ECLI:NL:RBLIM:2026:2017

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
12011008 \ EZ VERZ 25-501
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Roeffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:10 BWArt. 1:2 BWArt. 4:9 BWArt. 4:193 BWArt. 4:10 lid 1 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot verwerping nalatenschap namens minderjarige en ongeboren kind

Op 27 februari 2026 heeft de Rechtbank Limburg een beschikking gegeven aan ouders die verzoeken om machtiging tot verwerping van de nalatenschap van hun overleden familielid namens hun minderjarige zoon en nog ongeboren kind. De nalatenschap betreft een erflater die niet gehuwd was en geen testament had, met een negatieve nalatenschap door schulden.

De ouders willen het aandeel van hun minderjarige zoon en het ongeboren kind verwerpen omdat de nalatenschap negatief is. De kantonrechter overweegt dat het belang van de minderjarige en het ongeboren kind bij verwerping aanwezig is, mede omdat het ongeboren kind juridisch als reeds geboren wordt aangemerkt indien het belang dit vordert, conform art. 1:2 BW Pro.

De machtiging wordt voorwaardelijk verleend, onder de voorwaarde dat de ouder zelf zijn aandeel verwerpt. De verwerping van de nalatenschap door de minderjarige en het ongeboren kind moet binnen drie maanden na het toekomen van de nalatenschap worden ingeschreven bij de griffie. Voor het ongeboren kind begint deze termijn pas na geboorte. De beschikking benadrukt dat de erfrechtelijke verkrijging pas plaatsvindt bij daadwerkelijke geboorte van het kind.

Uitkomst: Machtiging verleend aan ouders om namens hun minderjarige en ongeboren kind de negatieve nalatenschap te verwerpen onder wettelijke voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer / rekestnummer: 12011008 \ EZ VERZ 25-501
Beschikking van27februari 2026
in de zaak van

1.[de vader] ,

te [plaats 1] ,
2.
[de moeder],
te [plaats 1] ,
verzoekers,
hierna samen te noemen: ouders,
procederend in persoon.
Verzoekers zijn de ouders van de minderjarige:
[de minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift,
- de brief met bijlagen ontvangen op 8 januari 2026
- de mondelinge behandeling van 18 februari 2026
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op [datum 1] 2025 is te [plaats 1] overleden de heer [de erflater] , hierna te noemen erflater. Erflater was geboren te [plaats 2] op [datum 2] 1958 en was laatstelijk woonachtig te [plaats 1] .
2.2.
Erflater was ten tijde van zijn overlijden niet gehuwd en niet geregistreerd als partner. Hij had ook geen testament opgemaakt. Verzoeker sub 1 is één van zijn erfgenamen.

3.Het verzoek

3.1.
Verzoekers vragen een machtiging, zodat zij het aandeel van hun minderjarige zoon [de minderjarige] en hun nog ongeboren kind in de nalatenschap van erflater kunnen verwerpen. Aan dit verzoek leggen zij ten grondslag dat erflater schulden had en verzoeker sub 1 voornemens is zijn eigen aandeel in de nalatenschap te verwerpen.

4.De beoordeling

de machtiging tot verwerping namens [de minderjarige]
4.1.
Uitgangspunt van de wet is dat indien een ouder zijn aandeel in een nalatenschap verwerpt, zijn/haar kind door plaatsvervulling in zijn/haar plaats treedt als erfgenaam (art. 4:10 lid 2 BW Pro). De ouders hebben dan ook belang bij hun verzoek.
4.2.
Bij een verzoek van de ouders om hen een machtiging te verlenen tot verwerping van een nalatenschap namens hun minderjarig kind, is het uitgangspunt dat zo’n verzoek alleen wordt toegewezen als dat in het belang van de minderjarige is. Dat is het geval als het saldo van de nalatenschap negatief is. In casu is een overzicht van de schulden van erflater in het geding gebracht, dat bij het aanvragen van de bewindvoering is opgesteld door de (aspirant-)bewindvoerster. Door het overlijden van de erflater is het instellen van een bewind achterwege gebleven. Uit dit overzicht blijkt dat het saldo van de nalatenschap negatief is. Daarom zal de kantonrechter de verzochte machtiging verlenen ten aanzien
van [de minderjarige] .
de machtiging tot verwerping namens het nog ongeboren kind
4.3.
Zoals hiervoor reeds vermeld is uitgangspunt van de wet dat indien een ouder zijn aandeel in een nalatenschap verwerpt, zijn/haar kind door plaatsvervulling in zijn/haar plaats treedt als erfgenaam. De vraag is of ouders ook belang hebben bij hun verzoek namens hun ongeboren kind. Art. 4:9 BW Pro bepaalt immers dat teneinde als erfgenaam op te kunnen treden, men moet bestaan op het moment dat de nalatenschap openvalt. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt als volgt.
4.4.
Art. 1:2 BW Pro luidt: ‘
Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.’
Een ongeboren kind voldoet in principe niet aan de bestaanseis van art. 4:9 BW Pro. Juridische persoonlijkheid ontstaat immers pas door geboorte van een levend kind, zo leidt de kantonrechter af uit de tweede zin van art. 1:2 BW Pro. Op grond van de eerste zin van dat artikel wordt het kind, waarvan de vrouw zwanger is, evenwel geacht reeds geboren te zijn indien en voor zover zijn belang dit vordert. De kantonrechter overweegt dat uit de literatuur en de jurisprudentie volgt dat het recht van erfgenaamschap altijd in het belang is van het ongeboren kind, omdat het gaat om het verkrijgen van rechten en bevoegdheden. [1] Het gaat daarbij niet om een toevallig voor- of nadeel. [2] Het vereiste van ‘belang’ in art. 1:2 BW Pro brengt namelijk niet mee dat de bepaling alleen toegepast zou mogen worden wanneer het kind daardoor gebaat word, dus niet alleen wanneer de nalatenschap positief is; het wil slechts zeggen dat het kind geacht wordt geboren te zijn, wanneer sprake is van eigen rechten van het kind en niet als sprake is van rechten van derden. [3] Een derde die belang heeft bij de erfopvolging van het ongeboren kind kan dus geen rechten aan de fictie van art. 1:2 BW Pro ontlenen. [4] .
Het belang van het ongeboren kind vordert dus in het geval van erfgenaamschap te allen tijde dat het als reeds geboren wordt aangemerkt.
4.5.
Verder is de kantonrechter van oordeel dat het ongeboren kind van rechtswege erfgenaam wordt, hetgeen het belang van ouders bij hun verzoek ondersteunt. Er is geen actieve handeling van de wettelijk vertegenwoordiger nodig om het ongeboren kind als erfgenaam aan te (laten) merken. De kantonrechter overweegt daartoe dat volgens art. 4:10 lid 1 BW Pro de bloedverwanten, mits sprake is van een familierechtelijke betrekking tot erflater (art. 4:10 lid 3 BW Pro), dadelijk na het overlijden tot de nalatenschap worden geroepen, waaruit volgt dat die bloedverwanten dadelijk na het overlijden van de erflater erfgenaam zijn. Het is dus niet het (al dan niet beneficiar) aanvaarden dat hen tot erfgenaam maakt. Dit is evenzeer toepasselijk op een kind dat na het overlijden van de vader is geboren of ingevolge art. 4:10 lid 2 BW Pro door plaatsvervulling erfgenaam wordt. [5] Een en ander betekent in dit geval dat het ongeboren kind nadat de vader de nalatenschap heeft verworpen door plaatsvervulling erfgenaam wordt en ouders derhalve ook hierom belang hebben bij hun verzoek. De kantonrechter wijst erop dat de erfrechtelijke verkrijging uiteraard pas kan plaatsvinden op het moment dat het kind daadwerkelijk geboren is. [6]
