AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Burengeschil over mandelige scheidsmuur, gevelonderhoud, mesthoop, wadi, camera’s en parkeren caravans
De zaak betreft een burengeschil tussen twee eigenaren van aangrenzende percelen met een mandelige scheidsmuur. De eisende partij vordert onder meer verwijdering van vlechtwerk in het hekwerk, herstel van loslatende gevelvoegen, verwijdering van een mesthoop en herstel van de situatie rondom een wadi, camera’s en parkeerplaatsen voor caravans en campers.
De rechtbank oordeelt dat het aangebrachte vlechtwerk geen wezenlijke aantasting vormt van de mandelige scheidsmuur, maar kan niet beoordelen of het vlechtwerk gevaarzetting oplevert vanwege onvoldoende begrijpelijke technische onderbouwing. Daarom wordt de beslissing hierover aangehouden voor nadere informatie van een deskundige.
De gevel van de gedaagde partij vertoont loslatend voegwerk dat risico op schade aan voertuigen veroorzaakt, waardoor herstel binnen vier maanden wordt bevolen. De mesthoop wordt niet onrechtmatig geacht, omdat geen vergunningplicht of onrechtmatige hinder is aangetoond. De vorderingen over de wadi, camera’s en parkeerafstand worden afgewezen of aangehouden wegens gebrek aan belang of onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank stelt een termijn voor nadere stukken en antwoordakten en houdt verdere beslissingen aan totdat deze zijn ingediend.
Uitkomst: De rechtbank wijst herstel van de gevel toe, wijst mesthoop en andere vorderingen af, en houdt beslissing over het vlechtdoek aan voor nadere informatie.
Uitspraak
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/342408 / HA ZA 25-249
Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van:
[persoon 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. S.J.M. Peters,
tegen:
[persoon 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 2] ,
advocaat: mr. J.J.M. Goumans.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 augustus 2025, - de conclusie van antwoord in reconventie met producties 14 t/m 17 van [persoon 1] ,
- het B8-formulier van [persoon 1] van 10 november 2025 met producties 18 t/m 21,
- het B8-formulier van [persoon 2] van 14 november 2025 met productie (verklaring [persoon 2] ),
- het proces-verbaal van plaatsopneming, bezichtiging en mondelinge behandeling van 20 november 2025,
- de spreekaantekeningen van mr. Peters,
- de berichten van partijen op de rol van 31 december 2025, waarin vonnis wordt gevraagd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De feiten
2.1.
[persoon 1] is eigenaar van de onroerende zaak aan [adres 1] (kadastraal bekend [perceel 1] ). [persoon 1] verhuurt daar onder meer (lang)parkeerplaatsen voor caravans en campers.
2.2.
[persoon 2] is eigenaar van de onroerende zaak aan [adres 2] (kadastraal bekend als [perceel 2] ). [persoon 2] woont op dit adres. Het woonhuis van [persoon 2] en diens perceel grenzen aan het perceel van [persoon 1] .
2.3.
Partijen hebben in overleg een mandelige scheidsmuur op de grens van hun percelen geplaatst. Deze muur is gemaakt van betonnen L-elementen met daarop een Heras-hekwerk. Partijen hebben daarover op 10 december 2019 een beheersregeling getroffen bij de notaris. De akte, waarin de beheersregeling is opgenomen, vermeldt onder meer:
[…]
Deze akte heeft ten doel tussen partijen met betrekking tot het genot, het gebruik en het beheer van de hieronder nader omschreven mandelige scheidsmuur een beheersregeling/reglement van mandeligheid te treffen zoals bedoeld in artikel 3:168 junctoPro 5:69 Burgerlijk Wetboek […].
[…]
A. Omschrijving registergoed
De deelgenoten zijn, gezamenlijk en ieder voor de onverdeelde helft, gerechtigd tot:
De vrijstaande mandelige scheidsmuurbestaande uit betonnen L-elementen met daar bovenop geplaatst Heras Uni-Security draadmathekwerken, welke scheidsmuur is gelegen op de grens tussen de percelen:
kadastraal bekend [perceel 1] , en
kadastraal bekend [perceel 2] ,
hierna te noemen: ‘de mandelige zaak’.
B. Verkrijging
De mandelige zaak werd in gemeenschappelijke mandelige eigendom als bedoeld in artikel 62 vanPro boek 5 van het Burgerlijk Wetboek verkregen door de deelgenoten door de plaatsing van een vrijstaande scheidsmuur van betonnen L-elementen met daar bovenop geplaatst Heras Uni-Security draadmathekwerken, welke scheidsmuur is geplaatst op de grens van de percelen [plaats 2] [perceel 1] en [perceel 2] , welke grens er in de lengterichting onderdoor loopt.
