Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:1990

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
ROE 24/5205
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 19.5.1 bestemmingsplanArt. 43 bestemmingsplanArt. 22.1 OwArt. 4.6 Invoeringswet Ow
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Last onder dwangsom wegens gebruik recreatiechalet anders dan recreatief verblijf

Eiser is eigenaar van een recreatiechalet op een recreatiepark in de gemeente Maasgouw. Verweerder legde op 9 juli 2024 een last onder dwangsom op wegens het gebruik van het chalet anders dan recreatief verblijf, namelijk permanente bewoning door een huurster. Eiser maakte bezwaar tegen deze last, maar dit werd op 19 november 2024 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat de inschrijving van de huurster in de Basisregistratie Personen (BRP) en de controles op 5 december 2023, 14 mei 2024 en 19 juni 2024 voldoende bewijs vormen dat er sprake was van permanente bewoning, wat in strijd is met het bestemmingsplan. Eiser kon niet aantonen dat de huurster zich had uitgeschreven of dat er sprake was van uitsluitend recreatief gebruik.

Verder stelt de rechtbank vast dat eiser als eigenaar en verhuurder van het pand als overtreder kan worden aangemerkt, omdat hij het in zijn macht heeft om het niet-recreatieve gebruik te beëindigen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die handhavend optreden onredelijk maken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de last onder dwangsom wegens gebruik anders dan recreatief verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/5205

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr.drs. P. Wijntje),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Aslan).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door verweerder aan eiser opgelegde last onder dwangsom van 9 juli 2024. Deze last onder dwangsom is opgelegd aan eiser wegens het gebruik anders dan recreatief verblijf in het recreatieverblijf op het park [naam park] aan [adres 1] te [plaats 1] . Eiser is het niet eens met het bestreden besluit van 19 november 2024 waarbij verweerder zijn bezwaar tegen de last onder dwangsom van 9 juli 2024 ongegrond heeft verklaard. Eiser heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser voert daartoe een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit rechtmatig is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. De rechtbank is van oordeel dat de inschrijving in de Basisregistratie Personen (hierna: de BRP) en de controles van 5 december 2023, 14 mei 2024 en 19 juni 2024 voldoende zijn om tot het oordeel te komen dat er sprake was van een overtreding ten tijde van het opleggen van de last. Eiser is terecht als overtreder aangemerkt en verweerder heeft dan ook terecht een last onder dwangsom aan eiser opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens het gebruik anders dan recreatief verblijf in het recreatieverblijf op het park [naam park] aan [adres 1] te [plaats 1] . Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 19 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de last onder dwangsom ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Op 6 januari 2026 heeft de rechtbank nog stukken ontvangen van eiser.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Het toepasselijke recht
2. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (hierna: de Ow) in werking getreden. Die is hier van toepassing. Met de inwerkingtreding van de Ow heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan ‘gemeente Maasgouw’ (het omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. [1] Op het perceel was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Heel-Panheel’ (hierna: het bestemmingsplan) van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Maasgouw.
Totstandkoming bestreden besluit
3. Op het adres [adres 1] te [plaats 1] is een recreatiechalet gelegen (hierna: het pand). Ter plaatse van het pand geldt de enkelbestemming ‘Recreatie – [naam park] ’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – [naam] ’. Eiser is eigenaar en verhuurder van het pand.
4. Verweerder heeft op 5 december 2023 een controle uitgevoerd ter plaatse van het pand. Tijdens deze controle heeft verweerder geconstateerd dat in het pand [huurster] (hierna: huurster) aanwezig was. Huurster heeft tijdens de controle verklaard midden november 2023 in het pand te zijn komen wonen en dat zij nog niet wist hoe lang zij in het pand zou verblijven, afhankelijk van het vinden van woonruimte in Roermond. Verweerder heeft vervolgens op 14 mei 2024 en 19 juni 2024 (her)controles uitgevoerd. Tijdens deze controles is niemand in het pand aangetroffen, maar blijkt volgens verweerder wel uit de foto’s dat het pand nog steeds bewoond was. Gelet op de tijdens deze controles gedane bevindingen heeft verweerder eiser op 9 juli 2024 gelast om de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow en artikel 43 van Pro het bestemmingsplan te beëindigen en beëindigd te houden. Dit op straffe van het verbeuren van een dwangsom ter hoogte van € 6.000,- per constatering met een sub-maximum van € 6.000,- per kalendermaand en een maximum van € 30.000,-. Eiser kan de overtreding volgens verweerder beëindigen door het huisvesten van arbeidsmigranten in [adres 1] te [plaats 1] te staken en gestaakt te houden.
