ECLI:NL:RBLIM:2026:2081

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/03/349209/KG ZA 26-36
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • dr. Verhoeven
  • Piette
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:119 BWArt. 1020 RvArt. 1022 RvArt. 1022a Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechter verklaart zich onbevoegd in geschil over keeperspositie en wijst vordering opheffing sportparkverbod af

De ouders van twee kinderen die lid zijn van een voetbalvereniging vorderen in kort geding dat hun zoon niet verplicht wordt om te keepen tijdens wedstrijden en dat het aan hen opgelegde sportparkverbod wordt opgeheven. De voetbalvereniging voert verweer en stelt dat de KNVB Arbitragecommissie bevoegd is over het geschil omtrent het keepen, waardoor de voorzieningenrechter zich onbevoegd moet verklaren.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het arbitragebeding in de statuten en reglementen van de KNVB en de voetbalvereniging van toepassing is op het geschil, ook al procederen de ouders op eigen naam. Hierdoor is de rechter niet bevoegd om over de keeperspositie te oordelen.

Ten aanzien van het sportparkverbod oordeelt de voorzieningenrechter dat de ouders een spoedeisend belang hebben, maar dat het verbod terecht is opgelegd vanwege herhaaldelijk onheus gedrag van de ouders dat een onveilige situatie voor andere jeugdspelers en kaderleden heeft veroorzaakt. De door de voetbalvereniging overgelegde verklaringen worden niet voldoende betwist door de ouders. De vordering tot opheffing van het sportparkverbod wordt daarom afgewezen.

De ouders worden veroordeeld in de proceskosten en de wettelijke rente. Het vonnis is gewezen door mr. dr. Verhoeven en uitgesproken door mr. Piette op 5 maart 2026.

Uitkomst: De rechter verklaart zich onbevoegd over het keepen en wijst de vordering tot opheffing van het sportparkverbod af.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/349209 / KG ZA 26-36
Vonnis in kort geding van 5 maart 2026
in de zaak van

