ECLI:NL:RBLIM:2026:2034

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/03/334930 / HA ZA 24-441
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 143 RvArt. 147 RvArt. 150 RvArt. 6:58 BWArt. 6:265 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over gebreken en ontbinding aannemingsovereenkomst dakrenovatie

De zaak betreft een geschil tussen opdrachtgever en aannemer over gebreken aan een dakrenovatie van een beschermde monumentwoning. De opdrachtgever vordert ontbinding van de aannemingsovereenkomst en schadevergoeding wegens tekortkomingen in de uitvoering.

De aannemer is in eerste aanleg verstekelijk veroordeeld, waarna hij verzet instelde. De rechtbank beoordeelt de gestelde gebreken, waaronder gespleten hout, dakgootrenovatie, onafgerond schilderwerk, afwerking ramen en kozijnen, en gebrekkige plaatsing van boeidelen. Een deel van de gebreken is hersteld, andere worden erkend als tekortkomingen.

De rechtbank oordeelt dat de opdrachtgever als schuldeiser in verzuim is geraakt door het niet tijdig aanvragen van de omgevingsvergunning, waardoor bepaalde werkzaamheden niet konden worden uitgevoerd. De ontbinding van de gehele overeenkomst wordt afgewezen vanwege de geringe omvang van de tekortkomingen, maar partiële ontbinding wordt niet uitgesloten. De aannemer krijgt een bewijsopdracht over een geschilpunt betreffende de afwerking van de dakkapel.

Uitkomst: De rechtbank wijst ontbinding van de gehele overeenkomst af, erkent enkele tekortkomingen, geeft bewijsopdracht en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/334930 / HA ZA 24-441
Vonnis in verzet van 4 maart 2026
in de zaak van
[opdrachtnemer]h.o.d.n.
[bedrijf 1] ,
wonende te [plaats] ,
opposant in verzet,
gedaagde,
hierna te noemen: [opdrachtnemer] ,
advocaat: mr. J.E.A. Hendrix,
tegen
[opdrachtgever],
wonende te [plaats] ,
geopposeerde in verzet,
eiseres,
hierna te noemen: [opdrachtgever] ,
advocaat: mr. M. De Jong.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [opdrachtgever] van 19 juni 2024 in de zaak C/03/332457/HA ZA 24-310 met producties 1 tot en met 3,
- het verstekvonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 31 juli 2024 in de voornoemde zaak (hierna: het verstekvonnis),
- de verzetdagvaarding van [opdrachtnemer] van 6 september 2024 met producties 1 tot en met 7,
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het B3-formulier indienen van processtukken van [opdrachtgever] van 11 juni 2025 waarbij de aanvullende producties 4 tot en met 23 zijn overgelegd,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 juni 2025,
- de aanvullende productie van [opdrachtnemer] , houdende het betekeningsexploot van het verstekvonnis, ingekomen op 8 juli 2025 voor de rol van 16 juli 2025,
- de akte wijziging van eis van [opdrachtgever] van 16 juli 2025 met producties 24 en 25,
- de antwoordakte van [opdrachtnemer] van 13 augustus 2025 met productie 8,
- het B2-formulier van 22 augustus 2025, waarbij de advocaat van [opdrachtgever] is gewijzigd van mr. Jongeling naar mr. De Jong.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[opdrachtgever] heeft ingestemd met de door [opdrachtnemer] op 19 juli 2022 uitgebrachte offerte ten bedrage van € 41.000,00 inzake de renovatie van het dak van haar woning. Daarmee is tussen partijen een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. In de offerte zijn de overeengekomen werkzaamheden als volgt omschreven:
“(…)
Omschrijving werkzaamheden
Renoveren en verduurzamen
Van het dak aan straatkant
  • Steigerbouw
  • Oud dak verwijderen + afvoeren
  • Nieuw dak plaatsen + materiaal
  • Pannen, hout, lood, deltaven, etc.
