ECLI:NL:RBLIM:2026:2101

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
ROE 26/389
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6 Regeling opvang ontheemden OekraïneArt. 7 Regeling opvang ontheemden Oekraïne
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang en overplaatsing ontheemde Oekraïne

De voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg heeft op 26 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin een ontheemde uit Oekraïne een voorlopige voorziening verzocht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Mook en Middelaar. Het college had besloten de opvang van verzoeker aan een locatie in Mook te beëindigen en hem te verplaatsen naar een alternatieve opvanglocatie in Friesland vanwege ernstige verstoring van de leefbaarheid en veiligheid.

Het college baseerde het besluit op de Regeling opvang ontheemden Oekraïne, waarbij herhaaldelijke overtredingen van huisregels, overlast onder invloed van alcohol en drugs, bedreigingen en agressief gedrag jegens medebewoners en medewerkers waren vastgesteld. Verzoeker had meerdere malen hulp geweigerd en zijn gedragingen deels toegegeven. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college het besluit in redelijkheid kon nemen en dat minder ingrijpende maatregelen niet meer effectief waren.

Hoewel de overplaatsing verstrekkende gevolgen heeft voor verzoeker, zoals het verlies van zijn baan en afstand tot zijn moeder, woog de voorzieningenrechter het belang van de overige bewoners en medewerkers zwaarder. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging van de opvang en overplaatsing van verzoeker wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/389
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam], uit Mook, verzoeker

(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Mook en Middelaar, [het college
(gemachtigden: mr. M.J.M. Gelissen en S.M. Stepanjan).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende de bezwaarprocedure tegen het besluit tot beëindiging van de gemeentelijke opvang in Mook met onmiddellijke ingang en de feitelijke overplaatsing naar een nieuwe opvangplek in de gemeente Dantumadiel in Friesland.
1.1.
Met het bestreden besluit van 9 februari 2026 heeft het college bepaald dat verzoeker uiterlijk 9 februari 2026 om 15.00 uur de opvanglocatie [adres] in Mook moet verlaten en wordt geplaatst in een alternatieve opvanglocatie. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
1.3.
Nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunten nader toe te lichten, heeft de voorzieningenrechter het onderzoek ter zitting gesloten voor raadkameroverleg. De voorzieningenrechter heeft vervolgens het tijdstip voor het doen van mondelinge uitspraak bepaald op 14.15 uur. De voorzieningenrechter heeft vervolgens op dat tijdstip mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Beoordeling door de voorziening