1.[eisende partij 1] ,

te [plaats] ,
2.
[eisende partij 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de ouders,
advocaat: mr. S.L.T.A. Scheepers,
tegen
[gedaagde partij],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Voetbalvereniging,
advocaat: mr. S.C. Grippo.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 12 producties (waaronder audio-opnamen);
- de conclusie van antwoord met 30 producties;
- de mondelinge behandeling van 19 februari 2026;
- de pleitnota van de ouders;
- de pleitnota van de Voetbalvereniging.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben kinderen, [kind 1] (9 jaar) en [kind 2] (7 jaar), die beiden lid zijn van de Voetbalvereniging.
2.2.
In de eerste fase van het seizoen 2025/2026, dat eind augustus 2025 is gestart, is binnen het team van [kind 1] gewerkt met een roulatiesysteem, in die zin dat de kinderen op verschillende posities speelden. In de tweede fase, vanaf oktober 2025, werd er met vastere posities gewerkt.
2.3.
De trainers van [kind 1] hebben er op dat moment voor gekozen om [kind 1] samen met een andere teamgenoot, [teamgenoot] , tijdens de wedstrijden afwisselend te laten keepen. Van de vier kwartieren die een wedstrijd duurt, keepten beide jongens één helft en speelden ze vervolgens een kwart wedstrijd in het veld, waarna zij ook één kwart werden gewisseld.
2.4.
De keeperspositie van [kind 1] leidde tot veel discussie tussen de ouders en de trainers. De ouders hebben aan de trainers laten weten dat [kind 1] het keepen niet leuk vindt en dat hij niet langer wil keepen. De trainers hebben daarom op enig moment besloten dat de keepers, [kind 1] en [teamgenoot] , de ene helft moeten keepen en de andere helft volledig (in de positie van spits) in het veld mogen blijven. In tegenstelling tot hun andere teamgenoten, die altijd één speelkwartier op de bank zitten, mogen de keepers aldus de hele wedstrijd spelen.
2.5.
De ouders hebben hierna meermaals met de trainers gesproken over de keeperskwestie.
2.6.
Op 21 november 2025 heeft er op verzoek van de ouders een gesprek plaatsgevonden hierover. Naast de ouders waren de trainers, een jeugdcommissielid en een bestuurslid van de Voetbalvereniging aanwezig. De moeder van [kind 1] heeft zonder toestemming van dit gesprek een audio-opname gemaakt. Op initiatief van de aanwezigen van de Voetbalvereniging is - nadat de moeder hiervan melding had gemaakt - het gesprek beëindigd.
2.7.
Op 25 november 2025 hebben de ouders van [kind 1] aan het bestuur van de Voetbalvereniging onder meer laten weten dat zij het bestuur verzoeken om aan hen te bevestigen dat [kind 1] niet verplicht wordt om te keepen en dat bij uitblijven van een reactie eventueel juridische stappen genomen worden.
2.8.
Bij brief van 28 november 2025 heeft de voorzitter van de Voetbalvereniging aan de ouders laten weten op advies van de KNVB een gesprek te willen organiseren tussen partijen in aanwezigheid van een mediator. Aan de ouders wordt gevraagd om hun verhinderdata op te geven.
2.9.
Op 29 november 2025 heeft er een incident plaatsgevonden tijdens een uitwedstrijd. [kind 1] heeft tijdens het keepen gehuild. De vader van [kind 1] heeft hiervan video-opnamen gemaakt.
2.10.
Op diezelfde dag hebben de ouders van [kind 1] (onder meer) aan de voorzitter en leden van de jeugdcommissie van de Voetbalvereniging laten weten dat
[kind 1] opnieuw verplicht moest keepen, terwijl hij uitdrukkelijk heeft aangegeven dit niet te willen. De ouders hebben verder bericht dat [kind 1] huilend aan het keepen was en dat zij daarvan beeldmateriaal hebben gemaakt. Daarnaast geven de ouders onder meer aan dat zij niet langer met de Voetbalvereniging in gesprek wensen te gaan, omdat gemaakte afspraken niet worden nageleefd. De ouders wensen uitsluitend nog schriftelijk te communiceren.