  • Isoleren minimale Rd-waarde 5.8
  • Zinkwerk
  • Restauratie werk ramen/kozijnen
  • Boeidelen restauratie
  • Schilderwerk
  • Boeidelen achterzijde vernieuwen (plat dak)
  • Boeidelen achterzijgevel vernieuwen
  • Zijgevel renoveren (uitkappen, voegen, impregneren)
  • Schoorstenen renoveren + lood plaatsen
Alles zoals besproken
10 jaar garantie
(…)”
2.2.
De aanneemsom is door [opdrachtnemer] bij [opdrachtgever] in rekening gebracht door middel van drie afzonderlijke facturen. Op 18 augustus 2022 heeft [opdrachtnemer] een factuur gestuurd ten bedrage van € 20.500,-, op 9 september 2022 een factuur ten bedrage van € 10.250,- en tenslotte op 25 november 2022 een factuur ten bedrage van € 10.250,-. De drie voornoemde facturen zijn volledig voldaan door [opdrachtgever] .
2.3.
In september 2022 is [opdrachtnemer] begonnen met de renovatiewerkzaamheden aan het dak. Deze werkzaamheden werden in november 2022 door de gemeente Maastricht stilgelegd omdat de benodigde omgevingsvergunning ontbrak. De woning van [opdrachtgever] kwalificeert als een beschermd monument.
2.4.
[opdrachtgever] heeft de benodigde omgevingsvergunning op 16 december 2022 alsnog aangevraagd bij de gemeente. De vergunning is op 24 februari 2023 verleend. [opdrachtnemer] heeft de werkzaamheden hierna niet meer hervat, ondanks herhaaldelijk verzoek van [opdrachtgever] daartoe.
2.5.
Op verzoek van [opdrachtgever] heeft de gemeentelijke Monumentenzorg het reeds uitgevoerde werk geïnspecteerd en een rapport opgesteld met haar bevindingen. In dit rapport is – voor zover van belang – het volgende opgenomen [1] :
“(…)
G
Aan de zuidelijke zijgevel werd een origineel boeiboord vernieuwd. De daadwerkelijke detaillering van de originele opzet kon door ondergetekende niet meer achterhaald worden. De verwachting is daarentegen wel dat dit een houten beplanking betrof met een gelijke profilering als de bakgoot aan de voorzijde. Nu is hier een houten plaat, van vermoedelijk multiplex, voor in de plaats gekomen. Naast dat de breedtemaat te groot is gedimensioneerd, waardoor deze over de balkankers is aangebracht, zijn de aansluitingen ter hoogte van schoorsteen en bakgoot niet zoals deze vanuit historisch perfectief uitgevoerd zouden moeten worden. De bovenplank van het boeiboord lijkt bovendien onder de lijn van de bakgoot ‘door te schieten’ waardoor de waterdichtheid hiervan ten zeerste betwijfeld wordt.
(…)”

3.Het geschil

in de oorspronkelijke hoofdzaak
3.1.
[opdrachtgever] heeft in de oorspronkelijke hoofdzaak gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht zal verklaren dat de overeenkomst van aanneming van werk tussen [opdrachtgever] en [opdrachtnemer] rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden, althans deze overeenkomst bij vonnis zal ontbinden,
[opdrachtnemer] zal veroordelen om aan [opdrachtgever] te betalen een bedrag van € 41.000,- ten titel van ongedaanmakingsverbintenis als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen door [opdrachtnemer] ,
[opdrachtnemer] zal veroordelen om aan [opdrachtgever] te betalen een bedrag van € 1.285,- ten titel van buitengerechtelijke kosten,
[opdrachtnemer] zal veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen het salaris van de advocaat en de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en indien voldoening binnen die termijn uitblijft te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
3.2.
Bij voormeld verstekvonnis zijn de vorderingen van [opdrachtgever] toegewezen en is [opdrachtnemer] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [opdrachtgever] tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 2.857,84.
in deze verzetprocedure
3.3.
