ECLI:NL:RBLIM:2026:2258

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
03/167012-25
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor invoer cocaïne en gevaarlijk rijgedrag met gevangenisstraf en rijontzegging

De rechtbank Limburg heeft op 11 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die op 30 mei 2025 ongeveer 129 kilogram cocaïne heeft ingevoerd en zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig gevaarlijk rijgedrag. De verdachte bekende de feiten en werd bijgestaan door zijn advocaat.

De rechtbank oordeelde dat het rijgedrag van de verdachte, waaronder rijden met hoge snelheden in een woonwijk, negeren van rood licht en rijden tegen de verkeersrichting in, levensgevaar voor anderen opleverde. Het bewijs bestond uit politieprocessen-verbaal, NFI-rapportages en de verklaring van de verdachte.

Gezien de ernst van de drugshandel en het gevaarlijke rijgedrag, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 48 maanden op, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Tevens werd een rijontzegging van 12 maanden opgelegd, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. De rechtbank benadrukte het belang van begeleiding en hulpverlening tijdens de proeftijd om recidive te voorkomen.

De straf is lager dan de eis van 5 jaar onvoorwaardelijk, mede vanwege persoonlijke omstandigheden en het hoge recidiverisico dat met begeleiding kan worden verminderd. De verdachte moet zich onder meer melden bij de reclassering, meewerken aan middelencontrole en werken aan dagbesteding en financiële situatie.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, en 12 maanden rijontzegging wegens invoer van cocaïne en gevaarlijk rijgedrag.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03/167012-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 11 maart 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboortegegevens] 1997,
thans gedetineerd in [P.I.] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.J.H.M. de Crom, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 februari 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging – na wijziging – is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1:op 30 mei 2025 opzettelijk 129 kilogram cocaïne heeft ingevoerd (primair) dan wel aanwezig heeft gehad (subsidiair);
Feit 2:op 30 mei 2025 de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden, waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde. De verdachte heeft deze feiten bekend.
3.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het bewijs heeft de raadsvrouw zich, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
De verdachte heeft de onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde feiten bekend en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. Hierdoor kan worden volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten:
T.a.v. feit 1 primair:
- het proces-verbaal van bevindingen van 5 juni 2025; [2]
- het proces-verbaal van bevindingen van 31 mei 2025; [3]
- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 18 juni 2025; [4]
- de rapportages van het Nederlands Forensisch Instituut van 10 juni 2025; [5]
- de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 februari 2026.
T.a.v. feit 2:
- de processen-verbaal van bevindingen van 31 mei 2025; [6]
- de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 februari 2026.
Levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank is van oordeel dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Immers heeft de verdachte (ook door een woonwijk) gereden met veel hogere snelheden dan de toegestane maximumsnelheid. Door de woonwijk reed hij met snelheden tegen de 80 kilometer per uur waar 30 kilometer per uur was toegestaan. Verder is hij een afrit van de autoweg tegen de verkeersrichting in opgereden en negeerde hij een rood verkeerslicht. Daarbij heeft het feit gedeeltelijk in een woonwijk plaatsgevonden, op een tijdstip (vrijdagavond rond 21:00 uur) waarvan algemeen bekend is en daarmee ook voorzienbaar voor verdachte, dat zich daar voetgangers en fietsers verplaatsen. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt ook dat er daadwerkelijk veel personen, waaronder kinderen, buiten waren. De rechtbank acht verder van belang dat in het verkeer in het algemeen niet goed voorspelbaar is hoe andere verkeersdeelnemers zullen reageren op schending van verkeersregels c.q. het rijgedrag van de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het gedrag van verdachte met zich dat hij niet in staat kan worden geacht steeds adequaat te reageren op de aanwezigheid en het verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
T.a.v. feit 1 primair:
op 30 mei 2025 te Stein opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 129 kilogram van een middel bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
T.a.v. feit 2:
op 30 mei 2025 in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bestelauto, merk Peugeot [type] met kenteken [kenteken] ) daarmee rijdende op de weg, te weten de A76 en de N281 richting Kerkrade en de Parallelweg, Keizerstraat, Vorstenstraat, Koningstraat, Laanderstraat, Eikenderweg, Diepenbrockstraat, Sweelinckstraat, Gebroeders Hennestraat en de Looierstraat, opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door
- over een vluchtstrook te rijden waar dit niet was toegestaan en
- ongeveer 170 km/u te rijden en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde
maximumsnelheid van 130 km/u te overschrijden en
- ongeveer 170 km/u te rijden en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde
maximumsnelheid van 80 km/u te overschrijden en
- ongeveer 80 km/u te rijden en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde
maximumsnelheid van 30 km/u te overschrijden en
- door rood licht te rijden en
- tegen de verkeersrichting in te rijden en
- tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vast te houden
terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
T.a.v. feit 1 primair:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod.
T.a.v. feit 2:
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf en de maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van het voorarrest en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafbepaling rekening moet worden gehouden met de proceshouding en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Ook moet, meer dan de officier van justitie heeft gedaan, aansluiting worden gezocht bij het soort straffen dat in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd. Onder verwijzing naar jurisprudentie heeft de raadsvrouw verzocht om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Tevens acht de raadsvrouw het van belang dat aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden worden verbonden, zodat de verdachte na zijn invrijheidstelling via de reclassering begeleiding kan krijgen. Zonder begeleiding is het recidiverisico na een gevangenisstraf hoog en daar is niemand bij gebaat.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van 129 kilogram cocaïne. Dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan een ernstig strafbaar feit is evident. Door de invoer van een dergelijk grote hoeveelheid cocaïne heeft de verdachte zich begeven op het terrein van de internationale handel in harddrugs, waarmee hij een bijdrage heeft geleverd aan het criminele drugscircuit. De handel in cocaïne gaat gepaard met vele vormen van criminaliteit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. Niet alleen de gezondheid en het welzijn van de samenleving worden door deze handel nadelig beïnvloed; de verdiende miljoenen dienen witgewassen te worden, hetgeen zorgt voor een verweving van de onderwereld met de bovenwereld en een corrumperende invloed heeft op betrokken (financiële) functionarissen en instellingen. De verdachte heeft geen oog gehad voor deze ongewenste effecten op de samenleving en was enkel uit op zijn eigen financiële gewin.
De verdachte heeft ook meerdere ernstige verkeersovertredingen begaan toen de politie de verdachte een volgteken gaf nadat het kenteken van de bestelbus waarin de verdachte reed en waarmee hij cocaïne vervoerde, een treffer had gegenereerd in het Automatic Numberplate Recognition (ANPR) systeem. Bij het zien van het volgteken sloeg bij de verdachte, die wist dat de lading in de bestelbus illegaal was, de paniek toe. Hij heeft, koste wat het kost, willen wegkomen en heeft in zijn poging om te ontsnappen aan de politie zeer gevaarlijk rijgedrag vertoond. Zo heeft hij een rood stoplicht genegeerd, de maximumsnelheid op de autoweg, maar ook in een woonwijk, overschrijden met 40 tot 90 km/u en is hij tegen de verkeersrichting in een afrit van de autoweg opgereden. Daarmee heeft hij de overige weggebruikers ernstig in gevaar gebracht. Het mag een wonder heten dat er geen personen gewond zijn geraakt. Aan de dollemansrit is uiteindelijk een einde gekomen toen de politie de verdachte wist te stoppen door op hem in te rijden. De rechtbank rekent de verdachte de bewezen verklaarde feiten zwaar aan.
Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur in beginsel zonder meer gerechtvaardigd is. Dat volgt uit de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. De strafeis van de officier van justitie is, gelet op het voorgaande, geen vreemde eis en in beginsel ook passend.
De persoon van de verdachte, zoals deze naar voren komt uit het rapport van de reclassering van 13 februari 2026 en uit de toelichting ter terechtzitting, geeft de rechtbank echter aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Hoewel de reclassering in haar rapportage te kennen heeft gegeven geen mogelijkheden te zien voor interventies of toezicht, is de rechtbank met de raadsvrouw van oordeel dat deze wel noodzakelijk zijn om het hoge recidiverisico te minderen. De verdachte is beïnvloedbaar en makkelijk over te halen om illegale klusjes uit te voeren om snel geld te verdienen. De verdachte is immers al meerdere keren veroordeeld, waaronder in 2020 nog voor een woningoverval, waarbij financieel gewin, net als nu, de drijfveer was. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk dat de verdachte na zijn detentie hulp krijgt bij het in kaart brengen van zijn schulden en het vinden van een dagbesteding. Ook het middelengebruik, namelijk het gebruik van softdrugs om de pijnklachten ten gevolge van scoliose te bestrijden, moet in kaart worden gebracht om alternatieven te vinden voor de pijnbestrijding zodat het middelengebruik kan worden teruggebracht. Ter terechtzitting heeft de verdachte ook aangegeven dat hij op meerdere leefgebieden hulp nodig heeft en die hulp ook wil accepteren.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte voor beide feiten moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte hulp en begeleiding krijgt als hij op vrije voeten komt. Als de rechtbank de officier van justitie volgt in zijn eis, bestaat weliswaar de mogelijkheid van een voorwaardelijke invrijheidstelling maar gelet op het drugsgebruik van de verdachte is het niet zeker dat hij daarvoor in aanmerking zal komen. Bij executie van de straf zoals de rechtbank die zal opleggen, zal de verdachte een periode vastzitten die vergelijkbaar is met de periode die geëxecuteerd wordt bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaar met een voorwaardelijke invrijheidstelling. Echter is bij een deels voorwaardelijke straf de hulp en begeleiding, die de rechtbank zoals gezegd belangrijk vindt, verzekerd.
