ECLI:NL:RBLIM:2026:2372

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
03.088562.23
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 9 SrArt. 9a SrArt. 10 OpiumwetArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen van bezit van cocaïne en 4-CMC in woning

Op 13 juli 2022 werd in een woning te Hoensbroek, waar verdachte woonde, een hoeveelheid van 30,83 gram cocaïne en 50,28 gram 4-CMC aangetroffen. Verdachte verklaarde dat haar broer de drugs in de woning had geplaatst met haar toestemming, maar zij ontkende beschikkingsmacht over de 4-CMC te hebben gehad.

De rechtbank oordeelde dat verdachte voldoende feitelijke macht had over de drugs in haar woning en dat zij, mede door haar betrokkenheid bij het rondbrengen en verpakken van drugs, medepleger was. De aanwezigheid van de drugs werd wettig en overtuigend bewezen verklaard.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de maatschappelijke impact van drugs, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar blanco strafblad en het lange tijdsverloop. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn werd de taakstraf gematigd van 100 naar 60 uur, met aftrek van twee dagen voorarrest. De rechtbank wees toepassing van artikel 9a Sr af en veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 60 uur.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur voor medeplegen van bezit van cocaïne en 4-CMC in haar woning.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.088562.23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige strafkamer van 11 maart 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1997,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.D. Maessen, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 februari 2026. De verdachte en haar raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 13 juli 2022 te Hoensbroek, al dan niet samen met (een) ander(en) harddrugs aanwezig heeft gehad.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit; ten aanzien van de cocaïne had zij weliswaar wetenschap, maar geen beschikkingsmacht en ten aanzien van de 4-CMC had zij geen wetenschap én geen beschikkingsmacht.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
Bewijsmiddelen
Het proces-verbaal van bevindingen (doorzoeking [adres 2] Hoensbroek), voor zover inhoudende [2] :
De woning aan de [adres 2] te Hoensbroek werd op 13 juli 2022 betreden. In de woning bleek volgens de Basisregistratie Personen te staan ingeschreven: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1997 te Sittard. Ik vorderde de uitlevering van alle aanwezige verdovende middelen in de woning. Wij hoorden dat [verdachte] zei dat er in de witte dressoirkast in de woonkamer in de derde lade van boven verdovende middelen lagen, deze zouden van haar broer [naam] zijn.
In de woonkamer werd (onder meer):
- in een wit dressoir in de derde lade van boven een plastic zakje met wit poeder aangetroffen (goednummer: 1524826);
- in de hoge dressoirkast bij het voorraam werd in het kastgedeelte in een mandje een sealbag met pillen met het ‘Rolls Royce’-logo aangetroffen (goednummer: 1524813).
De kennisgeving van inbeslagneming: [3]
Goednummer: PL2300-2022070232-1524826, aangetroffen in woonkamer dressoir, derde lade, brutogewicht 38,4 gram wit poeder brok.
Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met als bijlage het rapport NFiDENT [4] :
De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:
Goednummer: PL2300-2022069582-1524826 (SIN: AAPO6859NL).
Omschrijving: Het betrof een dichtgeknoopt transparant kunststof zakje met daarin wit gekleurde brokken met poeder, nettogewicht: 30,83 gram.
Monster A
SIN: AAOT7646NL (relatie met SIN: AAPO6859NL)
Conclusie: bevat cocaïne.
De kennisgeving van inbeslagneming: [5]
Goednummer: PL2300-2022070232-1524813, aangetroffen in woonkamer in gripzak, 52,2 gram bruto rode pillen, Rolls Royce-logo.
Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met als bijlage het rapport NFiDENT [6] :
De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:
Goednummer: : PL2300-2022070232-1524813 (SIN: AAPY0250NL)
Omschrijving: Het betrof een transparant kleurloos kunststof gripzakje met een rood gekleurd accent nabij de sluiting met daarin een transparant kleurloos kunststof gripzakje met een groen gekleurd accent nabij de sluiting. In het gripzakje met het groen gekleurd accent zaten 99 hele tabletten en 3 delen van een tablet. De tabletten waren roze gekleurd en hadden aan één zijde een breuklijn en op de andere zijde het logo van ‘Rolls Royce’, nettogewicht: 50,28 gram.
Monster A
SIN: AANK4888NL (relatie met SIN: AAPY0250NL)
Conclusie: bevat 4-CMC
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 25 februari 2026, voor zover inhoudende:
Ik wist dat mijn broertje [naam] cocaïne in mijn woning had gelegd. Hij had mij dat gevraagd en om problemen te voorkomen heb ik dat toegestaan. Ik wist niet de hoeveelheden en welke soorten drugs. [naam] had een sleutel van mijn achterdeur.
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt voorop dat voor het begrip aanwezig hebben in de zin van de Opiumwet niet noodzakelijk is dat de verdovende middelen de verdachte toebehoren, noch dat zij enige beschikkings- en/of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen heeft. Voldoende is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich
in de machtssfeervan de (mede)dader bevinden; de dader moet de feitelijke macht over de verdovende middelen kunnen uitoefenen.
De verdovende middelen zijn aangetroffen in de woning van verdachte. Uitgangspunt is dat een bewoner van een woning geacht wordt bekend te zijn met alles wat zich in de woning bevindt en daarover ook de macht kan uitoefenen. Verdachte heeft verklaard dat zij wist dat haar broertje cocaïne in haar woning had gelegd nadat zij dat desgevraagd had toegestaan. Verdachte had dus uitdrukkelijk wetenschap van de aanwezigheid van verdovende middelen in haar woning en kon daar ook feitelijk over beschikken. Dat is voldoende om tot het oordeel te komen dat verdachte de verdovende middelen aanwezig heeft gehad. Dezelfde broer die met haar toestemming cocaïne in haar woning had gelegd, beschikte ook over een sleutel van de woning, waardoor hij daar in feite gewoon zijn gang kon gaan. Daarmee heeft zij naar het oordeel van de rechtbank ook - voorwaardelijk - opzet gehad op de aanwezigheid van eventuele andere verdovende middelen dan cocaïne, zoals 4 CMC in haar woning.
Dat verdachte huiverig zou zijn geweest om tegen haar broer in te gaan en zich niet vrij zou achten om zijn drugs aan te raken, acht de rechtbank weersproken door de aangetroffen berichten waaruit volgt dat zij ook betrokken is geweest bij het rondbrengen van drugs en desgevraagd bij het inpakken of verpakken van hoeveelheden.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met een ander 30,83 gram cocaïne en 50,28 gram 4-CMC aanwezig heeft gehad.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
op 13 juli 2022 in een woning aan de [adres 2] te Hoensbroek tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 30,83 gram netto cocaïne en 50,28 gram netto 4-CMC, zijnde cocaïne en 4-CMC middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn, gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf van 120 uren met aftrek van voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), rekening houdend met het lange tijdsverloop, het blanco strafblad en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De raadsman heeft subsidiair verzocht een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Verdachte heeft in haar woning ongeveer 80 gram harddrugs aanwezig gehad. Zij zou dit voor haar broertje hebben gedaan en zou daar geen vergoeding voor hebben gekregen. Waar het aanwezig hebben van de genoemde hoeveelheden harddrugs volgens de rechtbank het karakter van ‘stashen’ voor een ander of anderen had, stelt de rechtbank tevens vast dat het dossier aanwijzingen bevat dat verdachte daarnaast hand- en spandiensten voor het broertje verrichtte met betrekking tot verdovende middelen. Haar rol was aldus groter dan het enkel bieden van een stashplaats, hetgeen in haar nadeel weegt. Met haar handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de overlastgevende drugshandel in ons land. Het behoeft geen betoog dat verdovende middelen een zeer grote bedreiging vormen voor de volksgezondheid en veiligheid van de samenleving. Niet alleen zijn er gebruikers die strafbare feiten plegen om aan hun drugs te komen, maar ook vinden er strafbare feiten plaats zoals bedreigingen, afpersingen, wapenbezit, mishandelingen en zelfs liquidaties, gelet op de flinke financiële belangen die aan de orde kunnen zijn.
Bij de bepaling van de aard en de duur van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS. Daarin is voor het aanwezig hebben van 50-100 gram harddrugs een taakstraf voor de duur van 150 uren opgenomen. De rechtbank houdt ten voordele van de verdachte rekening met het feit dat het om oude feiten gaat en dat de verdachte in de tussentijd niet meer met politie in aanraking is gekomen. Bovendien werkt zij naar eigen zeggen 32 uur per week, heeft zij een appartement gekocht, is zij alleenstaande moeder van een zoontje en is zij onlangs begonnen aan een nieuwe opleiding.
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank in beginsel een taakstraf van 100 uren passend.
De rechtbank zal echter in strafmatigende zin rekening houden met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak op de zitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. De rechtbank overweegt dat die termijn op 13 juli 2022 is aangevangen, de dag dat de verdachte door de politie is verhoord. Gelet hierop zou uiterlijk op 13 juli 2024 een einduitspraak gewezen moeten zijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn op de dag van deze uitspraak is overschreden met 20 maanden. De rechtbank zal de op te leggen taakstraf, daarom matigen van 100 uren naar 60 uren. De verdachte heeft twee dagen in verzekeringstelling doorgebracht. De rechtbank zal bepalen dat deze twee dagen bij de uitvoering van de taakstraf in mindering worden gebracht, naar rato van twee uren per dag.
Voor toepassing van het bepaalde in artikel 9a Sr of voor oplegging van een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straf ziet de rechtbank geen ruimte.

