ECLI:NL:RBLIM:2026:2306

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
03.294605.23 (ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel)
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na medeplegen hennepteelt

De rechtbank Limburg behandelde op 25 februari 2026 de ontnemingsvordering tegen verdachte, die op 11 maart 2026 werd uitgesproken. Verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt op 21 september 2023. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op €53.365,70, gebaseerd op een politierapport.

Verdachte verklaarde dat een oogst van 50 hennepplanten was verkocht voor €1.000,- en dat een andere kweekruimte onder het kippenhok mislukt was door vocht, waardoor daar geen opbrengst was. De rechtbank achtte de verklaring over de mislukte oogst aannemelijk, maar verwierp de lage opbrengst van €1.000,- als niet representatief en baseerde de berekening op het Functioneel Rapport Afpakken.

De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €10.353,67, berekend op basis van 98 planten met een gemiddelde opbrengst van 32,2 gram per plant en een kiloprijs van €4.070,-, minus vaste en variabele kosten. Omdat verdachte samen met zijn inmiddels overleden zoon de hennepteelt pleegde, legde de rechtbank hem slechts de helft van het bedrag als betalingsverplichting op, namelijk €5.176,84.

De maatregel is opgelegd op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank bepaalde tevens een gijzelingstermijn van 50 dagen voor het geval de betaling uitblijft.

Uitkomst: Betalingsverplichting van €5.176,84 opgelegd ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.294605.23 (ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel)
Tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer van 11 maart 2026 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1953,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen [verdachte] .
[verdachte] wordt bijgestaan door mr. S. Weening, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 februari 2026. [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03.294605.23. Op 11 maart 2026 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.

2.De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op € 53.365,70.
Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten dan waarvoor [verdachte] is veroordeeld. Er zouden voldoende aanwijzingen bestaan dat dit andere feit door [verdachte] is begaan.

3.De beoordeling

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij haar vordering. Daartoe heeft zij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat uit het dossier voldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte het geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Dit bedrag is gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van de politie.
3.2
Het standpunt van de verdediging
[verdachte] heeft vanaf het eerste verhoor van de politie verklaard over eerdere hennepoogsten en er is geen reden aan de juistheid van zijn verklaringen te twijfelen, zodat die als uitgangspunt genomen dienen te worden. [verdachte] heeft verklaard dat de kweekruimte onder het kippenhok te vochtig was waardoor de hennepplanten die daar stonden beschimmeld waren en hij hiervan geen opbrengst heeft genoten. De oogst van 50 hennepplanten uit de kweekruimte in de kelder van de woning heeft [verdachte] verkocht voor € 1.000,-. Op dit bedrag dienen nog kosten in mindering te worden gebracht om tot het wederrechtelijk verkregen voordeel te komen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
Bij voormeld vonnis van 11 maart 2026 is [verdachte] veroordeeld wegens - onder meer - medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd op 21 september 2023.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en/of uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan.
3.3.2
Het bewijs [1]
De politie heeft in een woning aan de [adres] een hennepkwekerij aangetroffen en heeft daarover -zakelijk weergegeven- gerelateerd [2] :
Op het adres [adres] staan de volgende personen ingeschreven: [verdachte] en [naam 1] .
Na het binnentreden op 21 september 2023 op het adres [adres] zag ik, [naam 2] , het volgende. Tijdens de doorzoeking werd in de kelder een verborgen ruimte aangetroffen. Deze ruimte lag achter een kast. Er werd een monotoon "zoemgeluid" van achter de kast waargenomen. Na verwijdering van deze kast werd een klein luik aangetroffen. In de contouren van dit luikje werd een in werking zijnde hennepplantage zichtbaar. Deze ruimte wordt hierna ruimte 4 genoemd (kweekruimte 1). In de ruimte alwaar de in werking zijnde hennepplantage werd aangetroffen, werden in totaal 98 hennepplanten aangetroffen. De planten waren alle ongeveer 20 cm hoog. Zij stonden nagenoeg allemaal met 2 planten in een grote rechthoekige plantenbak met potgrond. Afmetingen ruimte 4: 585 cm x 300 cm.
Ik, [naam 2] , constateerde op grond van mijn kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het 98 hennepplanten waren.
Ik, [naam 2] , constateerde gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepplanten waren.
Verder werd tijdens de zoeking een tweede "verborgen ruimte" aangetroffen onder het
tuinhuisje/schuur, direct achter de woning. In deze schuur was een gat/luik in de
vloer. Via dat luik kon men in 3 afzonderlijke ruimten komen. In een van deze afzonderlijke ruimte hing apparatuur voor het telen van hennep. In een andere afzonderlijke ruimte werden in totaal 35 zogenaamde droogrekken aangetroffen. Op enkele van deze droogrekken waren minieme restanten van hennep.
Tijdens een ingesteld onderzoek in ruimte 2 bleek mij, [naam 2] , dat op het zeil dat op
de vloer was aangebracht, kalkafzetting was en dat afdrukken van plantenbakken op het
gehele zeil zichtbaar waren. Hieruit bleek mij, [naam 2] , dat de ruimte 2 een kweekruimte betrof en dat er kweek van hennep had plaatsgevonden.
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 25 februari 2026 -voor zover van belang-:
Ik heb de plantage samen met mijn zoon gehad. Hij was degene die ervoor zorgde als ik er niet was. Met de aangetroffen hennep, maakten wij wietolie. Mijn zoon had die olie nodig om rustig te worden voor het slapen gaan. Ik heb eerder planten gehad en geoogst in beide ruimtes.
Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] door middel van of uit de baten van voormeld feit voordeel heeft gekregen.
3.3.3
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op € 10.353,67.
De rechtbank overweegt dat er voldoende aanwijzingen zijn dat [verdachte] gedurende langere tijd hennep heeft geteeld. De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk voordeel uit van de verklaring van [verdachte] dat hij samen met zijn zoon één keer heeft geoogst van de hennepplantage onder de kelder van het tuinhuisje/schuur en één keer van de hennepplantage in de kelder van de woning.
De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] , inhoudende dat de oogst van de hennepplantage in de kelder onder het tuinhuisje/schuur is mislukt doordat de planten beschimmeld waren en hij daar niets aan heeft verdiend, aannemelijk gelet op de foto’s in het dossier van deze kweekruimte waarop is te zien dat de bodem vochtig is. De rechtbank is daarom van oordeel dat onvoldoende vaststaat dat [verdachte] van deze oogst opbrengst heeft gehad.
[verdachte] heeft verklaard dat hij eenmaal 50 planten heeft geoogst van de hennepplantage in de kelder van de woning en daarmee € 1.000,- heeft verdiend. Deze opbrengst wijkt te sterk af van het gemiddelde uit het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Functioneel Pakket Afpakken van 1 juni 2016 om aannemelijk te worden geacht. Om deze reden zal de rechtbank bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van de normen uit het rapport en niet van de verklaring van [verdachte] . De rechtbank gaat er daarbij ook vanuit dat in de eerdere plantage – net zoals bij hennepplantage waarvoor verdachte is veroordeeld- 98 planten stonden. Het is niet aannemelijk dat [verdachte] de kweekruimte de eerste keer slechts voor de helft heeft gevuld.
Bij de berekening van het voordeel zal de rechtbank uitgaan van een gemiddelde opbrengst per plant van 32,2 gram. Dit betekent dat [verdachte] een netto opbrengst heeft gehad van 98 hennepplanten x 32,2 gram = 3,1556 kilogram.
De rechtbank zal uitgaan van de door het rapport van het Functioneel Rapport Afpakken gehanteerde kiloprijs van € 4.070,-. De totale netto opbrengst van 1 oogst bedraagt dan: 3,1556 kilogram x € 4.070,- = € 12.843,29.
Van de bruto opbrengst moeten de kosten nog worden afgetrokken. Ook ten aanzien van deze kosten zal worden uitgegaan van de normbedragen uit de update van het rapport van het Functioneel Rapport Afpakken. Volgens dit rapport bedragen de vaste afschrijvingskosten bij een kwekerij van 0 tot 199 planten € 150,- per oogst.
De kosten voor de aankoop van één stekje bedragen € 3,81 euro. De totale kosten van de stekken bedraagt dan: 98 planten x € 3,81 = € 373,38.
De variabele kosten zijn per plant € 3,88. De totale variabele kosten bedragen dan: 98 planten x € 3,88 = € 380,24.
De elektriciteitskosten bedragen € 1.586,- per oogst.
Het vorenstaande brengt mee dat het door [verdachte] netto wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op € 10.353,67 berekend als volgt:
Bruto opbrengst € 12.843,29
Te verminderen met:
vaste afschrijvingskosten € 150,00
kosten stekken € 373,38
variabele kosten € 380,24
elektriciteitskosten
€ 1.586,00
samen
€ 2.489,62
resteert € 10.353,67
3.3.4
De op te leggen betalingsverplichting
De rechtbank zal aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling van € 5.176,84 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Hiertoe overweegt zij het volgende.
[verdachte] heeft het feit gepleegd samen met zijn zoon en het is aannemelijk dat zijn zoon in de opbrengst heeft gedeeld. Normaal gesproken zou de rechtbank aan [verdachte] een hoofdelijke betalingsverplichting ter ontneming van het gezamenlijk wederrechtelijk verkregen voordeel opleggen.
De rechtbank ziet hier echter van af omdat de zoon van [verdachte] is overleden en niets zal kunnen voldoen. Om die reden stelt de rechtbank de betalingsverplichting van [verdachte] vast op de helft van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.

4.Het wettelijke voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
  • legt [verdachte] de verplichting op tot
- bepaalt de duur van de
gijzelingdie met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
50 dagen.
Deze uitspraak is gewezen door mr. M. el Jerrari, voorzitter, mr. E.B.A. Ferwerda en
mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Lejeune, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 maart 2026.
Buiten staat
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023150259, gesloten d.d. 1 december 2023, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 795.
2.Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 24 oktober 2023, pg. 364-372.