[opdrachtnemer] is in verzet gekomen en vordert thans dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • hem zal ontheffen van de veroordeling tegen hem uitgesproken bij vonnis, gewezen door de Rechtbank Limburg locatie Maastricht op 31 juli 2024 tussen [opdrachtgever] als eiser en [opdrachtnemer] als gedaagde,
  • met afwijzing van de vorderingen van [opdrachtgever] wegens niet bewezen, dan wel ongegrond,
  • onder gelijktijdige veroordeling van [opdrachtgever] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Bij akte wijziging van eis heeft [opdrachtgever] vervolgens haar eis gewijzigd aldus dat zij thans vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
voor recht zal verklaren dat de overeenkomst van aanneming van werk tussen [opdrachtgever] en [opdrachtnemer] rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden, althans deze overeenkomst bij vonnis zal ontbinden,
[opdrachtnemer] zal veroordelen om aan [opdrachtgever] te betalen een bedrag van € 41.000,- ten titel van ongedaanmakingsverbintenis als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen door [opdrachtnemer] ,
Subsidiair
3. de overeenkomst van aanneming van werk tussen [opdrachtgever] en [opdrachtnemer] bij vonnis partieel zal ontbinden,
4. [opdrachtnemer] zal veroordelen om aan [opdrachtgever] te betalen een bedrag van € 34.696,- ten titel van ongedaanmakingsverbintenis als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen door [opdrachtnemer] , dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag,
In alle gevallen
5. [opdrachtnemer] zal veroordelen om aan [opdrachtgever] te betalen een bedrag van € 1.285,- ten titel van buitengerechtelijke kosten,
6. [opdrachtnemer] zal veroordelen om aan [opdrachtgever] te betalen een bedrag van € 3.0255,- (de rechtbank begrijpt uit de akte € 3.025,-),
7. [opdrachtnemer] zal veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen het salaris van de advocaat en de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en indien voldoening binnen die termijn uitblijft te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in verzet
4.1.
Een partij die bij verstek is veroordeeld, kan tegen het verstekvonnis in verzet gaan binnen vier weken nadat: 1) het vonnis, of een uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte, in persoon aan de veroordeelde is betekend, of 2) de veroordeelde een daad heeft gepleegd waaruit blijkt dat hij bekend is met de hoofdinhoud van het vonnis. [2]
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [opdrachtnemer] verklaard dat [opdrachtnemer] bekend is geworden met het verstekvonnis door betekening. Ter onderbouwing hiervan heeft mr. Hendrix op 16 juli 2025 het exploot van betekening van het verstekvonnis overgelegd. Daaruit volgt dat het verstekvonnis op 20 augustus 2024 in een gesloten envelop is achtergelaten op het adres van [opdrachtnemer] . Het verstekvonnis is dus niet in persoon betekend. Dat betekent dat moet worden beoordeeld wanneer er een daad van bekendheid van [opdrachtnemer] is geweest. Nu [opdrachtnemer] hierover verder niets heeft aangevoerd en tussen partijen geen discussie bestaat over de tijdigheid van het verzet, neemt de rechtbank aan dat deze daad van bekendheid volgt uit het uitbrengen van de verzetdagvaarding op 6 september 2024. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [opdrachtnemer] tijdig verzet heeft ingesteld.
4.3.
Op grond van artikel 147 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt de instantie heropend en geldt het exploot van verzet als conclusie van antwoord.
in de hoofdzaak
4.4.
[opdrachtgever] stelt dat de door [opdrachtnemer] uitgevoerde renovatiewerkzaamheden niet zijn opgeleverd en tevens gebrekkig zijn, in die zin dat het werk niet overeenkomstig de eisen van goed en deugdelijk werk is uitgevoerd. Ter zitting heeft [opdrachtgever] verduidelijkt dat zij niet langer het standpunt handhaaft dat sprake is van gebreken, omdat het gerealiseerde werk niet aan de omgevingsvergunning voldoet, met uitzondering van het gestelde gebrek betreffende de windveer aan de achterzijde van de woning.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat ter zitting ook duidelijk is geworden dat [opdrachtnemer] bepaalde in de dagvaarding genoemde gebreken inmiddels heeft hersteld. Zo is het probleem bij de aansluiting van het dak op de riolering verholpen en heeft [opdrachtnemer] de door de steiger ontstane wateroverlast aan de woning opgelost. Aangezien partijen het erover eens zijn dat deze gebreken zijn verholpen, kunnen deze punten niet (meer) als gebreken worden aangemerkt. Tijdens de mondelinge behandeling zijn daarnaast twee nieuwe gebreken opgeworpen door [opdrachtgever] , namelijk (1) dat bij het plaatsen van leisteen op de buitenzijde van de dakkapel nagels door de dakkapel heen zijn geslagen, waardoor deze zichtbaar zijn aan de binnenkant en (2) dat het schilderwerk niet is afgerond. De daarmee in totaal zes gestelde gebreken zullen hierna achtereenvolgens worden beoordeeld.
Voor zover [opdrachtgever] heeft bedoeld bij akte wijziging van eis nog nadere gebreken aan te voeren gaat de rechtbank daaraan voorbij wegens strijd met de goede procesorde. In de eerste plaats zag de toegestane wijziging van eis enkel op de mogelijkheid dat [opdrachtgever] , op grond van de reeds gestelde gebreken, in staat werd gesteld ook een vordering tot partiële ontbinding in te stellen. Nieuwe gebreken zijn in dat verband niet genoemd. Daarnaast zijn de aanvullende gebreken op een te laat moment in de procedure naar voren gebracht: niet is gebleken van enige reden is waarom deze niet op een eerder moment in de procedure naar voren hadden kunnen worden gebracht.
Is [opdrachtnemer] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst?
4.6.
De vorderingen van [opdrachtnemer] zien op de (partiële) ontbinding van de aannemingsovereenkomst op grond van tekortkomingen in de nakoming door [opdrachtnemer] . Hierna zullen allereerst de gestelde tekortkomingen worden beoordeeld. Daarna zal de gestelde ontbinding van de aannemingsovereenkomst worden beoordeeld.
1.
Het gespleten hout
4.6.1.
Allereerst stelt [opdrachtgever] dat het door [opdrachtnemer] op het dak aangebrachte hout is gespleten. Ter zitting heeft [opdrachtnemer] dit gemotiveerd betwist. Hij heeft aangevoerd dat het hout weliswaar eerder gespleten was, maar dat heeft hij inmiddels hersteld. Daarnaast heeft hij verklaard dat mogelijke resterende oneffenheden niet meer zichtbaar zullen zijn zodra het hout door de schilder is afgeschilderd. Het hout staat nu enkel nog in de grondverf, aldus [opdrachtnemer] .
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [opdrachtgever] onvoldoende onderbouwd waarom de uitgevoerde herstelwerkzaamheden aan het hout ondeugdelijk zouden zijn. Het had, gelet op de gemotiveerde betwisting door [opdrachtnemer] , op haar weg gelegen om haar standpunt met stukken te onderbouwen. Dat het houtwerk nog steeds gebrekkig zou zijn – en daarmee dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst – is aldus niet komen vast te staan.
2.
Dakgoot voorzijde woning
4.7.1.
Het tweede gebrek volgens [opdrachtgever] betreft de ondeugdelijke renovatie van de dakgoot aan de voorzijde van de woning. Hiertoe stelt zij dat [opdrachtnemer] bitumen heeft aangebracht in de dakgoot in plaats van lood, zoals volgens [opdrachtgever] was overeengekomen. Dit is niet deugdelijk volgens [opdrachtgever] .
[opdrachtnemer] voert aan dat het werk aan de dakgoot deugdelijk is uitgevoerd. Hij betwist dat is overeengekomen dat lood zou worden gebruikt; dat is tegenwoordig ongebruikelijk, normaliter gebruikt men zink of bitumen, aldus [opdrachtnemer] . Bitumen is volgens hem een geschikt materiaal om te gebruiken in een dakgoot, vooral bij een oud huis waarbij niet alles waterpas is. Daarnaast heeft hij ter mondelinge behandeling betwist dat de dakgootrenovatie tot zijn opdracht behoorde. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de dakgoot is gerenoveerd door [naam 1] van [bedrijf 2] in opdracht van [opdrachtgever] .
