ECLI:NL:RBLIM:2026:2177

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
12054701 \ CV EXPL 26-232
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Otto
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot afgifte Franse Bulldog wegens ontbreken spoedeisend belang

In deze kortgedingprocedure vordert eiser de afgifte van een Franse Bulldog die sinds augustus 2024 bij gedaagde verblijft. Eiser stelt eigenaar te zijn en vordert teruglevering van de hond, schadevergoeding en proceskosten. Gedaagde betwist het eigendom en voert primair aan dat eiser geen spoedeisend belang heeft.

De rechtbank overweegt dat voor toewijzing in kort geding spoedeisend belang vereist is en dat de feiten voldoende aannemelijk moeten zijn. Eiser heeft onvoldoende gesteld dat de hond momenteel loops is of dat sterilisatie dreigt, waardoor spoedeisend belang ontbreekt. Ook kan een eigendomsvordering niet in kort geding worden toegewezen vanwege het definitieve karakter.

De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank benadrukt dat bewijsopdrachten en eigendomsvraagstukken beter in een bodemprocedure kunnen worden behandeld.

Uitkomst: Vordering tot afgifte hond en verklaring van eigendom afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12054701 \ CV EXPL 26-232
Vonnis in kort geding van 5 maart 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. L.N. Hermans,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. L. van den Broek.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding d.d. 20 januari 2026 met producties 1 tot en met 9;
- de door [eiser] ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding gebrachte aanvullende productie 10;
- de door [eiser] ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding gebrachte aanvullende productie 11;
- de akte vermeerdering van eis;
- de door [gedaagde] ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding gebrachte producties 1 tot en met 10;
- de spreekaantekeningen van mr. Van den Broek;
- de mondelinge behandeling van 19 februari 2026, waarbij de vermeerdering van eis is ingetrokken, en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[hond] is een Franse Bulldog met een stamboom. [hond] verbleef in het verleden bij [eiser]. Sinds 10 augustus 2024 verblijft [hond] bij [gedaagde]. Er is hiervoor niets door [gedaagde] betaald en er is geen destijds schriftelijke overeenkomst tussen partijen opgemaakt.
2.2.
Op 1 juni 2025 heeft [eiser] een handgeschreven overeenkomst opgesteld welke door [gedaagde] is ondertekend. In deze overeenkomst spreken partijen onder meer af dat zij nog één nestje met [hond] zullen fokken, dat beiden een pup uit het nestje zullen krijgen, dat [hond] gedurende deze periode bij [eiser] zal verblijven en dat [hond] na dit nestje gesteriliseerd moet worden.
2.3.
[hond] verblijft vervolgens tijdelijk bij [eiser] en op 2 juni 2025 laat [eiser] aan [gedaagde] weten dat de dierenarts heeft vastgesteld dat [hond] over haar dekdatum heen is, waarna [hond] terugkeert naar [gedaagde].
2.4.
[gedaagde] heeft [hond] op 28 november 2025 op haar naam bij de Nederlandse Databank Gezelschapsdieren aangemeld.
2.5.
Op 2 december 2025 stuurt [eiser] een brief aan [gedaagde] waarin ze [gedaagde] verzoekt om contact met haar op te nemen ten behoeve van de dekking van [hond] in december. Op 12 december 2025 reageert [gedaagde] dat [hond] niet zal worden teruggegeven aan [eiser] nu [gedaagde] in augustus 2024 eigenaar is geworden van [hond]. Bij e-mail d.d. 19 december 2025 betwist [eiser] dat [gedaagde] eigenaar is geworden en vordert afgifte van [hond]. [gedaagde] laat op 24 december 2024 per e-mail weten hier geen gehoor aan te geven.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, na intrekking van de eisvermeerdering ter zitting, - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht te verklaring dat [eiser] eigenaar is van hond [hond];
  • [gedaagde] te veroordelen om binnen 3 dagen na het in dezen te wijzen vonnis hond [hond] terug te brengen naar [eiser];