[…]
C. Overeenkomst tot beheer van de mandelige zaak
De deelgenoten stellen de volgende regeling, zoals bedoeld in artikel 3:168 junctoPro 5:69 Burgerlijk Wetboek vast.
Artikel 1
Gebruik mandelige zaak
De mandelige zaak is bestemd om te worden gebruikt als vrijstaande scheidsmuur.
Artikel 2
Verplichtingen en verboden
1. Iedere deelgenoot is verplicht het verrichten van de nodige of noodzakelijke onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan de mandelige zaak toe te laten en daartoe toegang tot zijn erf te geven;
2. De deelgenoten mogen zonder daartoe verkregen schriftelijke toestemming van de overige deelgenoten aan de mandelige zaak geen wijzigingen aan (laten) brengen of werkzaamheden (laten) verrichten, die de bestemming van de mandelige zaak wat betreft het gebruik en/of de inrichting wezenlijk aantasten.
[…]
Artikel 3
Onderhoud, reiniging, herstel of vernieuwing
1. De mandelige zaak wordt op kosten van alle deelgenoten samen onderhouden, gereinigd, hersteld of vernieuwd.
[…]
Artikel 4
Bijdrage in de kosten
Iedere deelgenoot is voor een gedeelte dat overeenkomt met zijn/haar onverdeelde aandeel in de mandelige zaak verplicht bij te dragen in de kosten van beheer, verzekering, bewaking, onderhoud, reiniging, herstel en vernieuwing.
Artikel 5
Beheer
De deelgenoten zorgen samen voor het beheer.
[…]
2.4.
Medio augustus 2021 heeft [persoon 2] een vlechtdoek aangebracht in het Heras-hekwerk.
2.5.
[persoon 2] heeft op zijn perceel een mesthoop aangelegd.
2.6.
[persoon 1] heeft op zijn perceel een wadi aangelegd en heeft op zijn terrein camera’s en een schijnwerper geplaatst.
3.Het geschil
In conventie
3.1.
[persoon 1] vordert bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad:
I. te verklaren voor recht dat [persoon 2] in strijd heeft gehandeld met de beheersregeling, door (vlecht)doek aan te brengen in het Heras-hekwerk, en [persoon 2] te veroordelen om de als gevolg hiervan ontstane schade te herstellen, althans om deze aan [persoon 1] te vergoeden;
II. [persoon 2] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, alle (vlecht)doek te verwijderen uit/van het mandelige Heras-hekwerk en dit verwijderd te houden, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat [persoon 2] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
III. te verklaren voor recht dat [persoon 2] (risico-)aansprakelijk is voor schade die het gevolg is van zijn gebrekkige opstal c.q. zijgevel;
IV. [persoon 2] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, het gevaarzettende karakter van zijn opstal c.q. zijgevel weg te nemen, door deze te (laten) voorzien van nieuw voegwerk, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat [persoon 2] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
V. [persoon 2] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, de illegale mesthoop te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat [persoon 2] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
VI. [persoon 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder salaris advocaat, griffierecht en deurwaarderskosten.
3.2.
[persoon 2] voert verweer.
In reconventie
3.3.
[persoon 2] vordert bij vonnis, uitvoerbaar te verklaren bij voorraad voor zover de
wet zulks toelaat, [persoon 1] te veroordelen om binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis:
de afvoer van de (overloop van de) wadi zodanig te wijzigen dat deze niet afvloeit naar het terrein van [persoon 2] ;
de op zijn terrein geplaatste camera’s en schijnwerper zodanig te herpositioneren of zodanige maatregelen te treffen dat deze geen uitzicht meer kunnen bieden op of uitstralen over het terrein van [persoon 2] ;
afdoende fysieke voorzieningen te treffen dat binnen een afstand van 2,5 meter, gemeten vanaf de zijgevel van het woonhuis van [persoon 2] , geen caravans of campers of andere voertuigen kunnen worden gestald;
met bepaling dat [persoon 1] een dwangsom verbeurt voor iedere dag en iedere keer dat hij aan een van deze veroordelingen sub a, b, of c niet voldoet, zulks tot een maximum van € 10.000,00 voor niet naleving van elk van deze veroordelingen, en met veroordeling van [persoon 1] in de kosten van deze procedure die aan de zijde van [persoon 2] zijn gerezen.
3.4.
[persoon 1] voert verweer.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4.De beoordeling
In conventie
Het vlechtdoek
4.1.