4.7.2.
De rechtbank constateert dat [opdrachtgever] haar standpunt dat sprake is van een tekortkoming met betrekking tot de dakgootrenovatie bij dagvaarding heeft gegrond op de enkele (blote) stelling dat was overeengekomen dat de dakgootrenovatie met loodbekleding zou plaatsvinden. Op de gemotiveerde betwisting daarvan door [opdrachtnemer] heeft [opdrachtgever] niet gereageerd. Wel heeft zij ter zitting (opnieuw zonder nadere motivering) aangevoerd dat bitumen vaak een tijdelijke oplossing is voor problematiek aan een dakgoot, terwijl lood of zink langdurigere oplossingen vormen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [opdrachtgever] hiermee niet voldaan aan haar stelplicht: gelet op de gemotiveerde stellingen van [opdrachtnemer] met betrekking tot de tussen partijen gemaakte afspraken en de reden waarom volgens hem bitumen in dit geval geschikter was dan zink had het op de weg van [opdrachtgever] gelegen feiten of omstandigheden aan te voeren ter onderbouwing van haar (blote) stellingen. Nu zij dit heeft nagelaten komt de rechtbank niet toe aan bewijslevering op dit punt. Gelet daarop kan in het midden blijven of de opdracht tot dakgootrenovatie aan [opdrachtnemer] is verleend en of het verweer van [opdrachtnemer] dienaangaande tijdig naar voren is gebracht.
3.
Het schilderwerk
4.7.3.
Verder stelt [opdrachtgever] dat het schilderwerk niet is afgerond, terwijl dit wel tot de opdracht behoort. Aangezien dit tijdens de mondelinge behandeling is erkend door [opdrachtnemer] , zal de rechtbank dit als tekortkoming aanmerken. Aan de stelling van [opdrachtnemer] bij antwoordakte (na de mondelinge behandeling) dat het schilderwerk niet is afgerond omdat [opdrachtgever] de schilder naar huis zond, gaat de rechtbank voorbij, nu deze stelling niet nader is gemotiveerd en daaraan geen rechtsgevolg is verbonden.
4.
De afwerking van de ramen en kozijnen
4.7.4.
[opdrachtgever] heeft verder onbetwist gesteld dat de ramen en kozijnen niet zijn afgewerkt. De scharnieren zitten niet goed en er zit een grote kier onder de ramen, aldus [opdrachtgever] .
Ter zitting heeft [opdrachtnemer] hierover verklaard dat hij deze werkzaamheden kan en zal afronden zodra het schilderwerk is afgerond, maar voordien kan hij niet starten met de afwerking. Hiermee heeft [opdrachtnemer] erkend dat deze werkzaamheden nog niet zijn uitgevoerd en daarom kan dit ook worden aangemerkt als een tekortkoming.
5.
Boeiboord/windveer achterzijde woning
4.7.5.
[opdrachtgever] stelt dat een deel van de boeidelen aan de achterzijde van haar woning nog niet zijn geplaatst. Het hout dat reeds als onderlaag voor de boeidelen is aangebracht, is gaan rotten en naar beneden gevallen op het dak van de buurvrouw. [3] Het is de wens van [opdrachtgever] dat [opdrachtnemer] voor de afwerking het door Monumentenzorg voorgeschreven duurzame hout gebruikt in plaats van plastisol.
4.8.
[opdrachtnemer] erkent dat het boeiboord en de windveer nog niet zijn geplaatst, dan wel op de juiste wijze afgewerkt, maar voert hiertoe als reden aan dat het gebruik van plastisol – zoals eerder was overeengekomen met [opdrachtgever] – niet meer mogelijk was vanwege de omgevingsvergunning. Op basis van de vergunningsvoorschriften moest een bepaald soort duurzaam hout worden gebruikt. [opdrachtnemer] verklaart dat hij nog aan [opdrachtgever] heeft aangeboden het duurzame hout conform de vergunning te plaatsen tegen een meerprijs. Dit aanbod heeft [opdrachtgever] afgeslagen, aldus [opdrachtnemer] .