De rechtbank zal daarnaast voor feit 2 een ontzegging van de rijbevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Met deze ontzegging wordt beoogd te voorkomen dat de verdachte opnieuw op een dergelijke wijze aan het verkeer zal deelnemen en maakt het in generaal preventieve zin duidelijk dat dergelijk rijgedrag niet wordt geaccepteerd in onze maatschappij. De raadsvrouw heeft verzocht om een rijontzegging achterwege te laten of geheel voorwaardelijk op te leggen, maar gelet op de recidive van de verdachte ter zake van de Wegenverkeerswetregelgeving en het gevaar zettende karakter van zijn rijgedrag, gaat de rechtbank daar niet in mee. Wel zal de rechtbank een deel van de rijontzegging voorwaardelijk opleggen als stok achter de deur om het recidiverisico te verminderen.
Aan het voorwaardelijk strafdeel worden bijzondere voorwaarden verbonden, te weten een meldplicht bij de reclassering, het vinden (en houden) van dagbesteding, het geven van inzicht in zijn financiën en het meewerken aan middelencontrole, waarbij aan de reclassering in overweging wordt gegeven om met de verdachte te kijken naar alternatieve pijnbestrijding om het softdrugsgebruik te stoppen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 5a, 176, en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van
  • stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
  • Meldplicht: de veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij de reclassering (bereikbaar via 088-8041504). Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang deze dat nodig vindt en houdt zich aan haar aanwijzingen en richtlijnen;
  • Dagbesteding: de veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van (on)betaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
  • Inzicht in financiën: de veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
  • Meewerken aan middelencontrole: de veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen en inzicht te behouden in de aard en intensiteit van het gebruik. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd. Samen met de reclassering spant de veroordeelde zich in om te kijken naar alternatieven voor pijnbestrijding;
  • geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Ontzegging van de rijbevoegdheid
  • legt aan de verdachte op
  • bepaalt dat het voorwaardelijke deel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. E.B.A. Ferwerda en
mr. M. el Jerrari, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.P. Huntjens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 maart 2026.BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
T.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 30 mei 2025 te Stein althans in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 129 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 mei 2025 te Geleen en/of Schinnen en/of Nuth en/of Heerlen en/of Simpelveld en/of Kerkrade, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 129 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
T.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 30 mei 2025 te Geleen en/of Schinnen en/of Nuth en/of Heerlen en/of Simpelveld en/of Kerkrade, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bestelauto, merk Peugeot [type] met kenteken [kenteken] ) daarmee rijdende op de weg, te weten de A76 en/of de N281 richting Kerkrade en/of de Parallelweg, Keizerstraat, Vorstenstraat, Koningstraat, Laanderstraat, Eikenderweg, Diepenbrockstraat, Sweelinckstraat, Gebroeders Hennestraat en/of de Looierstraat, opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden
geschonden, door
- over een vluchtstrook te rijden waar dit niet was toegestaan en/of
- ongeveer 170 km/u te rijden en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde
maximumsnelheid van 130 km/u te overschrijden en/of
- ongeveer 170 km/u te rijden en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde
maximumsnelheid van 80 km/u te overschrijden en/of
- ongeveer 80 km/u te rijden en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde
maximumsnelheid van 30 km/u te overschrijden en/of
- ( meermaals) door rood licht te rijden en/of
- tegen de verkeersrichting in te rijden en/of
- tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vast te houden
terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de politie met onderzoeknummer LBRAA25224 gesloten op 31 oktober 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 250.
2.Pagina 117 en 118.
3.Pagina 86 en 87 en pagina 121 tot en met 123.
4.Pagina 159 tot en met 181
5.Pagina 182 tot en met 184.
6.Pagina 57 tot en met 64, 68 en pagina 121 tot en met 123.