[persoon 1] heeft ter onderbouwing van zijn vorderingen onder I en II gesteld dat [persoon 2] in strijd heeft gehandeld met de beheersregeling door vlechtdoek aan te brengen in de mandelige scheidsmuur. De scheidsmuur is hier niet tegen bestand en vangt hierdoor te veel wind, waardoor bollingen zijn ontstaan. Op bepaalde plekken is het vlechtdoek ook al gescheurd. Indien [persoon 2] dit vlechtdoek laat zitten, levert dat ook een onrechtmatige daad op, omdat het een kwestie van tijd is dat het misgaat en het hekwerk door wind omwaait. Een constructie met vlechtwerk is volgens Heras niet toelaatbaar. Heras mag haar klanten niet een compleet dicht hekwerk aanbieden. [persoon 1] verwijst daarbij naar zijn producties 2 en 3.
4.2.
[persoon 2] heeft hiertegen ingebracht dat hij het vlechtdoek in overleg met [persoon 1] heeft aangebracht om privacyredenen. De bestemming van het hekwerk wordt door het vlechtdoek niet wezenlijk aangetast. Van [persoon 1] heeft hij zelfs de tip gekregen om het vlechtdoek te bestellen bij Amazon, op het moment dat duidelijk werd dat het plaatsen van een volledige stenen muur te duur bleek. Het vlechtdoek zit er nu zes jaar en heeft al behoorlijk wat stormen doorstaan, waarbij op geen enkele manier een vorm van schade is aangericht. Het hekwerk is nauwelijks verbogen. Het door [persoon 1] veronderstelde gevaar van beschadiging van de mandelige zaak heeft zich dus niet voorgedaan, terwijl de in dit kader door [persoon 1] overgelegde productie 3 niet begrijpelijk is.
4.3.
De rechtbank overweegt als volgt.
Beheersregeling
4.3.1.
In de eerste plaats moet beoordeeld worden of het door [persoon 2] aangebrachte vlechtdoek in de mandelige scheidsmuur in strijd is met de door partijen afgesproken beheersregeling (zie hiervoor onder 2.3). Artikel 2, lid 2, van de beheersregeling bepaalt dat de deelgenoten, zonder daartoe verkregen schriftelijke toestemming van de overige deelgenoten, aan de mandelige zaak geen wijzigingen mogen aan (laten) brengen of werkzaamheden (laten) verrichten, die de bestemming van de mandelige zaak wat betreft het gebruik en/of de inrichting wezenlijk aantasten. De rechtbank is van oordeel dat [persoon 2] met het aanbrengen van het vlechtdoek geen wezenlijke aantasting in het gebruik en/of de inrichting van de mandelige zaak heeft teweeggebracht. De mandelige zaak functioneert nog steeds als vrijstaande (mandelige) scheidsmuur zoals genoemd in artikel 1 vanPro de beheersregeling; daar is niets aan veranderd. Op basis van deze stelling van [persoon 1] zijn de vorderingen onder I en II dus niet toewijsbaar.
Onrechtmatige daad
4.3.2.
De rechtbank kan op dit moment niet beoordelen er sprake is van een zodanige gevaarzettende situatie door de aanwezigheid van het vlechtdoek dat schade zou kunnen ontstaan, doordat de mandelige muur op enig moment (deels) zou kunnen omwaaien bij een stevige wind of storm. De rechtbank heeft daarvoor meer informatie nodig. [persoon 1] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat het vlechtdoek qua constructie niet voldoet, onder meer verwezen naar productie 3 bij dagvaarding. Volgens hem betreft deze productie een berekening van Heras. [persoon 2] heeft aangevoerd dat hij deze productie niet begrijpt. De rechtbank kan aan de hand van dit stuk niet zien of dit stuk afkomstig is van Heras, terwijl de informatie in dit stuk niet eenvoudig te begrijpen is. De rechtbank zal daarom [persoon 1] in de gelegenheid stellen om bij akte nadere informatie van Heras in het geding te brengen, waaruit blijkt dat de berekening onder productie 3 bij dagvaarding afkomstig is van Heras én een in lekentaal opgestelde vertaling hoe deze berekening moet worden gelezen. [persoon 2] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om hierop bij antwoordakte te reageren.
4.4.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, in afwachting van de te nemen aktes, de beslissing ten aanzien van de vorderingen in conventie onder I en II aanhouden.
De gevel
4.5.
[persoon 1] heeft ter onderbouwing van zijn vorderingen onder III en IV onder meer gesteld dat de gevel van [persoon 2] , die grenst aan zijn terrein, gebrekkig is. Er valt cementvoeg uit de gevel van het pand van [persoon 2] , hetgeen schade kan veroorzaken aan de langs de gevel geparkeerde campers en caravans.