5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard in overeenstemming met het advies van de commissie bezwaarschriften. In dit advies is vermeld dat er strijd is met artikel 19.5.1, onder b, van het bestemmingsplan, waarin is bepaald dat er geen permanente bewoning op het perceel [adres 1] is toegestaan. Dat er sprake is van een overtreding blijkt volgens verweerder uit de controles van 5 december 2023, 14 mei 2024 en 19 juni 2024 en uit de inschrijving in de BRP ten tijde van het opstellen van het verweerschrift in de bezwaarprocedure alsmede ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Tevens blijkt aldus verweerder uit een ontvangen e-mail van burgerzaken van 16 oktober 2024 dat huurster op dat moment nog steeds stond ingeschreven in de BRP. Verder wordt er geen nachtregister bijgehouden, zodat volgens verweerder alles overwegende er sprake is van permanente bewoning, hetgeen in strijd is met het bestemmingsplan.
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit.
7. De rechtbank zal hierna ingaan op hetgeen eiser heeft aangevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is de norm die ten grondslag is gelegd aan de last onder dwangsom?
8. Volgens verweerder heeft eiser in strijd gehandeld met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow en artikel 43 van Pro het bestemmingsplan. De rechtbank stelt vast dat, zoals ook ter zitting door verweerder is bevestigd, deze norm gebruik anders dan recreatief verblijf verbiedt. Permanente bewoning is gebruik anders dan recreatief verblijf.
Is er sprake van een overtreding van de norm?
9. Verweerder is van mening dat er ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom sprake was van een overtreding van de zojuist genoemde norm. Verweerder heeft hiertoe allereerst aangevoerd dat huurster ten tijde van het opleggen van de last stond ingeschreven in de BRP. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat hij dacht dat huurster zich toen al had uitgeschreven in de BRP. Volgens eiser bevestigt een brief van 19 juni 2024 van de gemeente Maasgouw aan huurster dit. Tevens zou huurster volgens eiser zijn ingeschreven op een adres in Polen en blijkt ook uit de mantelzorg die huurster verleent aan haar grootouders in Dinslaken dat huurster enkel recreatief gebruik maakte van het pand. De rechtbank overweegt als volgt.
9.1.
Een inschrijving in de BRP levert in het algemeen een vermoeden op dat de betrokkene zijn of haar hoofdverblijf op het ingeschreven adres heeft. In dit geval stond huurster ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom in de BRP ingeschreven op het adres van het pand. De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser aangehaalde brief van 19 juni 2024 niet kan worden afgeleid dat huurster niet stond ingeschreven in de BRP maar dat de brief juist een aanwijzing bevat dat huurster wel stond ingeschreven in de BRP, omdat in de brief, die aan huurster is gericht, staat ‘U staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres [adres 2] te [plaats 2] ’. Verder heeft eiser geen bewijs overgelegd dat huurster zich op een adres in Polen heeft ingeschreven of dat huurster vanwege de mantelzorg aan haar grootouders in Dinslaken daar stond ingeschreven. De verklaringen van huurster aan eiser leveren geen bewijs op om tot het oordeel te komen dat huurster niet in de BRP stond ingeschreven. Eiser heeft ook geen bewijs van uitschrijving overgelegd.
9.2.
