ECLI:NL:RBLIM:2026:2388

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
11933123 \ CV EXPL 25-4216
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:129 BWArt. 6:212 lid 1 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot terugbetaling wegens ontbreken geldleningsovereenkomst

In deze civiele bodemzaak staat centraal of tussen partijen een geldleningsovereenkomst is gesloten waarbij de eiseres een bedrag van €2.111,15 aan de gedaagde zou hebben geleend. De eiseres baseert haar vordering primair op het bestaan van een geldleningsovereenkomst en subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking.

De kantonrechter stelt vast dat weliswaar bedragen zijn overgemaakt en goederen zijn gegeven, maar dat onvoldoende is komen vast te staan dat deze betalingen en goederen op grond van een lening zijn verstrekt. De omschrijving 'conform afspraak' op bankafschriften is onvoldoende om een lening aan te nemen, zeker nu de gedaagde betwist dat sprake is van een lening en stelt dat het om schenkingen ging.

De eiseres heeft nagelaten haar stellingen voldoende te onderbouwen en te bewijzen, terwijl de gedaagde gemotiveerd heeft betwist. Ook de subsidiaire grondslag van ongerechtvaardigde verrijking faalt omdat niet is komen vast te staan dat de verrijking onrechtvaardig was. De vordering wordt daarom afgewezen, het verstekvonnis vernietigd en de eiseres veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering tot terugbetaling van €2.111,15 afgewezen wegens ontbreken geldleningsovereenkomst en onvoldoende bewijs ongerechtvaardigde verrijking.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11933123 \ CV EXPL 25-4216
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[partij 1],
te [plaats],
gedaagde partij,
eisende partij in verzet,
hierna te noemen: [partij 1],
gemachtigde: mr. R.R.F.J. Palmen,
tegen
[partij 2],
te [plaats],
eisende partij,
gedaagde partij in verzet,
hierna te noemen: [partij 2],
gemachtigde: mr. J.W.J. Schoonbrood.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding van 22 augustus 2025 met producties,
- het verstekvonnis van 17 september 2025 in de zaak met zaaknummer 11862400 CV EXPL 25-3478 (hierna: het verstekvonnis),
- de verzetdagvaarding van 8 oktober 2025 met producties,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 4 februari 2026, waarvan door de griffier
aantekeningen zijn gemaakt en de pleitnota aan de zijde van [partij 1].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[partij 2] en [partij 1] hebben in 2025 een bepaalde relatie met elkaar onderhouden.
2.2.
Op 16 en 17 februari en 9 en 18 maart 2025 heeft [partij 2] bedragen van respectievelijk € 430,00, € 400,00, € 20,00 en tweemaal € 70,00 (in totaal € 990,00) opgenomen van haar bankrekening.
2.3.
Op 16 en 23 februari en 17 en 23 maart 2025 zijn bedragen van respectievelijk € 500,00, € 300,00, € 80,00 en € 50,00 (in totaal € 930,00) overgemaakt van de bankrekening van [partij 2] naar de bankrekening van [partij 1].
2.4.
In de maanden februari, maart en april 2025 heeft [partij 2] verschillende zaken, waaronder twee spijkerbroeken ter waarde van € 69,99 en € 40,01, gekocht voor in totaal € 191,15. [partij 2] heeft de spijkerbroeken aan [partij 1] gegeven.
2.5.
In maart 2025 is de relatie tussen partijen door [partij 1] beëindigd.
2.6.
Op 19 juli 2025 heeft [partij 2] [partij 1] een e-mail gestuurd met daarin onder meer het navolgende:
“Ik krijg van jou 2200€ terug die mag je met 50€ per maand aflossen iedere keer dat je toeslagen binnenkomen de eerste termijn is dan komende week (…)”
2.7.
Bij brief van 28 juli 2025 heeft [partij 2] [partij 1] gesommeerd een bedrag van
€ 2071,45 aan haar terug te betalen. [partij 1] heeft niet betaald, waarna hij is gedagvaard.