De ouders hebben hun bericht op navolgende wijze afgesloten:
“Onze voorwaarden – per direct en zonder onderhandeling:
1. [kind 1] zal onder geen enkele omstandigheid nog verplicht worden om te keepen.
2. Deze instructie geldt onmiddellijk, voor alle trainers, leiders, commissieleden en bestuur.
3. Wij eisen een schriftelijke bevestiging van deze instructie.
4. Indien dit nog één keer wordt overtreden, schakelen wij direct onze advocaat in.
Dit is ons definitieve standpunt. Het welzijn van onze zoon is niet onderhandelbaar en verdere schendingen zullen automatisch leiden tot juridische stappen.
Wij zien uw schriftelijke bevestiging binnen 5 werkdagen tegemoet.
Met vriendelijke groet, (…)”
2.11.
Het bestuur van de Voetbalvereniging heeft op 2 december 2025 besloten om aan de ouders een tijdelijk sportparkverbod op te leggen. Aan de ouders is hierover bericht:
“Met verbazing hebben wij kennisgenomen van uw brief van 29 november j.l.
Als bestuur van [gedaagde partij] hebben we met meerdere instanties contact opgenomen,
waaronder de KNVB en Centrum Veilige Sport Nederland. Ook zij geven het advies om een
gesprek te laten plaatsvinden onder leiding van een mediator.
Zoals reeds aangegeven in onze mail van 28 november jl. willen we dit gesprek graag laten
plaatsvinden op donderdag 11 december, aanvang 21.00 uur.
Ondanks dat u aangeeft geen persoonlijk contact meer te willen, willen wij dit gesprek toch
voortzetten.
Het feit dat kaderleden en jeugdspelers zich momenteel onveilig voelen in de situatie die er
ontstaan is heeft ons doen besluiten om maatregelen te nemen. Vanaf de datum van
dagtekening van deze brief, 2 december 2025, tot in ieder geval het moment dat het
mediationgesprek heeft plaatsgevonden leggen we u beiden, als ouders van [kind 1] en
[kind 2] , een schorsing op. Deze schorsing houdt een algeheel sportparkverbod in voor het
sportpark van [gedaagde partij]. Dat wil zeggen dat u buiten de toegangspoort dient te blijven.
Deze schorsing geldt niet voor [kind 1] en [kind 2] . Zij zijn welkom om te komen trainen en om wedstrijden te spelen, mits aan de afgesproken teamafspraken en gedragsnormen wordt
voldaan. Mocht u onverhoopt niet bij het mediationgesprek op 11 december 21.00 uur aanwezig zijn, dan zijn we genoodzaakt een royement uit te spreken voor [kind 1] en [kind 2] en bent u als familie niet meer welkom bij [gedaagde partij].
Graag verneem ik per ommegaande een reactie dat u deze brief in goede orde heeft
ontvangen.”
2.12.
De ouders hebben hierop (onder meer) laten weten niet akkoord te zijn met het sportparkverbod en zij vragen om opheffing daarvan.
2.13.
De voorzitter van het bestuur van de Voetbalvereniging heeft eveneens op
2 december 2025 aan de ouders laten weten dat het sportparkverbod gehandhaafd blijft. Daarnaast heeft de voorzitter laten weten dat nogmaals voorgesteld wordt om
op 11 december aanstaande om 21 uur een gesprek met elkaar te hebben in aanwezigheid van een mediator. De voorzitter heeft verder (onder meer) aangegeven dat er inmiddels een situatie is ontstaan waarin jeugdspelers en kaderleden zich onprettig en onveilig voelen.
2.14.
Op 10 december 2025 hebben de ouders via hun advocaat de Voetbalvereniging gevraagd om [kind 1] niet meer te laten keepen, het sportparkverbod op te heffen en excuses te maken. De Voetbalvereniging heeft hierop afwijzend gereageerd.
2.15.
Hierna hebben partijen geprobeerd om een regeling te treffen. Dit is echter niet gelukt.

3.Het geschil

3.1.
De ouders vorderen:
- de Voetbalvereniging te verbieden om [kind 1] als keeper op te stellen tijdens wed-
strijden van zijn team;
  • de Voetbalvereniging te verplichten om het aan de ouders opgelegde sportparkverbod op te heffen;
  • de Voetbalvereniging te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
De Voetbalvereniging voert verweer. De Voetbalvereniging concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de ouders, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de ouders, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de ouders in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Producties 7 tot en met 12 worden toegelaten
4.1.
De Voetbalvereniging verzoekt om de producties 7 tot en met 12 buiten beschouwing te laten. Wat betreft de producties 7 tot en met 10 zijn deze binnen de geldende termijn van 24 uur voor de zitting ingediend, maar hadden deze eerder ingediend kunnen worden volgens de Voetbalvereniging. De producties 11 en 12 zijn te laat ingediend en dienen daarom buiten beschouwing gelaten te worden, aldus de Voetbalvereniging.
De ouders hebben ter zitting uitgelegd waarom de laatste producties te laat zijn ingediend. Na ontvangst van de conclusie van antwoord hebben zij, ter betwisting van stellingen in die conclusie, zo snel mogelijk de laatste twee producties ingediend.
4.2.
Voor de beantwoording van de vraag of de producties al dan niet bij de beoordeling kunnen worden betrokken, is doorslaggevend of de Voetbalvereniging in haar procesbelang zou worden geschaad als deze producties bij de beoordeling worden betrokken. Dat is niet het geval. Voor zover door de ouders ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op de producties een beroep is gedaan, heeft de Voetbalvereniging daarop deugdelijk kunnen reageren. De voorzieningenrechter ziet dus geen aanleiding deze producties buiten beschouwing te laten.
Algemeen toetsingskader
4.3.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de ouders daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Keepen
Voorzieningenrechter niet bevoegd omtrent geschil keepen
4.4.
Volgens de ouders is het verplicht keepen in strijd met het verenigingsrecht. Daarnaast handelt de Voetbalvereniging onrechtmatig (in de zin van artikel 6:162 BW Pro) door [kind 1] verplicht te laten keepen. De Voetbalvereniging is het niet eens met de ouders zowel op inhoudelijke alsook op formele gronden. Wat betreft dit laatste (formele gronden), voert de Voetbalvereniging aan dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is. Volgens de Voetbalvereniging is de KNVB Arbitragecommissie bevoegd om kennis te nemen van dit geschil met uitsluiting van de gewone rechter.
De voorzieningenrechter volgt de Voetbalvereniging hierin en legt dit als volgt uit.
4.5.
Artikel 1022 Rv Pro bepaalt dat de rechter, bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten, zich onbevoegd verklaart, indien een partij zich voor alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept, tenzij de overeenkomst ongeldig is. Artikel 1020 leden Pro 5 en 6 Rv bepalen dat onder de overeenkomst tot arbitrage mede wordt begrepen een arbitraal beding dat is opgenomen in de partijen bindende statuten of reglementen. Een arbitragereglement, waarnaar in een overeenkomst tot arbitrage wordt verwezen, wordt geacht deel van die overeenkomst uit te maken.
4.6.
De Voetbalvereniging beroept zich op – kort gezegd – het binnen de KNVB geldende arbitragebeding. Over de positie van partijen in de sfeer van de KNVB wordt het volgende overwogen.
4.6.1.
Artikel 8 lid 3 sub Pro a. van de Statuten bepaalt dat geschillen tussen leden van de KNVB onderling, voor zover deze samenhangen met de voetbalsport in de ruimste zin van het woord, met uitsluiting van de burgerlijke rechter door arbitrage worden beslecht, zulks met inachtneming van het daartoe in het Arbitragereglement bepaalde. Artikel 7 lid 1 sub Pro a. van de Statuten bepaalt, voor zover hier van belang, dat leden van de KNVB verplicht zijn de Statuten en de reglementen van de KNVB na te leven.
Artikel 6 van Pro de Statuten regelt wie lid van de KNVB kan zijn. Dit zijn kort gezegd voetbalclubs en natuurlijke personen.
4.6.2.
Artikel 1 lid 1 van Pro het Arbitragereglement luidt als volgt:
“Met uitsluiting van de burgerlijke rechter, zijn aan arbitrage op de voet van dit reglement onderworpen alle geschillen, indien en voorzover deze samenhangen met de voetbalsport, een en ander in de ruimste zin des woords, tussen:
a.
leden van de KNVB onderling;”
4.7.
Artikel 5 lid 7 sub b van Pro de Statuten van de Voetbalvereniging luidt:
“De leden zijn gehouden:
b. de statuten en de reglementen van de KNVB, de besluiten van een orgaan van de
KNVB, alsook de van toepassing verklaarde wedstrijdbepalingen na te leven;”
4.8.
Dat [kind 1] en de Voetbalvereniging beiden leden zijn van de KNVB en dat het geschil samenhangt met de voetbalsport, staat niet ter discussie. Uit voornoemde regelgeving van KNVB en de Voetbalvereniging blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom dat [kind 1] en de Voetbalvereniging zich hebben gebonden aan KNVB-arbitrage.
4.9.
Het verweer van de ouders dat zij op eigen naam procederen en niet gebonden zijn aan het arbitragebeding, kan de ouders niet baten. Het geschil ziet op het lid [kind 1] die niet langer verplicht wil worden om te keepen. De ouders wensen middels het voeren van deze procedure de rechten van [kind 1] binnen de Voetbalvereniging te gelde te maken. Zij hebben daarbij aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de Voetbalvereniging de statuten en het verenigingsrecht schendt door [kind 1] te verplichten om te keepen (randnummers 19 en 20). Daarmee zijn de ouders, ook indien zij op eigen naam procederen, gebonden aan het arbitragebeding dat op grond van de statuten van toepassing is. Dat de ouders aan de vordering mede ten grondslag hebben gelegd dat de Voetbalvereniging jegens [kind 1] onrechtmatig handelt, doet niet af aan het oordeel dat het arbitragebeding op de verhouding tussen de ouders en de Voetbalvereniging van toepassing is. De stelling dat de Voetbalvereniging onrechtmatig handelt, is door de ouders slechts onderbouwd door te stellen dat de Voetbalvereniging handelt in strijd met het verenigingsrecht. Een andere (zelfstandige) grondslag is niet aangevoerd.
4.10.
De ouders hebben daarnaast aangevoerd dat de statuten van de Voetbalvereniging geen expliciete arbitrageclausule bevatten en slechts verwijzen naar KNVB regelgeving.
De voorzieningenrechter geeft de ouders hierin gelijk. Dit doet echter niet af aan de gebondenheid van een lid van de Voetbalvereniging aan de KNVB regelgeving door die verwijzing. Dit geldt ook voor het verweer van de ouders dat de KNVB regelgeving niet eenvoudig vindbaar is en niet voldoet aan het vereiste van duidelijke en ondubbelzinnige afstand van toegang tot de rechter. Zoals reeds overwogen volgt de gebondenheid uit hiervoor vermelde bepalingen uit het verenigingsrecht.
4.11.
Dit alles betekent geenszins dat indien de overeenkomst van arbitrage geldig is de rol van de rechter is uitgespeeld. De gewone rechter treedt op als
rest-rechterin het geval dat een partij hem een voorziening in kort geding (art. 1022a Rv) verzoekt en de wederpartij zich weliswaar voor alle weren op het bestaan van de arbitrageovereenkomst beroept, maar de gevraagde beslissing niet of niet tijdig in arbitrage kan worden verkregen.
Dat van die laatste situatie sprake is, is echter gesteld noch gebleken.
4.12.
De voorzieningenrechter zal zich daarom gelet op al het voorgaande onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de vordering over het keepen.
Sportparkverbod
Spoedeisend belang sportparkverbod
4.13.
Allereerst dient beoordeeld te worden of de ouders een spoedeisend belang hebben bij hun vordering. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt het spoedeisend belang in dit geval uit de aard van het gevorderde. Dat betekent dat de ouders ontvankelijk zijn in deze vordering.
Sportparkverbod is terecht
4.14.
De Voetbalvereniging heeft aangevoerd dat zij een sportparkverbod aan de ouders heeft opgelegd vanwege herhaaldelijke (wan)gedrag van de ouders. De ouders kunnen zich niet verenigen met het besluit van de trainers om [kind 1] de helft van de wedstrijd op te stellen als keeper. Dit hebben de ouders verschillende keren op een onheuse manier aangekaart bij de trainers van [kind 1] alsook bij het bestuur in bijzin van andere teamgenoten en de ouders van de teamgenoten. Bij alle betrokkenen is daardoor een onveilig gevoel ontstaan. De trainers van [kind 1] en verschillende ouders van teamgenoten hebben melding hiervan gemaakt bij het bestuur. Hierdoor zag de Voetbalvereniging zich genoodzaakt om een sportparkverbod op te leggen om een veilig sportklimaat voor alle betrokkenen te waarborgen.
4.15.
De ouders hebben hiertegen aangevoerd dat de Voetbalvereniging onrechtmatig handelt jegens hen door een sportparkverbod op te leggen. Het sportparkverbod is daarnaast onterecht en in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en niet proportioneel. De ouders wijzen erop dat het besluit van de Voetbalvereniging genomen is zonder het opnemen van een concreet feitenrelaas, zonder het voorafgaand horen van de ouders en zonder schriftelijke onderbouwing. De ouders merken op dat vanuit hen nooit enige fysieke of verbale dreiging is uitgegaan. Zij hebben steeds in het belang van [kind 1] gehandeld en proberen hem te beschermen. Dit alles blijkt ook uit de door de ouders overgelegde audio-opnamen, aldus de ouders.
4.16.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat aan de ouders op grond van de statuten van de Voetbalvereniging (in het geval daartoe gronden zijn) het sportparkverbod mag worden opgelegd.
4.17.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de stellingen van de Voetbalvereniging over de gedragingen van de ouders en de noodzaak voor het opleggen van het sportparkverbod
worden ondersteund door 10 (door de Voetbalvereniging overgelegde) verklaringen. Dit betreft 3 verklaringen van ouders van teamgenoten, 1 verklaring van een jeugdcommissielid, 2 verklaringen van de trainers van [kind 1] en 4 verklaringen van bestuursleden. Hiermee heeft de Voetbalvereniging de noodzaak voor het opleggen van het sportparkverbod voldoende gemotiveerd onderbouwd. Dit hebben de ouders onvoldoende betwist. Zij hebben de inhoud van die verklaringen onvoldoende concreet weersproken. De ingediende audio-opnamen, waaruit volgens de ouders zou volgen dat zij zich in de opgenomen gesprekken niet onbehoorlijk gedragen jegens hun gesprekspartners, is geen betwisting van de verklaringen. Van onrechtmatig handelen aan de zijde van de Voetbalvereniging is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken. Evenmin van een andere door de ouders aangevoerde grondslag die zou kunnen leiden tot het opheffen van het verbod.
Dit alles betekent dat deze vordering van de ouders afgewezen dient te worden.
Proceskosten
4.18.
De ouders zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Voetbalvereniging worden begroot op:
- griffierecht
735,00;
- salaris advocaat
1.177,00;
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
totaal
2.101,00.
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering over het keepen,
5.2.
wijst de vordering van de ouders over de opheffing van het sportparkverbod af,
5.3.
veroordeelt de ouders in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de ouders niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt de ouders tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026 door mr. Piette.