4.6.
[persoon 2] is van mening dat de zijgevel van zijn opstal, die grenst aan het terrein van [persoon 1] , voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. De gevel is goed onderhouden en er is geen noodzaak om op korte termijn voegwerk te vernieuwen. [persoon 2] biedt aan om dit door een door de rechtbank te bevelen deskundigenbericht te bewijzen.
4.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de plaatsopneming is geconstateerd dat de voegen in de gevel op meerdere plaatsen loszitten en gemakkelijk met de vinger kunnen worden verwijderd. Ook is gezien dat voegwerk op de grond en op de daarnaast geparkeerde campers/caravans ligt. Gelet hierop is de gevel op dit moment niet in orde. Loszittend voegwerk zorgt voor een risico op beschadiging van voertuigen. Dit voegwerk dient daarom door [persoon 2] te worden hersteld. Voor die conclusie is geen deskundigenonderzoek nodig.
4.8.
De rechtbank zal de onder III gevorderde verklaring voor recht afwijzen, omdat [persoon 1] daar geen belang bij heeft. Aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van een gebrekkige opstal volgt immers reeds uit de wet (artikel 6:174 BWPro), terwijl [persoon 1] niet heeft gesteld dat er reeds daadwerkelijk schade is geleden als gevolg van de gebrekkige gevel (en hij dientengevolge een vordering met betrekking tot een beschadigde camper of caravan heeft moeten vergoeden aan de eigenaar).
4.9.
De vordering onder IV is gelet op het voorgaande bij eindvonnis wel toewijsbaar. Het ligt op de weg van [persoon 2] om een professional naar het voegwerk te laten kijken, zodat deze kan beoordelen welke voegen in de gevel moeten worden hersteld. [persoon 2] dient zo snel mogelijk de gevel te laten herstellen waar dat nodig is. De gevorderde termijn van twee weken acht de rechtbank niet haalbaar, omdat het vinden van een professional binnen de door [persoon 1] gestelde termijn niet haalbaar lijkt. De rechtbank zal daarom een termijn hanteren van maximaal vier maanden na eindvonnis. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd, zoals in het dictum van het eindvonnis zal worden bepaald.
De mesthoop
4.10.
Ter onderbouwing van zijn vordering onder V heeft [persoon 1] gesteld dat [persoon 2] een mesthoop zonder beschermende ondergrond heeft aangelegd in zijn achtertuin, die niet is vergund, hetgeen wel had moeten gebeuren, en die onrechtmatige hinder/overlast veroorzaakt in de vorm van stank en strontvliegen.
4.11.
[persoon 2] heeft hiertegen aangevoerd dat hij nooit klachten van omwonenden heeft gehad over stankoverlast. [persoon 2] heeft een dagopvang voor honden en houdt hobbymatig drie pony’s. Er worden geen bedrijfsmatige fokactiviteiten ontplooid, waardoor [persoon 2] geen omgevingsvergunning nodig heeft voor een mesthoop. Het hebben van deze mesthoop op eigen terrein is niet onrechtmatig jegens [persoon 1] . Bij een controlebezoek door de afdeling Handhaving van de gemeente zijn geen opmerkingen gemaakt over de mesthoop.
4.12.
De rechtbank is van oordeel dat [persoon 1] , gelet op het verweer van [persoon 2] , niet heeft aangetoond dat [persoon 2] voor het hebben van de mesthoop een vergunning nodig heeft. Bovendien heeft [persoon 1] niet met feiten en omstandigheden onderbouwd dat sprake is van onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 BWPro. Buren hebben enige overlast, bijvoorbeeld door geuren of stank, van elkaar te dulden, maar dat betekent nog niet dat dit altijd onrechtmatig is. De vordering van [persoon 1] onder V zal dan ook worden afgewezen.
In reconventie
De wadi
4.13.
[persoon 2] heeft ter onderbouwing van zijn vordering in reconventie onder a. gesteld dat [persoon 1] op zijn terrein een wadi heeft gebouwd, waarvan de overloop afwatert op het perceel (‘[naam perceel]’) dat eigendom is van [persoon 2] . [persoon 2] heeft [persoon 1] eerder verzocht om die overloop te wijzigen, zodat die niet meer afvloeit op [naam perceel], omdat dit anders te nat wordt om te gebruiken.
4.14.
[persoon 1] heeft betwist dat uit de afvoer, die op het perceel van [persoon 2] zou kunnen afwateren, ooit water is gekomen. Bovendien is de afvoer op deze wijze vergund, zodat die niet zomaar weggehaald kan worden.
4.15.
De rechtbank overweegt dat [persoon 2] tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend dat hij geen last heeft van de wadi en er nog nooit water door de afvoerbuis op zijn perceel is gekomen vanuit het perceel van [persoon 1] . Enkel de angst bij [persoon 2] dat dit ooit zou kunnen gebeuren, is onvoldoende om met recht te kunnen vorderen dat de afvoer moet worden gewijzigd. Bovendien heeft [persoon 2] niet betwist dat de afvoer niet zomaar kan worden verwijderd, omdat het op deze manier is vergund aan [persoon 1] . De reconventionele vordering onder a. zal derhalve worden afgewezen.
De camera’s en de schijnwerper
4.16.
[persoon 2] heeft ter onderbouwing van zijn vordering in reconventie onder b. gesteld dat [persoon 1] op zijn terrein een aantal camera’s heeft geplaatst. Tot voor kort stond er een camera op een hoge mast, maar op 14 juli 2025 heeft [persoon 1] bij de toegangspoort een tweede camera op een hoge mast geplaatst en voor zover [persoon 2] kan nagaan, zijn er nu 27 camera’s actief op het terrein van [persoon 1] . Die camera’s, zeker die op een hoge mast zijn geplaatst, zien uit op het terrein van [persoon 2] en kunnen tot in diens woonkeuken en op het terras kijken. [persoon 2] ervaart deze camera’s als inbreuk makend op zijn privacy. Verder heeft [persoon 1] een schijnwerper laten plaatsen die waarschijnlijk op afstand kan worden aangestuurd en ook bij beweging wordt geactiveerd. Deze schijnt op het terrein van [persoon 2] en werkt verblindend, aldus [persoon 2] .
4.17.
[persoon 1] heeft aangevoerd dat hij er recht en belang bij heeft om zijn terrein met camera's te bewaken. Hij betwist dat hij het perceel of huis van [persoon 2] filmt. Onder overlegging van foto’s van de monitor is te zien dat het perceel/huis van [persoon 2] zwart wordt afgeblokt. Verder wordt [persoon 2] niet door de schijnwerper verblind, terwijl [persoon 2] niet heeft gesteld dat hem dit onrechtmatige hinder oplevert.
4.18.
De rechtbank is van oordeel dat deze vordering van [persoon 2] moet worden afgewezen, omdat hij daar geen belang meer bij heeft. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [persoon 2] last heeft van maar één camera, terwijl die camera inmiddels is aangepast en niet meer opneemt of reageert bij beweging. [persoon 2] heeft bovendien niet betwist dat zijn terrein wordt afgeblokt (‘privacy mask’). Daarnaast heeft [persoon 2] erkend dat de schijnwerper ook is aangepast en nu korter brandt. Van de lichtstraal die overblijft, heeft [persoon 2] naar eigen zeggen enigszins last als hij achter in de tuin is en de honden uitlaat. Dit is echter incidenteel en levert geen onrechtmatige hinder op.
Het verbod om binnen 2,5 meter van de zijgevel te parkeren
4.19.
[persoon 2] heeft ter onderbouwing van zijn vordering onder c. gesteld dat hij wenst dat [persoon 1] ervoor zorgt dat caravans en campers op veilige afstand van de zijgevel van zijn woning worden geparkeerd, zodat er niet per ongeluk bij het manoeuvreren tegen de gevel van zijn woning wordt gereden. Als veilige afstand beschouwt [persoon 2] een
afstand van 2,5 meter.
4.20.
[persoon 1] heeft aangevoerd dat vanwege gebrek aan een grondslag en aan voldoende belang en vanwege schending van de stelplicht deze vordering moet worden afgewezen.
4.21.
De rechtbank is van oordeel dat deze vordering niet toewijsbaar is. Uitsluitend de bij [persoon 2] aanwezige angst dat mogelijk ooit schade aan zijn zijgevel zou kunnen ontstaan, is onvoldoende grond voor het honoreren van de vordering.
In conventie en in reconventie
4.22.
In afwachting van de nadere aktewisseling in conventie zal de rechtbank iedere verdere beslissing in conventie en in reconventie aanhouden.
5.De beslissing
De rechtbank:
in conventie
5.1.
bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van woensdag 25 maart 2026voor het nemen van een akte door [persoon 1] over wat is vermeld onder 4.3.2., waarna [persoon 2] op de rol van twee weken daarna ( 8 april 2026) een antwoordakte kan nemen,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.