Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 in de zaak tussen
[naam] ,
Port of Roermond Coöperatief U.A., gevestigd te Roermond (gemachtigden: mrs. R. Olivier, R.N. van der Velde en M.A.T. Schroots).
Rechtbank Limburg
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond verleende op 25 november 2025 een omgevingsvergunning voor het kappen van circa 200 bomen nabij een locatie in Roermond. Verzoekers maakten bezwaar tegen deze kapvergunning en vroegen op 2 maart 2026 om een voorlopige voorziening om de uitvoering te schorsen.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de kapvergunning reeds in werking was getreden omdat het verzoek om voorlopige voorziening niet binnen de wettelijke termijn van vier weken was ingediend. Op 4 maart 2026 was de uitvoering van de kapvergunning al gestart, waardoor sprake was van een spoedeisend belang. Echter, een van de verzoekers had geen bezwaar ingediend en kon daarom geen voorlopige voorziening verkrijgen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekers wel belanghebbenden waren omdat zij vanuit hun woonpercelen zicht hadden op de bomen. De aangevoerde belangen zoals verlies van broedplaatsen, aantasting van het landschap en leefbaarheid werden getoetst aan de weigeringsgronden uit de Algemene Plaatselijke Verordening. De rechter vond dat het college de belangen voldoende had meegewogen en gemotiveerd waarom de vergunning niet onevenredig zou schaden.
Het belang van vergunninghoudster en het algemeen belang bij uitvoering van het hoogwaterbeschermingsproject wogen zwaarder dan het belang van verzoekers. De rechter vond dat het verzoek om voorlopige voorziening onvoldoende spoedeisend was en dat de kapvergunning naar voorlopig oordeel rechtmatig was. Daarom werd het verzoek afgewezen en mocht de kapvergunning worden uitgevoerd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de kapvergunning is afgewezen en de vergunning mag worden uitgevoerd.