  • [gedaagde] te veroordelen tot het betalen van de schade ad € 500,00 resp. € 1.000,00 welke [eiser] geleden heeft doordat [hond] niet en niet tijdig ter dekking is teruggebracht, evenals de € 55,00 voor de rest pogestoron;
  • [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] stelt dat zij eigenaar is van [hond] en dat zij [hond] als gasthond heeft geplaatst bij [gedaagde]. [gedaagde] handelt onrechtmatig jegens [eiser] nu zij [hond] niet op de afgesproken tijd terugbrengt ter dekking en [hond] bij de Nederlandse Databank Gezelschapsdieren op haar naam heeft geregistreerd. De door [eiser] hierdoor geleden schade dient [gedaagde] te vergoeden.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] stelt zich hierbij primair op het standpunt dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen en dat de aard van de gevorderde voorzieningen zich niet leent voor behandeling in kort geding. Subsidiair voert [gedaagde] aan dat sprake is van eigendomsoverdracht waardoor [gedaagde] eigenaar is geworden van [hond].
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Toetsingskader
4.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Het ligt op de weg van [eiser] om te stellen en te onderbouwen dat zij een spoedeisend belang heeft bij de vorderingen die zij instelt.
4.2.
Verder is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Ook moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Spoedeisend belang ontbreekt
4.3.
[eiser] stelt dat zij spoedeisend belang heeft bij onderhavige vordering. Daartoe voert zij aan dat zij [hond] spoedig ter dekking terug moet hebben en gerechtvaardigd vreest dat [gedaagde] [hond] laat steriliseren waardoor voortzetting van de lijn van [hond] in de stamboom onmogelijk is. Desgevraagd heeft [eiser] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat ze haar hond terug wil en thuis wil hebben en dat het vertrouwen in [gedaagde] volledig weg is.
4.4.
[gedaagde] betwist dat [eiser] spoedeisend belang heeft bij onderhavige vordering en stelt daartoe dat [eiser] heeft nagelaten enig bewijs te overleggen waaruit blijkt dat [hond] thans loops is, dan wel dat [gedaagde] voornemens is om [hond] te steriliseren.
4.5.
Niet gesteld of gebleken is dat [hond] op dit moment loops is en dat dekking nu mogelijk is. Ook is niet gesteld of gebleken waarom er bij [eiser] vrees bestaat dat [gedaagde] [hond] zal laten steriliseren. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat er onvoldoende is gesteld waarom [hond] nu moet worden overgedragen aan [eiser]. De gestelde omstandigheden zijn niet van dien aard, dat op dit moment sprake is van een situatie, die zodanig acuut of ernstig is dat van [eiser] niet gevergd kan worden de uitkomst van de bodemprocedure af te wachten. Dat [eiser] haar hond terug wil hebben omdat het vertrouwen in [gedaagde] helemaal weg is, verandert dat niet. De vorderingen van [eiser] zullen bij ontbreken van spoedeisend belang dan ook worden afgewezen.
4.6.
Ten overvloede merkt de kantonrechter het volgende op. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat zij eigenaar is van [hond]. Zoals door [gedaagde] terecht opgemerkt, waarop door [eiser] niet is gereageerd, kan een dergelijke declaratoire vordering niet in kort geding worden toegewezen. Dit betreft namelijk geen voorlopige maatregel maar een oordeel met een definitief karakter. Verder staat niet zonder meer vast dat [eiser] eigenaar is van [hond]. Zowel het paspoort als de stamboom van [hond] zijn overgedragen aan [gedaagde] en daarnaast duidt [eiser] zich zelf in de overeenkomst d.d. 1 juni 2026 aan als ‘voormalig eigenaar’ en spreekt zij in de WhatsAppcorrespondentie d.d. 24 juli 2024 van een ‘definitief’ vertrek. Dit lijkt haar eigen stellingen tegen te spreken waardoor eventueel een bewijsopdracht aan de orde is. Daarvoor is een kort geding procedure echter niet geschikt.
Proceskosten
4.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
721,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op
5 maart 2026