ECLI:NL:RBLIM:2026:227

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
11837251
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Quaedackers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:225 BWArt. 6:96 BWBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokostenBesluit gemeentelijke schuldhulpverlening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding en ontruiming woonruimte wegens huurachterstand en betalingsverplichting

Grobel VI verhuurt sinds 24 juli 2023 een woonruimte aan [gedaagde], die een huurachterstand heeft opgebouwd van vijf maanden. Ondanks aanmaningen en aanmelding bij schuldhulpverlening heeft [gedaagde] niet aan zijn betalingsverplichtingen voldaan.

Grobel VI vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand, wettelijke rente, incassokosten en gebruiksvergoeding. De kantonrechter stelt vast dat de huurachterstand ernstig genoeg is voor ontbinding en wijst de vorderingen toe, met uitzondering van de buitengerechtelijke incassokosten wegens onvoldoende bewijs van ontvangst van de veertiendagenbrief.

[gedaagde] wordt veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening te ontruimen en de sleutels te overhandigen. Tevens moet hij de achterstallige huur en de gebruiksvergoeding betalen. De proceskosten worden aan [gedaagde] opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en [gedaagde] veroordeeld tot ontruiming en betaling van achterstallige huur, wettelijke rente en gebruiksvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11837251 \ CV EXPL 25-3255
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
GROBEL VI B.V.,
te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Grobel VI,
gemachtigde: Deurwaarderskantoor Van de Pas & Partners B.V. Weert,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 11 augustus 2025 met producties 1 tot en met 5;
- de schriftelijke weergave van het antwoord van [gedaagde] ;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 14 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en waarbij Grobel VI een overzicht van de actuele betalingsachterstand heeft overgelegd en waarbij [gedaagde] niet is verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Grobel VI verhuurt met ingang van 24 juli 2023 aan [gedaagde] de woonruimte met aanhorigheden aan de [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt thans € 982,93 per maand en dient bij vooruitbetaling te geschieden. De “Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte” conform het ROZ-model van 20 maart 2017 (hierna: de algemene voorwaarden) maken onderdeel uit van de huurovereenkomst.
2.2.
[gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan.
2.3.
Grobel VI heeft [gedaagde] telefonisch aangemaand om aan zijn betalingsverplichting te voldoen.
2.4.
Op 23 juni 2025 heeft Grobel VI [gedaagde] aangemeld bij de gemeente of een namens de gemeente opererende schuldhulpinstantie.

3.Het geschil

3.1.
Grobel VI vordert – samengevat – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en zonder borgtocht, ontbinding van de huur- en verhuurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.228,63, bestaande uit € 2.910,08 aan huurachterstand, € 29,48 aan wettelijke rente en € 289,07 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede € 982,93 voor elke maand tot de ontruiming van het gehuurde en de proceskosten.
3.2.
Grobel VI legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] herhaaldelijk toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de contractuele betalingsverplichtingen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Huurachterstand, ontbinding en ontruiming
4.1.
[gedaagde] heeft het bestaan en de hoogte van de huurachterstand niet weersproken, zodat de gevorderde huurachterstand tot en met augustus 2025 van € 2.910,08 zal worden toegewezen.
4.2.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden voldoende zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Hiertoe worden ook omstandigheden gerekend van na de gestelde tekortkoming.
4.3.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand drie maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en ten tijde van de mondelinge behandeling beloopt deze vijf maanden. De kantonrechter acht de huurachterstand ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. De door [gedaagde] aangevoerde financiële en persoonlijke omstandigheden maken niet dat sprake is van een tekortkoming van geringe betekenis of van bijzondere aard. Deze omstandigheden komen voor zijn rekening en risico en doen niet af aan de belangen die Grobel VI heeft bij een huurder die aan zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst voldoet. Van belang is verder dat Grobel VI onweersproken heeft gesteld dat zij [gedaagde] op 23 juni 2025 bij de gemeente of een namens de gemeente opererende schuldhulpinstantie heeft aangemeld conform het bepaalde in artikel 2 van Pro het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening.
4.4.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagde] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit, in tegenstelling tot de door [gedaagde] gevraagde termijn van een of twee maanden, een redelijke termijn is om te verhuizen en aan de veroordeling te voldoen.
4.5.
Grobel VI vordert voorts dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 982,93, met ingang van 1 september 2025 tot het moment dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit gelet op artikel 7:225 BW Pro een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente
4.6.
Grobel VI vordert betaling van buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep op bedrijf) en moet daarom ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over deze gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een beding niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die afspraak. [2]
4.7.
De kantonrechter stelt vast dat de algemene voorwaarden in artikel 25.2 een beding bevatten op grond waarvan Grobel VI aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Het beding wijkt niet ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling die zonder dat beding zou gelden. Het beding is daarom niet oneerlijk en staat niet aan toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten in de weg.
4.8.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten moeten worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De buitengerechtelijke incassokosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu niet gebleken is dat de veertiendagenbrief door [gedaagde] ontvangen is, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW Pro. [gedaagde] betwist dat hij voorafgaand aan de dagvaarding enige aanmaning van Grobel VI heeft ontvangen. Het ligt op de weg van Grobel VI om feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat de veertiendagenbrief is verzonden en door [gedaagde] is ontvangen. De enkele stelling dat de brief op 7 juli 2025 door haar is verzonden en dus uiterlijk op 9 juli 2025 door [gedaagde] is ontvangen, is onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde] de veertiendagenbrief heeft ontvangen.
4.9.
De kantonrechter stelt vast dat de algemene voorwaarden geen beding bevatten op grond waarvan Grobel VI aanspraak kan maken op vergoeding van wettelijke rente. Nu [gedaagde] tegen de gevorderde vervallen wettelijke rente tot en met 11 augustus 2025 van € 29,48 geen verweer heeft gevoerd en hij in verzuim verkeert, zal deze worden toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde wettelijke rente over € 2.910,08, welke wordt toegewezen vanaf 12 augustus 2025, aangezien de rente over de hoofdsom al tot en 11 augustus 2025 is berekend.
4.10.
Grobel VI vordert veroordeling van [gedaagde] uitvoerbaar bij voorraad en zonder borgtocht. Dit laatste onderdeel wordt afgewezen nu dit niet is toegelicht door Grobel VI.
Proceskosten
4.11.
[gedaagde] wordt overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Grobel VI worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.229,21
4.12.
De gevorderde btw over het salaris gemachtigde wordt afgewezen nu hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huur- en verhuurovereenkomst met betrekking tot de woonruimte met aanhorigheden, staande en gelegen te [plaats] aan de [adres] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woonruimte met aanhorigheden, staande en gelegen te [plaats] aan de [adres] , met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Grobel VI zijn, te ontruimen en te verlaten en de sleutels af te geven aan Grobel VI,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Grobel VI te betalen € 2.939,56, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.910,08 vanaf 12 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Grobel VI te betalen € 982,93 per maand aan lopende huur dan wel gebruiksvergoeding voor iedere ingegane maand vanaf 1 september 2025 tot het tijdstip van ontruiming,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.229,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en HvJ EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971 (Gupfinger).