om alsnog correcte onderbroeken te laten produceren, zal [eisende partij] hogere kosten maken door gestegen grondstofprijzen en hogere productiekosten. Voor deze meerkosten vordert [eisende partij] € 2.112,76.
Terugbetalen koopsom
4.14.
Artikel 81 WKV Pro geeft een regeling met betrekking tot de gevolgen van de ontbinding. De ontbinding bevrijdt beide partijen van hun verplichtingen uit de overeenkomst, onverminderd een eventueel verschuldigde schadevergoeding [6] . Een partij die de overeenkomst geheel of ten dele heeft uitgevoerd, kan van de andere partij teruggave eisen van hetgeen zij uit hoofde van de overeenkomst heeft gepresteerd [7] .
4.15.
De ontbinding heeft tot gevolg dat [eisende partij] niet hoeft te betalen voor de geleverde onderbroeken. [eisende partij] heeft betalingsbewijzen overgelegd van het totaal door hem betaalde bedrag van € 11.018,24 [8] . Deze betaling heeft [gedaagde partij] niet (meer) betwist, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.
Schadevergoeding
4.16.
Nu in r.o. 4.12. is overwogen dat de overeenkomst wordt ontbonden wegens een wezenlijke tekortkoming, kan [eisende partij] aanspraak maken op schadevergoeding. De schade die gevorderd kan worden bestaan uit een bedrag gelijk aan de schade, met inbegrip van de gederfde winst, die door de andere partij als gevolg van de tekortkoming wordt geleden [9] . [eisende partij] heeft onderbouwd dat zijn schade bestaat uit het aankoopbedrag en meerkosten doordat grondstofprijzen en productiekosten zijn gestegen. [gedaagde partij] heeft de hoogte van de door [eisende partij] gevorderde schadevergoeding niet betwist, zodat het bedrag van € 2.112,76 zal worden toegewezen.
Wettelijke rente
4.17.
Uit artikel 84 lid 1 WKV Pro volgt dat [gedaagde partij] tevens de rente moet betalen vanaf het tijdstip waarop de prijs werd betaald. [eisende partij] heeft (het laatste deel van) de koopsom betaald op 28 december 2024 [10] , maar vordert de rente vanaf 12 februari 2025.
4.18.
Het WKV regelt niet de hoogte van de te vergoeden rente. Daarvoor moet aangeknoopt worden bij de rentevoet van het land waar [gedaagde partij] als verkoper gevestigd is [11] , in dit geval Portugal. De kantonrechter zal beslissen dat [gedaagde partij] de wettelijke rente als bedoeld in artikel 806 Código Civil jo. artikel 102 Código Comercial jo. Decreto-Lei 62/2013 verschuldigd is vanaf 12 februari 2025 tot de dag van de algehele voldoening.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.19.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze kosten komen op grond van artikel 74 WKV Pro voor vergoeding in aanmerking, maar het WKV bepaalt niets over de samenstelling en hoogte van de te vergoeden kosten. Daarom wordt ook op dit punt aangeknoopt bij het Portugees recht, dat immers aanvullend op de koopovereenkomst tussen partijen van toepassing is [12] .
4.20.
Volgens Decreto-Lei 62/2013 heeft de schuldeiser recht op een minimale vergoeding van € 40,00 als vergoeding voor de administratieve en interne kosten die gepaard gaan met het innen van achterstallige betalingen, bovenop de verschuldigde vertragingsrente, onverminderd het recht van de schuldeiser om een hogere vergoeding te eisen voor bijkomende schade als gevolg van de betalingsachterstand van de schuldenaar of voor de kosten die de schuldeiser heeft gemaakt voor het inschakelen van een advocaat, procureur of deurwaarder. [eisende partij] vordert een bedrag van € 908,00 en stelt dat hij deze kosten heeft gemaakt omdat zijn gemachtigde [gedaagde partij] twee maal heeft aangeschreven. Nu [gedaagde partij] de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke kosten niet heeft betwist en de hoogte daarvan de kantonrechter niet onredelijk voorkomt, wordt het bedrag van € 908,00 toegewezen.
4.21.
De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt naar Portugees recht toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten
4.22.
[gedaagde partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
134,40
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.874,40
4.23.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] gesloten koopovereenkomst,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 13.131,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 806 Código Civil jo. artikel 102 Código Comercial jo. Decreto-Lei 62/2013 vanaf 12 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de buitengerechtelijke incassokosten van € 908,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 806 Código Civil jo. artikel 102 Código Comercial jo. Decreto-Lei 62/2013 vanaf 12 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening,
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.874,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 35 lid 1 WKV Pro.
2.Artikel 35 lid 2 sub c WKV Pro.
3.Zie hiervoor onder 2. 3.
4.Productie 10 bij de dagvaarding.
5.Artikel 25 WKV Pro.
6.Artikel 81 lid 1 WKV Pro.
7.Artikel 81 lid 2 WKV Pro.
8.Productie11.018,24
9.Artikel 74 WKV Pro.
10.Productie 20.
11.Artikel 4 lid 1 sub a Rome Pro I.
12.Artikel 4 lid 1 sub a Rome Pro I.