4.9.
De rechtbank begrijpt de stellingen van [opdrachtnemer] aldus dat hij zich op het standpunt stelt dat [opdrachtgever] geen ontbinding kan vorderen gegrond op een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis ten aanzien waarvan zij zelf als schuldeiser in verzuim is. [4]
De schuldeiser komt in verzuim, wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend. [5] Wordt tijdens het schuldeisersverzuim nakoming geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan kan de overeenkomst ontbonden worden, indien door schuld van de schuldenaar is tekortgeschoten in de zorg die in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden gevergd. [6]
4.10.
Het staat vast dat dit onderdeel van de werkzaamheden niet is afgerond. Dit vormt in beginsel een tekortkoming. De oorzaak van die tekortkoming is volgens [opdrachtnemer] (naast de omstandigheid dat de bouw op last van de gemeente een periode is stilgelegd) het vergunningsvoorschrift, waaruit blijkt dat hij – anders dan hij was overeengekomen met [opdrachtgever] – geen gebruik meer mocht maken van plastisol voor de boeidelen. Dit vormt voor [opdrachtnemer] een belemmering in de nakoming. Naar het oordeel van de rechtbank komt deze belemmering – die zijn oorsprong vindt in het feit dat niet tijdig een omgevingsvergunning is aangevraagd – voor rekening en risico van [opdrachtgever] . Het was immers aan [opdrachtgever] , als eigenaar van de woning, om deze vergunning tijdig aan te vragen. Dat zij, zoals zij stelt, niet op de hoogte was van het feit dat haar woning een beschermd monument is, is – wat daar verder van zij – een omstandigheid die ook voor haar rekening komt.
De stelling van [opdrachtgever] tijdens de mondelinge behandeling dat [opdrachtnemer] het plastisol alsnog conform overeenkomst kan aanbrengen, omdat de vergunning zich alleen richt tegen haar en niet tegen [opdrachtnemer] , verwerpt de rechtbank. Van [opdrachtnemer] kan immers niet worden verwacht dat hij in strijd met de vergunningsvoorschriften handelt.
Voor het intreden van schuldeisersverzuim is verder relevant of de schuldenaar in staat en bereid is na te komen en zijnerzijds daartoe alles heeft gedaan wat voor de nakoming nodig is. [opdrachtnemer] heeft in dit kader onbetwist gesteld dat hij aan [opdrachtgever] heeft aangeboden het duurzame hout conform de vergunning tegen een meerprijs te plaatsen, maar dat zij dit heeft afgeslagen. Ter zitting heeft [opdrachtgever] hierover verklaard dat zij (subsidiair) wenst dat het duurzame hout wordt geplaatst zonder daarvoor een meerprijs verschuldigd te zijn. De rechtbank begrijpt hieruit dat [opdrachtgever] voornoemd aanbod van [opdrachtnemer] (nog steeds) afslaat. Uit het voorgaande volgt dat [opdrachtnemer] uitdrukkelijk richting [opdrachtgever] heeft aangeboden om tot nakoming over te gaan, maar dit werd en wordt nog steeds door haar verhinderd. Dit komt voor haar eigen rekening en risico; enige omstandigheid op grond waarvan [opdrachtnemer] gehouden zou zijn het (duurdere) in de vergunning voorgeschreven hout te plaatsen voor de oorspronkelijk overeengekomen som ontbreekt. Daardoor kan worden vastgesteld dat [opdrachtgever] als schuldeiser in verzuim is gekomen en dat [opdrachtnemer] niet in verzuim is geraakt. Een tekortkoming in de nakoming op dit punt kan daarmee niet leiden tot (gehele of partiële) ontbinding van de overeenkomst.
6.
Nagels in de dakkapel
4.10.1.