Aanvullend bewijs voor permanente bewoning ziet verweerder in het controlerapport van 5 december 2023. Eiser heeft ter zitting de juistheid van het controlerapport betwist, omdat huurster gebrekkig Engels sprak, en hij betwijfelt of huurster de vragen wel goed heeft begrepen en de toezichthouders het zo hebben geïnterpreteerd als ze wilden horen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op het rapport van 5 december 2023 van de toezichthouders heeft mogen afgaan. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de controle is uitgevoerd door twee toezichthouders en zij bij een gebrekkige communicatie gebruik maken van Google Translate. Daar komt bij dat eiser bijvoorbeeld in zijn beroepschrift juist heeft erkend dat huurster ten tijde van deze controle daar heeft gewoond. Hoewel de foto’s die zijn genomen tijdens de (her)controles van 14 mei 2024 en 19 juni 2024 op zichzelf niet de conclusie kunnen dragen dat sprake is van gebruik anders dan recreatief verblijf, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze wel als ondersteunend bewijs van de overtreding heeft kunnen aanmerken.
9.3.
Volgens eiser levert het feit dat er toeristenbelasting wordt betaald het vermoeden op dat het pand recreatief werd gebruikt. De rechtbank overweegt dat inderdaad toeristenbelasting is verschuldigd op het moment van recreatief gebruik, maar andersom betekent dat naar het oordeel van de rechtbank niet dat indien toeristenbelasting wordt betaald, er dus sprake is van recreatief gebruik. Het door de gemeente in ontvangst nemen van toeristenbelasting staat los van de vraag of sprake is van strijdig gebruik.
9.4.
De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op het voorgaande, sprake is van een overtreding met het volgens het bestemmingsplan beoogde gebruik van het pand, te weten recreatief verblijf. De rechtbank merkt nog op dat het feit dat er een huurovereenkomst is tussen huurster en eiser waarin staat dat het pand enkel voor recreatief verblijf is bedoeld en eiser niet instemt met ander gebruik onvoldoende is om tot een andersluidend oordeel te komen.
Kan eiser als overtreder worden aangemerkt?
10. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan: degene die een overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geldt verder als voorwaarde voor het opleggen van een last onder dwangsom dat de overtreder het in zijn macht moet hebben om aan de illegale situatie een einde te maken. Daarvoor is nodig dat de overtreder juridisch en/of feitelijk in staat moet worden geacht om aan de lastgeving te voldoen.
10.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de norm van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow en artikel 43 van Pro het bestemmingsplan mede is gericht tot eiser als eigenaar van het pand. Eiser is als eigenaar verantwoordelijk om de feitelijke situatie na te gaan en hij heeft het verder in zijn macht om het niet recreatieve gebruik te beëindigen. Eiser kon immers bijvoorbeeld op basis van de huurovereenkomst het niet recreatieve gebruik beëindigen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder eiser terecht als overtreder heeft aangemerkt.
Is handhavend optreden onevenredig?
11. Zoals hiervoor overwogen is sprake van een overtreding waarvoor eiser als overtreder aangemerkt kan worden. Verweerder is in beginsel verplicht om handhavend op te treden tegen de overtreding. Van handhavend optreden kan alleen worden afgezien indien dit onevenredig is, omdat er concreet zicht op legalisatie is of omdat handhavend optreden anderszins onevenredig is. De rechtbank overweegt dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie, omdat verweerder heeft aangegeven niet te willen meewerken aan het legaliseren of gedogen van de overtreding. Eiser stelt dat hij het pand al zes jaar in zijn bezit heeft en nooit door verweerder is gecontroleerd, zodat de indruk is gewekt dat sprake is van een gedoogsituatie. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond van eiser niet kan slagen, omdat verweerder met het niet handhavend optreden van, naar eisers zeggen, zes jaar niet het vertrouwen heeft gewekt dat er niet handhavend zal worden opgetreden tegen het gebruik anders dan recreatief verblijf. Het enkele feit dat verweerder gedurende een bepaalde periode niet heeft gehandhaafd, betekent niet dat het zijn handhavingsbevoegdheid heeft verloren.
Conclusie en gevolgen
12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder aan eiser een last onder dwangsom mocht opleggen om de overtreding te doen beëindigen. Het beroep van eiser is ongegrond. Hij krijgt daarom zijn griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van mr. K.J.M. Thelen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 27 februari 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 27 februari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Ow.