7.Het beslag

De inbeslaggenomen weegschaal zal verbeurd worden verklaard, nu dit een voorwerp is dat tot het begaan van het misdrijf is bestemd of vervaardigd.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;
Beslag
- verklaart verbeurd het volgende inbeslaggenomen voorwerp: 1 STK weegschaal.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.J. Quaedvlieg, voorzitter, mr. L.H.M. Geuns en mr. I.P. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P.W.E. Bekkers en J.G.A.M. Spijkers, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 maart 2026.
Buiten staat
Mr. I.P. de Groot is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
zij, op of omstreeks 13 juli 2022 (in een woning aan de [adres 2] te Hoensbroek) in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 30,83 gram netto cocaïne, en/of
- ongeveer 50,28 gram netto 4-CMC,
zijnde cocaïne en/of 4-CMC, in elk geval (telkens) een (of meer) middel(len) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2022069582, gesloten op 24 november 2022, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 817.
2.Het proces-verbaal van bevindingen ( [adres 2] Hoensbroek), p. 622 en 623.
3.De kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1524826) van 13 juli 2022, p. 632.
4.Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met als bijlage het rapport NFiDENT, p. 637 t/m 639.
5.De kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1524813) van 13 juli 2022, p. 634.
6.Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met als bijlage het rapport NFiDENT, p. 640 t/m 644.