Tot slot stelt [opdrachtgever] dat bij het bekleden van de buitenzijde van de dakkapellen met leisteen nagels zijn gebruikt die zijn doorgeslagen. Hierdoor steken de nagels aan de binnenzijde van de dakkapellen uit. Dit is volgens haar een gebrek. [opdrachtgever] heeft dit onderbouwd met foto’s. [7]
[opdrachtnemer] betwist dat de doorgeslagen nagels een tekortkoming zijn. Het betreft slechts enkele nagels die zijn doorgeslagen en kortere nagels waren volgens hem geen optie geweest omdat de nagels een goede grip moet hebben. Dat de nagels zijn doorgeslagen aan de binnenzijde is volgens hem bovendien geen probleem, omdat de binnenkant van de dakkapellen nog zou worden afgewerkt en geïsoleerd. [opdrachtgever] zou dit laten doen door een derde, namelijk de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Hierover heeft [opdrachtgever] volgens [opdrachtnemer] met [naam 2] mondelinge afspraken gemaakt.
4.11.
Ter zitting heeft [opdrachtgever] op haar beurt de stelling van [opdrachtnemer] inzake [naam 2] (gemotiveerd) betwist en aangevoerd dat [naam 2] enkel heeft geholpen met het plafond. Er is volgens haar geen afspraak gemaakt over de afwerking van de zijkanten aan de binnenzijde van de dakkapellen.
4.12.
De rechtbank stelt voorop dat een dakkapel waarbij aan de binnenzijde enkele nagelpunten van de buitenbekleding doorsteken in beginsel niet voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. De stelling dat kortere nagels niet mogelijk waren doet daaraan niet af; het is in zo’n geval aan de aannemer zorg te dragen voor een constructie of werkwijze waarbij de nagels niet doorslaan. Ook de stelling dat oorspronkelijk plastisol was overeengekomen en [opdrachtnemer] uit coulance leistenen heeft gebruikt maakt het voorgaande niet anders. Die omstandigheid betekent immers niet dat de leistenen dan niet overeenkomstig de eisen van goed en deugdelijk werk hoeven te worden geplaatst.
[opdrachtnemer] heeft daarnaast echter het verweer gevoerd dat de doorgeslagen nagels in de dakkapel geen probleem vormen omdat de dakkapel aan de binnenzijde zou worden afgewerkt door een derde. Indien dit komt vast te staan zou dat in beginsel meebrengen dat de doorgeslagen nagels geen gebrek vormen, omdat de dakkapellen in dat geval aan de binnenzijde niet in ‘afwerkte staat’ hoefden te worden opgeleverd.
Aangezien [opdrachtnemer] zich op (de rechtsgevolgen van) het bestaan van deze afspraak tussen partijen beroept, rusten op hem de stelplicht en bewijslast van laatstgenoemde stelling op grond van artikel 150 Rv Pro. Naar oordeel van de rechtbank heeft [opdrachtnemer] voldaan aan de op hem rustende stelplicht, maar heeft [opdrachtgever] op haar beurt deze stellingen voldoende gemotiveerd betwist. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank [opdrachtnemer] een bewijsopdracht geven voor de door hem gestelde feiten en omstandigheden.
4.13.
[opdrachtnemer] dient derhalve te bewijzen dat partijen hebben afgesproken dat de dakkapellen aan de binnenzijde nog zouden worden afgewerkt door een derde.
4.14.
De rechtbank overweegt dat het aan [opdrachtnemer] is om te beslissen over de wijze waarop hij het hiervoor genoemde bewijs wil leveren. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de hierna te noemen roldatum.
De ontbinding van de overeenkomst
4.15.
[opdrachtgever] stelt dat zij de aannemingsovereenkomst per brief van 24 april 2025, dan wel bij dagvaarding buitengerechtelijk heeft ontbonden. [8] Volgens [opdrachtgever] rechtvaardigen de tekortkomingen van [opdrachtnemer] ontbinding van de gehele overeenkomst. Bij eiswijziging heeft [opdrachtgever] subsidiair partiële ontbinding van de overeenkomst gevorderd en een vergoeding van € 34.696,- inzake de kosten van herstel en het afronden van het werk.
4.16.
