ECLI:NL:RBLIM:2026:2378

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
ROE 23/1970
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 4:5 AwbArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 2.1 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering omgevingsvergunning mindervalideruimte wegens onjuiste toepassing artikel 4:6 Awb

Eiser vroeg een omgevingsvergunning aan voor het bouwen van een mindervalideruimte aan zijn recreatiewoning. Na een eerdere vergunningverlening en intrekking diende eiser een nieuwe aanvraag in. Verweerder weigerde deze vergunning op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), stellende dat sprake was van een herhaalde aanvraag zonder nieuwe feiten of omstandigheden.

De rechtbank oordeelt dat artikel 4:6 Awb Pro niet van toepassing is omdat er geen eerdere afwijzing was; de eerdere aanvraag was aangepast en een vergunning was zelfs verleend. Verweerder had de aanvraag dus inhoudelijk moeten behandelen. Daarnaast kon verweerder de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand laten omdat hij zijn standpunt over zichtlijnen had verlaten en onvoldoende had gemotiveerd waarom de vergunning geweigerd werd, mede gelet op het gelijkheidsbeginsel en onduidelijkheid over de hoorzitting.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. Eiser krijgt zijn griffierecht terug, maar er is geen proceskostenveroordeling wegens gebrek aan bewijs van gemaakte kosten voor rechtsbijstand.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de omgevingsvergunning wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen opnieuw te beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23/1970

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Çalhan).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aangevraagde omgevingsvergunning voor het realiseren van een mindervalideruimte aan de recreatiewoning van eiser op het adres [adres] te [woonplaats] . Eiser is het niet eens met het bestreden besluit van 13 juli 2023 waarbij verweerder de omgevingsvergunning naar aanleiding van bezwaren van derde-belanghebbenden alsnog heeft geweigerd. Eiser heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser voert daartoe een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit rechtmatig is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de weigering van de vergunning in zijn bestreden besluit niet had mogen baseren op de grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een mindervalideruimte aan de rechterzijde van eisers recreatiewoning.
Derde-belanghebbenden hebben bezwaar ingediend tegen het primaire besluit.
Verweerder heeft op 13 juli 2023 (het bestreden besluit) de bezwaren gegrond verklaard en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft aanvullende stukken van eiser ontvangen.
De rechtbank heeft derde-belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om als partij aan het geding deel te nemen. Derde-belanghebbenden hebben bericht dat zij zich terugtrekken uit de procedure.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de kleinzoon van eiser [naam] en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden en is onder andere de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken. Als vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. Het verzoek om een besluit te nemen is op 18 oktober 2022 ingediend. Dit betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 9 september 2020 een omgevingsvergunning gevraagd voor de bouw van twee bergingen aan de linker- en rechterkant van zijn recreatiewoning. Na overleg met verweerder heeft eiser vervolgens zijn aanvraag zo gewijzigd dat deze alleen nog zag op de berging aan de linkerkant. Verweerder heeft die gevraagde omgevingsvergunning verleend bij besluit van 27 november 2020.
4. Bij besluit van 26 januari 2022 heeft verweerder aan eiser op zijn verzoek een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een mindervalideruimte aan de rechterzijde van eisers recreatiewoning, met een breedte van 4 m. Eiser heeft in overleg met verweerder op 18 oktober 2022, naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen de verlening van de vergunning van 26 januari 2022, verzocht om intrekking ervan, wat verweerder bij besluit van 16 november 2022 heeft ingewilligd. Tegelijkertijd met het verzoek om intrekking heeft eiser een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een mindervalideruimte, maar dan met een breedte van 2,95 m. Dit is de aanvraag die in deze procedure aan de orde is.
5. De gevraagde omgevingsvergunning ziet op het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo en het handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Verweerder heeft bij het primaire besluit middels de buitenplanse afwijkingsmogelijkheden de omgevingsvergunning verleend.
6. Naar aanleiding van de bezwaren van derde-belanghebbenden heeft de Commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Maasgouw (de commissie) advies uitgebracht aan verweerder. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de commissie overgenomen en de bezwaren gegrond verklaard en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb.
Is sprake van een herhaalde aanvraag?
7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen onder verwijzing naar de eerdere aanvraag van eiser van 9 september 2020. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van een herhaalde aanvraag sprake is vanwege dezelfde afmetingen en functionaliteiten en dat door eiser geen nieuw gebleken feiten of andere omstandigheden zijn vermeld.
7.1.
De rechtbank ziet gelet hierop aanleiding om te beoordelen of in onderhavig geval artikel 4:6 van Pro de Awb van toepassing is. Hierin is in het eerste lid bepaald dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. In het tweede lid is bepaald dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
7.2.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan een dergelijke aanvraag inwilligen of afwijzen. Indien het bestuursorgaan meent dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan het er op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook voor kiezen om de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in zijn bestreden besluit artikel 4:6 van Pro de Awb niet heeft kunnen toepassen. Er is namelijk geen sprake van een eerdere afwijzende beschikking. Zoals hiervoor is vermeld, heeft eiser namelijk zijn aanvraag van 9 september 2020 aangepast in overleg met verweerder, waarna verweerder enkel heeft beslist op de berging van 3,5 m2 aan de linkerzijde van de recreatiewoning. Daarna heeft verweerder op 26 januari 2022 zelfs een omgevingsvergunning verleend voor een grotere mindervalideruimte dan nu aan de orde is. Daarmee is dus geen sprake van een herhaalde aanvraag na een eerdere afwijzende beschikking. Het beroep van eiser is daarom gegrond en het bestreden besluit dient vernietigd te worden.
Blijven de rechtsgevolgen in stand?
8. De rechtbank is van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat ter zitting is gebleken dat verweerder inhoudelijk het standpunt over de zichtlijnen heeft verlaten en enkel nog de transparantie, het tegengaan van verdichting van het vakantiepark, als argument heeft aangevoerd om de vergunning te weigeren. Verweerder heeft echter bij het primaire besluit de omgevingsvergunning in eerste instantie juist wel verleend ondanks die verdichting van het vakantiepark. Of de verdichting voldoende motivering is voor de weigering, staat naar het oordeel van de rechtbank daarmee nog niet vast. Verder heeft eiser zich onder meer op het standpunt gesteld dat er strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat het buurpand van onderhavige recreatiewoning, waar hij eveneens eigenaar van is, wel een vergund bijgebouw van dezelfde grootte aan de rechterzijde heeft. Verweerder heeft zowel voorafgaand aan als tijdens de zitting niet duidelijk kunnen maken of sprake is van gelijke gevallen. Ook bestaat er tussen partijen nog onenigheid over of eiser op de hoogte was gesteld van de hoorzitting in de bezwaarfase, omdat eiser stelt niet bij deze hoorzitting aanwezig te zijn geweest en daarvan ook niet af te hebben geweten. Alles overwegende kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand blijven. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen op de gemaakte bezwaren met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Hetgeen eiser verder in beroep naar voren heeft gebracht tegen de weigering van de omgevingsvergunning behoeft geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden en ook de rechtsgevolgen niet in stand kunnen blijven. Het beroep van eiser is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Eiser krijgt daarom zijn griffierecht terug van verweerder. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Niet is namelijk gebleken dat hij in beroep kosten heeft gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Eiser heeft nadat de zitting heeft plaatsgevonden nog een formulier proceskosten ingediend. Dit formulier is buiten beschouwing gelaten, omdat het onderzoek al was gesloten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om opnieuw te beslissen op de bezwaren gericht tegen de verlening van de vergunning;
  • draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van mr. K.J.M. Thelen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 13 maart 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 13 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.