2. Om de beslissing beter te kunnen begrijpen, is het proces-verbaal – zoals in de mondelinge uitspraak al is gezegd – hieronder verder toegelicht en uitgebreider gemotiveerd, met onder meer een verwijzing naar de relevante wetsartikelen.
Spoedeisend belang
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1.
Vaststaat dat het college de opvang van verzoeker heeft beëindigd. Verzoeker verblijft nu op eigen kosten in een hotel, maar heeft aangegeven dat dit financieel belastend is. Hij wil eigenlijk geen gebruikmaken van de nieuwe opvangplek in Friesland, omdat hij dan zijn baan verliest. Het college heeft te kennen gegeven dat deze nieuwe opvangplek voor hem wordt vrijgehouden tot en met 27 februari 2026. Tijdens de zitting is gebleken dat verzoeker nog geen besluit heeft genomen over het aanbod in Friesland. Gelet op voorgaande omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft.
Beëindiging van de opvang en plaatsing in een nieuwe opvanglocatie
4. De Regeling opvang ontheemden Oekraïne (de Regeling) bepaalt welke verstrekkingen (hulp) het college moet geven in de gemeentelijke opvang voor ontheemden uit de Oekraïne. Eén van die vormen van hulp is onderdak. [1] Wanneer een ontheemde (iemand) zich niet houdt aan het huishoudelijk reglement, mag het college deze hulp beperken of beëindigen. [2] Dit geldt ook als iemand een ernstige vorm van geweld pleegt tegen medebewoners, die in dezelfde opvangvoorziening verblijven, aan personen die daar werkzaam zijn, of aan anderen. [3]
4.1.
De voorzieningenrechter constateert dat het college de opvang op de locatie aan de [adres] te Mook heeft beëindigd vanwege ernstige verstoring van de leefbaarheid en veiligheid, veroorzaakt door het gedrag van en de incidenten met verzoeker. Het besluit is genomen op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c en d van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne. Ter onderbouwing heeft het college onder andere een dossier met dagrapportages, een schriftelijke verklaring van de locatiemanager, een last onder dwangsom van 23 april 2024 en twee locatieverboden van 20 mei 2025 en 6 januari 2026 overgelegd. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college op basis van deze stukken het besluit heeft mogen nemen om de opvang van verzoeker aan de [adres] te beëindigen. Uit het dossier blijkt dat verzoeker herhaaldelijk de huisregels overtreedt, overlast veroorzaakt (vaak onder invloed van alcohol en/of drugs), medebewoners bedreigt en soms geweld gebruikt, en respectloos en agressief is tegenover medewerkers van de opvang. De ontkenning of verzachting van de incidenten door verzoeker zonder objectieve onderbouwing overtuigt de voorzieningenrechter niet. Daarbij weegt mee dat verzoeker in gesprekken zijn gedrag en de incidenten (deels) heeft toegegeven en excuses heeft aangeboden. Ook hecht de voorzieningenrechter weinig waarde aan de verklaring van een vriend van verzoeker, omdat deze niet overeenkomt met de verklaring van het slachtoffer en niet objectief te verifiëren is.
4.2.
Het betoog van verzoeker dat hij ten onrechte als enige verantwoordelijk wordt gehouden voor alle incidenten, wordt niet gevolgd. Het college heeft toegelicht dat ook anderen, waaronder vrienden van verzoeker, zijn aangesproken en gesanctioneerd vanwege overtredingen.
4.3.
Verzoeker stelt dat hij ondanks zijn verzoek daartoe geen psychische hulp heeft ontvangen. Uit de verklaring van de locatiemanager, ook tijdens de zitting, blijkt echter dat hem meerdere keren hulp is aangeboden (inclusief psychosociale ondersteuning), maar dat hij deze telkens heeft geweigerd. De voorzieningenrechter acht de verklaring van de locatiemanager betrouwbaar. Verzoeker heeft bovendien niet met verifieerbare stukken aangetoond dat hij daadwerkelijk psychische problemen heeft. Wel ziet de voorzieningenrechter een motiveringsgebrek in de beslissing met betrekking tot het inschakelen van bemoeizorg en, indien dit niet is gebeurd, de toelichting daarop. Dit punt kan in de beslissing op bezwaar beter worden gemotiveerd. Dit motiveringsgebrek leidt echter niet tot toewijzing van de voorziening. Hoewel het inschakelen van bemoeizorg volgens het sanctiebeleid van de gemeente is voorgeschreven, betekent dit niet dat er niet tegelijkertijd al een sanctie kan worden opgelegd en bovendien blijkt uit de stukken dat herhaaldelijk is geprobeerd te de-escaleren.
4.4.
De stelling van verzoeker dat aan hem geen schriftelijk gedragsaanwijzingen zijn overhandigd en hij dus niet heeft begrepen wat er van hem verwacht werd, kan de voorzieningenrechter ook niet volgen. Gebleken is dat verzoeker op de hoogte is of zou moeten zijn van de huisregels omdat deze aan hem zijn uitgereikt (vertaald in het Oekraïens), en hij toen voor ontvangst heeft getekend. Verder kan uit het dossier van verzoeker van Vizzion worden opgemaakt dat bij ieder incident medewerkers van de opvanglocatie hem duidelijk hebben uitgelegd wat hij verkeerd heeft gedaan en wat hij moest doen, zoals geen drugs of alcohol gebruiken, medebewoners niet bedreigen of intimideren, geen gevechten aangaan of geen overlast veroorzaken door luide muziek te draaien. Ook in de gedragsaanwijzing van 23 april 2024 en de beide locatieverboden is duidelijk te lezen wat van verzoeker verwacht werd.
4.5.
Gelet op dit alles is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college in redelijkheid kon besluiten om het recht op onderdak aan de [adres] in Mook te beëindigen. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat het opleggen van een minder vergaande maatregel in het geval van verzoeker niet meer aan de orde is. Er zijn naar aanleiding van de talloze incidenten gesprekken met verzoeker gevoerd en hij is in ieder geval twee keer tijdelijk uit de opvang gezet (locatieverbod). Dit alles heeft echter niet voorkomen dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat verzoeker kort na zijn laatste locatieverbod op 6 januari 2026 opnieuw gedragingen heeft vertoond die als zeer ernstig en bedreigend kunnen worden ervaren. Gezien deze omstandigheden lijkt overplaatsing naar een andere opvanglocatie de enige mogelijkheid.
4.6.
Het college heeft voldoende aangetoond dat de overplaatsing met spoed moet plaatsvinden. Op korte termijn bleek volgens het college alleen in Friesland een passende opvanglocatie beschikbaar te zijn en niet in de regio. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de juistheid van deze mededeling van het college in twijfel te trekken.
4.7.
De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat een overplaatsing naar Friesland aanzienlijke gevolgen voor verzoeker heeft. Hij verliest zijn baan bij de Lidl en zal niet meer in de buurt van zijn moeder wonen. Deze gevolgen heeft hij door zijn gedrag grotendeels zelf over zich afgeroepen. Verzoeker heeft voldoende kansen gehad om zijn gedrag te verbeteren. Het college heeft terecht opgemerkt dat verzoeker en zijn moeder beiden volwassen zijn en elkaar over en weer kunnen opzoeken in Limburg, Friesland of ergens halverwege. Bovendien heeft het college in het verweerschrift toegezegd dat verzoeker wanneer hij zijn moeder wil bezoeken, mag blijven overnachten op de opvanglocatie in Mook als hij zich aan de huisregels houdt. In dit geval is – gelet op alle feiten en omstandigheden – sprake van een evenredige inbreuk op het recht op gezinsleven.
4.8.
Gelet op het voorgaande, heeft het college in redelijkheid de belangen van de overige bewoners en medewerkers van de opvanglocatie in Mook om niet geconfronteerd te worden met het overlastgevende en agressieve gedrag van verzoeker zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van verzoeker om opgevangen te blijven in Mook, zeker nu hem een alternatieve opvanglocatie is aangeboden in Dantumadiel.
4.9.
Omdat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
4.10.
De voorzieningenrechter deelt mee dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
4.11.
De voorzieningenrechter wijst erop dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026 door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 4 maart 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 6, eerste lid, van de Regeling.
2.Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling in samenhang gelezen met artikel 6 van Pro de Regeling.
3.Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling.