Op 10 mei 2022 werd verdachte betrapt op het gezamenlijk en in vereniging aanwezig hebben van circa 92 gram netto cocaïne, 30 gram MDMA, 304 XTC-pillen, 81 gram hasjiesj en 1.216 gram hennep in een woning te Heerlen. De rechtbank achtte deze feiten wettig en overtuigend bewezen, mede door de bekennende verklaring van verdachte en diverse proces-verbalen van inbeslagneming en onderzoek.
Verdachte had haar woning ter beschikking gesteld aan derden die drugs wilden 'stashen' en ontving daarvoor een vergoeding. De rechtbank concludeerde dat verdachte ook hand- en spandiensten verrichtte, wat haar strafbaarheid versterkt. De aanwezigheid van deze drugs vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en veiligheid, mede door de overlast en criminaliteit die hiermee gepaard gaat.
De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, haar proceshouding, het feit dat het om oude feiten gaat en de overschrijding van de redelijke termijn. Gezien de ernst van de feiten en de omstandigheden legde de rechtbank een taakstraf van 160 uren op, die wegens de termijnoverschrijding werd gematigd tot 120 uren, met aftrek van drie dagen voorarrest. Daarnaast werden de inbeslaggenomen weegschalen verbeurd verklaard en de drugs aan het verkeer onttrokken.
De rechtbank wees een gevangenisstraf af en vond een onvoorwaardelijke taakstraf passend. De verdachte werd vrijgesproken van de niet door het NFI onderzochte verdovende middelen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Limburg te Maastricht op 11 maart 2026.