[opdrachtnemer] betwist allereerst dat de overeenkomst buitengerechtelijk zou zijn ontbonden. Dit is volgens hem weliswaar aangezegd door [opdrachtgever] in haar brief [9] , maar vervolgens is de ontbinding niet door haar ingeroepen. Daarnaast rechtvaardigen de enkele nog niet uitgevoerde werkzaamheden geenszins een algehele ontbinding. Voor zover partiële ontbinding aan de orde zou zijn, maakt [opdrachtnemer] bezwaar tegen de door [opdrachtgever] gestelde omvang van de ongedaanmakingsverbintenis.
4.17.
Hiervoor heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan de zijde van [opdrachtnemer] , bestaande uit het niet-afgeronde schilderwerk en de nog niet uitgevoerde afwerking van de ramen en de kozijnen. [10] Of daarnaast sprake is van een tekortkoming wat betreft de doorgeslagen nagels in de dakkapel staat vooralsnog niet vast en zal worden beoordeeld na bewijslevering door [opdrachtnemer] . Naar het oordeel van de rechtbank is echter nu al duidelijk dat algehele ontbinding van de aannemingsovereenkomst niet aan de orde is. Op grond van artikel 6:265 BW Pro dient de tekortkoming immers de ontbinding met haar gevolgen te rechtvaardigen. Dat is in casu niet het geval gelet op de aard en – in verhouding tot de gehele overeenkomst – geringe omvang van de tekortkomingen. Een groot deel van het werk is al afgerond conform opdracht; de nu nog aan de orde zijnde gebreken betreffen de afwerking. Dit betekent dat, voor zover al sprake zou zijn van een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring, deze geen rechtsgevolg kan hebben.
4.18.
De tekortkomingen rechtvaardigen mogelijk wel een partiële ontbinding. Toerekenbaarheid van de tekortkoming speelt bij ontbinding geen rol, maar verzuim is daarbij wel een vereiste. [opdrachtgever] heeft onbetwist gesteld dat [opdrachtnemer] in verzuim was en de verzuimkwestie is verder geen onderdeel geweest van het partijdebat. Nu [opdrachtnemer] op dit punt geen verweer heeft gevoerd, staat het gestelde verzuim naar het oordeel van de rechtbank vast.
4.19.
In afwachting van bewijslevering zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
laat [opdrachtnemer] toe om door alle middelen rechtens te bewijzen de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat partijen hebben afgesproken dat de dakkapellen aan de binnenzijde nog zouden worden afgewerkt door een derde,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
1 april 2026voor uitlating door [opdrachtnemer] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.3.
bepaalt dat [opdrachtnemer] , indien hij bewijs wil leveren door middel van schriftelijke stukken, hij deze stukken op de hiervoor vermelde rolzitting dient over te leggen,
5.4.
bepaalt dat [opdrachtnemer] , indien hij bewijs door getuigen willen leveren, de naam en woonplaats van de getuigen moet opgeven met de verhinderdata over de maanden juni, juli, september en oktober 2026 van hemzelf, zijn advocaat en de getuigen en zo mogelijk van de wederpartij en diens advocaat, waarna een dag voor het getuigenverhoor zal worden vastgesteld,
5.5.
bepaalt dat, als een getuigenverhoor wordt gehouden, dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. drs. E.C.M. Hurkens in het gerechtsgebouw te Maastricht aan Sint Annadal 1 en dat beide partijen daarbij aanwezig moeten zijn om eventueel aansluitend aan het verhoor de zaak te bespreken en om te bekijken of een schikking mogelijk is,
5.6.
bepaalt dat [opdrachtnemer] uiterlijk twee weken vóór het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moet toesturen,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Productie 2 van [opdrachtgever] .
2.Artikel 143 lid 1 en Pro 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
3.Productie 16 van [opdrachtgever] .
4.Artikel 6:266 lid 1 BW Pro.
5.Artikel 6:58 BW Pro.
6.Artikel 6:266 lid 2 BW Pro.
7.Productie 15 van [opdrachtgever] .
8.Zie randnummer 19 van de oorspronkelijke dagvaarding.
9.Productie 3 van [opdrachtgever] .
10.Zie rov. 4.7.3. en 4.7.4.