ECLI:NL:RBLIM:2026:2305

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
03.242423.23 OWV
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 SrArt. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens overlijden verdachte

De rechtbank Limburg behandelde op 11 maart 2026 de zaak tegen de verdachte, die op een eerder moment in 2026 was overleden. Tijdens de terechtzitting van 25 februari 2026 werd vastgesteld dat de verdachte was overleden, waardoor het recht tot strafvordering volgens artikel 69 van Pro het Wetboek van Strafrecht vervalt.

De rechtbank verwees naar de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin is bevestigd dat het overlijden van de betrokkene ook het recht tot het aanvangen of voortzetten van een procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel beëindigt. Dit betekent dat ook de ontnemingsvordering niet kan worden voortgezet.

Op grond van deze overwegingen verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in aanwezigheid van de rechters en griffier.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het overlijden van de verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.242423.23 OWV
Uitspraak van de meervoudige kamer van 11 maart 2026 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
[adres] ,
overleden op [overlijdensdag 1] 2026.
[verdachte] werd bij leven bijgestaan door mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

Deze uitspraak is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 februari 2026. De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie. De behandeling van de ontnemingsvordering had gelijktijdig plaats met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03.242423.23.

2.Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte op [overlijdensdag 1] 2026 is overleden. Artikel 69 van Pro het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat het recht tot strafvordering vervalt door de dood van de verdachte. De Hoge Raad heeft, mede onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, bepaald dat genoemd artikel aldus moet worden uitgelegd dat door de dood van de betrokkene ook het recht tot aanvangen/voortzetten van een procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vervalt (zie HR 18 maart 2008, NJ 2008/181). Gelet hierop zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart de officier van justitie
niet-ontvankelijkin de vordering.
Deze uitspraak is gewezen door mr. M. el Jerrari, voorzitter, mr. E.B.A. Ferwerda en mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Lejeune, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 maart 2026.