Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:2014

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
11983781 \ CV EXPL 25-5398
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 159 lid 2 RvArt. 15 Verdrag van Lugano 2007Art. 16 Verdrag van Lugano 2007Art. 14 lid 2 Rome I
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling wegens onvoldoende bewijs levering goederen

Alektum Capital II AG vordert betaling van een factuur voor bestelde goederen via een webshop, met bijkomende incassokosten en rente. Gedaagde betwist de ontvangst van de goederen en stelt dat de handtekening op het afleverbewijs niet van hem is. De kantonrechter beoordeelt de bevoegdheid en toepasselijkheid van Nederlands recht op grond van het Verdrag van Lugano 2007 en Rome I-verordening.

De kantonrechter stelt vast dat de handtekening op het afleverbewijs wezenlijk verschilt van die op andere documenten van gedaagde, waardoor niet zonder meer kan worden aangenomen dat het dezelfde ondertekenaar betreft. Gedaagde heeft zijn betwisting voldoende gemotiveerd, waardoor de bewijslast bij Alektum ligt om te bewijzen dat de handtekening van gedaagde is.

Alektum doet slechts een algemeen bewijsaanbod en biedt niet specifiek aan te bewijzen dat de handtekening van gedaagde afkomstig is. Dit aanbod wordt als onvoldoende specifiek beoordeeld en gepasseerd. Daarom is niet komen vast te staan dat de goederen daadwerkelijk aan gedaagde zijn geleverd, en wordt de vordering afgewezen, inclusief de nevenvorderingen. Alektum wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot betaling wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van levering.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11983781 \ CV EXPL 25-5398
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht,
ALEKTUM CAPITAL II AG,
te Zug (Zwitserland),
eisende partij,
hierna te noemen: Alektum,
gemachtigde: Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso,
tegen
[gedaagde partij],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde partij] heeft op 2 november 2020 en 14 november 2020 bestellingen gedaan via de webshop www.wish.com voor een totaalbedrag van € 325,21. Dit bedrag ziet op twee facturen met een betalingstermijn van 14 dagen. [gedaagde partij] heeft gekozen voor de optie om achteraf te betalen aan Klarna. [gedaagde partij] heeft niet betaald. Klarna heeft haar vordering overgedragen aan Alektum.

3.Het geschil

3.1.
Alektum vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van het bedrag van € 395,63 (€ 325,21 voor de bestelling plus € 48,78 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 21,64 aan rente), te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vordering van Alektum.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid, toepasselijk recht
4.1.
Omdat Alektum is gevestigd in Zwitserland en [gedaagde partij] in Nederland woont, heeft deze zaak een internationaal karakter. Dit houdt in dat de kantonrechter ambtshalve de vraag moet beantwoorden of de Nederlandse rechter bevoegd is om deze zaak te behandelen. Nederland en Zwitserland zijn beide partij bij het Verdrag van Lugano 2007. Omdat [gedaagde partij] een consument is en in Nederland woont, is op grond van de artikelen 15 en 16 van het Verdrag van Lugano 2007 de Nederlandse rechter bevoegd.
4.2.
Verder moet beoordeeld worden welk recht van toepassing is. Alektum heeft door middel van de cessie de openstaande vordering uit hoofde van een tussen de webshop Wish en [gedaagde partij] gesloten consumentenovereenkomst overgedragen gekregen van Klarna. Op grond van artikel 14 lid 2 van Pro de in deze zaak toepasselijke verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (“Rome I”) wordt de betrekking tussen Alektum als koper van de vordering en [gedaagde partij] als schuldenaar beheerst door het recht dat op de gecedeerde vordering van toepassing is. Daarom is op grond van artikel 6 lid 1 Rome Pro I Nederlands recht van toepassing.
Wat is gebeurd?
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde partij] een tweetal bestelling heeft gedaan. [gedaagde partij] betwist echter dat hij de producten heeft ontvangen.
Alektum stelt dat de bestelling op het adres van [gedaagde partij] wel is afgeleverd. Alektum heeft een afleverbewijs overgelegd waarop een handtekening voorkomt. [gedaagde partij] stelt echter dat de handtekening op het afleverbewijs niet van hem is.
De inhoudelijke beoordeling
4.4.
Op grond van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op Alektum de bewijslast van haar stelling dat de goederen aan [gedaagde partij] zijn geleverd.
4.5.
[gedaagde partij] betwist de bestelde goederen te hebben ontvangen. Alektum heeft haar stelling dat de bestelling aan [gedaagde partij] is geleverd onderbouwd met het afleverbewijs voorzien van een handtekening die afkomstig zou zijn van [gedaagde partij]. [gedaagde partij] stelt dat de handtekening op het afleverbewijs niet van hem afkomstig is. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij ter vergelijking verschillende documenten (kopie van zijn paspoort en formulier peer-assessment) overgelegd waarop zijn handtekening voorkomt. De kantonrechter stelt vast dat de handtekening op deze documenten er wezenlijk anders uitziet dan de handtekening op het door Alektum overgelegde afleverbewijs. Er kan dus niet zonder meer worden aangenomen dat het om dezelfde ondertekenaar gaat.
4.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde partij] voldoende gemotiveerd betwist dat de handtekening op het afleverbewijs niet van hem afkomstig is. Er is meer dan een blote ontkenning.
4.7.
Gelet daarop brengt de hoofdregel van bewijsrecht in dat geval met zich mee dat het aan Alektum is om te bewijzen dat de betreffende handtekening op het afleverbewijs daadwerkelijk van [gedaagde partij] afkomstig is. Dit staat in artikel 159 lid 2 Rv Pro. Alektum doet echter slechts een algemeen bewijsaanbod maar biedt niet specifiek aan te bewijzen dat de betreffende handtekening van [gedaagde partij] afkomstig is. Het bewijsaanbod is daarom onvoldoende specifiek en zal worden gepasseerd.
Conclusie
4.8.
Alektum heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde partij], onvoldoende bewezen dat de bestelde goederen aan [gedaagde partij] zijn afgeleverd. Nu niet is komen vast te staan dat het bestelde ook is geleverd aan [gedaagde partij], zal de vordering van Alektum worden afgewezen. Daarbij worden ook de nevenvorderingen, waaronder de rente en kosten afgewezen.
De proceskosten
4.9.
Alektum zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde partij] worden begroot op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
veroordeelt Alektum tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde partij] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.