4.6.
Op grond van art. 4:193 BW Pro behoeft de wettelijk vertegenwoordiger een machtiging van de kantonrechter om de nalatenschap namens de erfgenaam te verwerpen. Naar het oordeel van de kantonrechter verzet niets zich ertegen om die machtiging aan te vragen (en te verlenen) voordat het kind geboren is. Maar met het verlenen van de gevraagde machtiging is de nalatenschap nog niet verworpen. Art. 4:193 BW Pro bepaalt hieromtrent dat de wettelijk vertegenwoordiger binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap de erfgenaam toekomt verplicht is een verklaring van verwerping af te leggen. De kantonrechter overweegt dat die termijn niet loopt zolang de erfgenaam niet is geboren [7] , hetgeen betekent dat de verklaring van verwerping ook niet kan worden afgelegd voordat het kind is geboren. De fictie van art. 1:2 BW Pro maakt het immers wel mogelijk om voor het recht het tijdstip van de geboorte te vervroegen, maar om de fictie, althans daar waar het gaat om bescherming van de vermogensrechtelijke aanspraken van de ongeborene, te vervolmaken, moet men wachten totdat het kind levend geboren is. Als het kind dood ter wereld komt dan heeft het voor het recht immers nooit bestaan. Dat de termijn pas begint te lopen op het moment dat het kind is geboren is ook in lijn met het gegeven dat de erfrechtelijke verkrijging pas kan plaatsvinden op het moment dat het kind daadwerkelijk is geboren.
het vervolg
4.7.
De kantonrechter wijst erop dat met het verlenen van de gevraagde machtiging, het aandeel van de minderjarige [de minderjarige] nog niet is verworpen. Daartoe dient nog een verklaring te worden afgelegd [8] ter griffie van de rechtbank van de laatste woonplaats van de overledene. Dit moet plaatsvinden binnen drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop het aandeel in de nalatenschap de minderjarige toekomt, met andere woorden binnen drie maanden nadat verzoeker sub 1 zelf zijn aandeel heeft verworpen [9] . Het afleggen van de verklaring tot verwerping namens de minderjarige kan ook tegelijk plaatsvinden met die verwerping door de ouder zelf. Indien dat samen gebeurt, maakt de griffier één akte daarvan op.
4.8.
Ook ten aanzien van hun nog ongeboren kind dienen verzoekers de verwerping voor eenieder kenbaar te maken. Daartoe dient nog een verklaring te worden afgelegd ter griffie van de rechtbank van de laatste woonplaats van de overledene. Dit moet plaatsvinden binnen drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop het kind daadwerkelijk is geboren. Met inschrijving van de gewenste verklaring dient dus te worden gewacht totdat het kind is geboren en een naam heeft gekregen. Na de geboorte zullen verzoekers zich moeten wenden tot de griffier van de centrale balie bij deze rechtbank om de verwerping namens hun inmiddels geboren kind te doen inschrijven in het boedelregister.
Indien de onder 4.7. genoemde akte reeds is opgemaakt, zal de griffier een afzonderlijke akte opmaken ten aanzien van de verwerping namens het geboren kind.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verleent verzoekers - voorwaardelijk voor het geval verzoeker sub 1 zelf
de nalatenschap verwerpt - machtiging om namens
- de minderjarige
[de minderjarige](geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020
)
en
-
het nog ongeboren kind
de nalatenschap van de heer
[de erflater],
geboren te [plaats 2] op [datum 2] 1958 en overleden te [plaats 1] op [datum 1] 2025,
te verwerpen.
Deze beschikking is gegeven door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.

Voetnoten

1.Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/35
2.Hof ’s-Hertogenbosch, 10 maart 1885, Weekblad van het regt, jrg. 47, no. 5219, 29 november 1885
3.Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/35
4.Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/37
5.Hof ‘s-Hertogenbosch, 10 maart 1885, Weekblad van het regt, jrg. 47, no. 5219, 29 november 1885
6.GS Personen- en familierecht, art. 1:2 BW Pro, aant. 7
7.‘De ongeboren vrucht als persoon’, mr. Ch. Petit, RMThemis 1944, p. 183:
8.Middels een daartoe bestemd formulier te vinden op
9.Middels een daartoe bestemd formulier te vinden op