Partijen hebben circa zestien jaar een affectieve relatie gehad die eind december 2023 is geëindigd. Zij waren gezamenlijk eigenaar van een woning die in oktober 2020 werd geleverd, gefinancierd met een hypothecaire lening bij Rabobank.
De man vordert vergoeding van de vrouw voor zijn investeringen in de woning, maandelijkse hypotheekaflossingen en verbouwingskosten, alsmede een vergoedingsrecht voor waardevermeerdering van de woning. De vrouw betwist deze vorderingen en voert aan dat zij ook heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding en dat er geen afspraken waren over financiële vergoedingen.
De rechtbank oordeelt dat de man onvoldoende bewijs heeft geleverd voor een hogere eigen inbreng dan de vrouw bij de aankoop van de woning. De maandelijkse hypotheeklasten worden slechts deels toegewezen vanaf januari 2024, omdat partijen eerder afspraken hadden over gezamenlijke lastenverdeling naar rato van inkomen en het verrichten van huishoudelijk werk door de vrouw. De vordering voor verbouwingskosten en waardevermeerdering wordt afgewezen wegens gebrek aan rechtsgrond en bewijs.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van een maandelijkse bijdrage vanaf januari 2024 tot verkoop van de woning.