ECLI:NL:RBLIM:2026:2082

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
12005550 \ CV EXPL 25-5780
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Lafghani
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedaagde moet achterstallige zorgverzekeringspremie betalen ondanks verhuizing naar het buitenland

Gedaagde had een verzekeringsovereenkomst met CZ en was verplicht maandelijks premie te betalen. In 2023 verhuisde zij naar Zweden en meldde dit aan CZ, waarna de verzekering per 2 mei 2023 werd beëindigd.

CZ vorderde betaling van een openstaand bedrag van €145,09 aan premies, waarvan gedaagde alleen verweer voerde tegen de premie over april 2023. De kantonrechter oordeelde dat gedaagde ook deze premie moest betalen omdat de verzekeringsovereenkomst toen nog bestond en zij niet tijdig had opgezegd.

Het verweer dat zij onder het Zweedse zorgstelsel viel en was uitgeschreven uit de Nederlandse basisregistratie, werd verworpen omdat dit haar verplichtingen uit de Nederlandse verzekeringsovereenkomst niet opheft.

Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de premie en proceskosten van €387,95, met een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €145,09 aan achterstallige premies en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12005550 \ CV EXPL 25-5780
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
CENTRALE ZORGVERZEKERINGEN NZV N.V., h.o.dn. Nationale-Nederlanden Zorg,
statutair gevestigd te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft met CZ een verzekeringsovereenkomst gesloten. Op grond van die overeenkomst was zij verplicht om maandelijks premie aan CZ te betalen.
2.2.
In 2023 is [gedaagde] naar Zweden verhuisd. Dit heeft [gedaagde] op enig moment aan CZ laten, waarna de verzekering per 2 mei 2023 is beëindigd.

3.Het geschil

3.1.
CZ vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 145,09, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling

Hoofdsom
4.1.
CZ vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 145,09. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten, die [gedaagde] volgens CZ onbetaald heeft gelaten:
  • Premie basisverzekering over de periode 01-06-2022 tot en met 30-06-2022 ad € 72,25
  • Premie aanvullende verzekering over de periode 01-07-2022 tot en met 31-07-2022 ad € 27,96
  • Premie basisverzekering over de periode 01-04-2023 tot en met 30-04-2023 ad € 137,45
  • Premie basisverzekering over de periode 01-05-2023 tot en met 31-05-2023 ad € 4,43.
CZ heeft onweersproken gesteld dat partijen een betalingsregeling hebben getroffen uit hoofde waarvan [gedaagde] € 100,00 heeft betaald, zodat volgens CZ nog een te betalen bedrag van € 145,09 resteert. In deze procedure gaat het dus om de vraag of [gedaagde] het resterende bedrag van € 145,09 moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.
4.2.
De kantonrechter constateert dat [gedaagde] alleen verweer tegen de vordering voor zover deze ertoe strekt dat zij wordt veroordeeld tot betaling van de verzekeringspremie over de maand april 2023. Voor zover de vordering van CZ ziet op de overige gevorderde premies ligt deze dus voor toewijzing gereed.
4.3.
Voor zover de vordering strekt tot betaling van de premie over de maand april 2023, geldt het volgende. CZ heeft bij conclusie van repliek gesteld dat [gedaagde] de verzekeringsovereenkomst per 2 mei 2023 heeft beëindigd. De griffier heeft weliswaar op 14 januari 2026 een brief naar [gedaagde] gestuurd, waarbij aan [gedaagde] is medegedeeld dat zij mag reageren op de conclusie van repliek van CZ, maar [gedaagde] heeft niet gereageerd. [gedaagde] heeft dus niet betwist dat zij de verzekeringsovereenkomst per 2 mei 2023 heeft beëindigd. Bij deze stand van zaken kan niet worden volgehouden dat [gedaagde] de premie over de maand april 2023 niet hoeft te betalen. Op dat moment had zij immers nog een verzekeringsovereenkomst met CZ, op grond waarvan zij deze premie moet betalen.
4.4.
[gedaagde] voert weliswaar aan geen premie over de maand april 2023 te hoeven betalen, omdat zij naar het buitenland is verhuisd, vanaf 27 februari 2023 onder het Zweedse zorgstelsel valt en per 23 maart 2023 in Nederland is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen, maar dit betoog baat haar niet. Zelfs als dit allemaal klopt, dan geldt nog steeds dat [gedaagde] de uit de zorgverzekering met CZ voortvloeiende verplichtingen moet nakomen. Het had dan op de weg van [gedaagde] gelegen om de verzekeringsovereenkomst met ingang van een eerdere datum op te zeggen.
Incassokosten
4.5.
De discussie over de WIK-brief en de verschuldigdheid van incassokosten behoeft geen bespreking omdat CZ geen betaling van incassokosten vordert.
Proceskosten
4.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
86,00
(2 punten × € 43,00)
- nakosten
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
387,95

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 145,09,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 387,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.