3.Het geschil

3.1.
[partij 2] vordert - samengevat - veroordeling van [partij 1] tot betaling van € 2.111,15, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten.
3.2.
De vordering van € 2.111,15 is als volgt opgebouwd:
  • € 990,00 aan opname van contante bedragen,
  • € 930,00 aan bankoverschrijvingen,
  • € 191,15 aan gekochte zaken.
3.3.
[partij 2] legt primair aan haar vordering ten grondslag dat [partij 1] tekort is geschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van een geldleningsovereenkomst. [partij 1] heeft de geleende bedragen namelijk niet terugbetaald. Subsidiair stelt [partij 2] dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.
3.4.
Bij verstekvonnis van de rechtbank Limburg van 17 september 2025 is de vordering van [partij 2] toegewezen.
3.5.
[partij 1] betwist de vordering van [partij 2] en vordert in het verzet – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • vernietiging van het verstekvonnis van de rechtbank Limburg van 17 september 2025;
  • niet-ontvankelijkheid van [partij 2], dan wel afwijzing van de vorderingen van [partij 2];
  • veroordeling van [partij 2] in de proceskosten.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kern van het geschil is de vraag of tussen [partij 2] en [partij 1] een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen, op basis waarvan [partij 2] het bedrag van € 2.111,15 aan [partij 1] heeft geleend, zoals [partij 2] stelt. De kantonrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een geldleningsovereenkomst. Hieronder wordt uiteengezet hoe de kantonrechter tot zijn oordeel is gekomen.
Geldlening
4.2.
In artikel 7:129 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat een overeenkomst van geldlening een kredietovereenkomst is waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen. [partij 2] stelt dat partijen mondeling een geldleningsovereenkomst hebben gesloten op grond waarvan [partij 1] het bedrag van € 2.111,15 moet terugbetalen.
4.3.
Niet in geschil is dat [partij 2] in totaal een bedrag van € 930,00 naar de bankrekening van [partij 1] heeft overgemaakt en dat deze bedragen door hem niet zijn terugbetaald. Volgens [partij 1] gaat het hier niet om leningen. Weliswaar staat er bij een aantal van deze betalingen de omschrijving ‘conform afspraak’, maar dat duidt er, volgens [partij 1], niet op dat sprake is van een geldlening. Volgens hem werd met deze omschrijving bedoeld dat [partij 2] hem belangeloos wilde ondersteunen. Ook ten aanzien van de contante bedragen betwist [partij 1] dat het om een geldlening gaat. Bovendien stelt hij deze bedragen nooit te hebben ontvangen. Ten aanzien van de gekochte zaken geeft [partij 1] aan dat de spijkerbroeken een cadeau waren. De overige gekochte zaken zeggen hem verder niks.
4.4.
Volgens de hoofdregel van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ligt het op de weg van [partij 2] om feiten en/of omstandigheden te stellen, en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat tussen partijen een leningsovereenkomst tot stand is gekomen, waarbij [partij 2] het bedrag van € 2.111,15 aan [partij 1] heeft geleend. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij 2] haar stellingen, tegenover de gemotiveerde betwisting door [partij 1], onvoldoende feitelijk onderbouwd. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.
4.5.
Weliswaar staat op het bankafschrift de omschrijving ‘conform afspraak’, maar zoals [partij 1] terecht stelt, valt hieruit niet af te leiden dat het om een geldlening gaat. Daarnaast is [partij 2] de bedragen pas gaan terugvragen nadat de relatie tussen haar en [partij 1] tot een einde is gekomen, namelijk bij de e-mail van 19 juli 2025 en bij de brief van 28 juli 2025. Nergens blijkt uit dat [partij 2] op enig eerder moment terugbetaling verlangde. [partij 2] stelt wel dat [partij 1] op 4 april 2025 zou hebben toegezegd de bedragen terug te betalen, maar ook dit wordt door [partij 1] betwist. Een nadere onderbouwing van [partij 2] ontbreekt.
4.6.
Naast de bankafschriften heeft [partij 2] geen bewijs overlegd waaruit objectief blijkt dat sprake is van een geldlening. Doordat [partij 1] de door [partij 2] geschetste omstandigheden heeft betwist, had het op de weg van [partij 2] gelegen om haar stellingen nader te onderbouwen. Dat heeft zij nagelaten.
4.7.
De conclusie van voorgaande overwegingen is, dat de kantonrechter niet kan vaststellen dat er tussen [partij 2] en [partij 1] een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen, zodat op die basis geen toewijzing van de vordering kan volgen.
Ongerechtvaardigde verrijking
4.8.
Omdat het bewijs niet is geleverd, is de primaire grondslag van de vordering niet komen vast te staan. De kantonrechter komt dus toe aan de subsidiaire grondslag, te weten ongerechtvaardigde verrijking.
4.9.
Met betrekking tot het beroep van [partij 2] op ongerechtvaardigde verrijking, stelt de kantonrechter voorop dat degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Van ongerechtvaardigde verrijking is slechts sprake indien de ene partij is verrijkt ten koste van een andere partij en daarvoor geen redelijke grond aanwezig is. [1] [partij 2] stelt dat [partij 1] ongerechtvaardigd is verrijkt doordat hij in totaal € 2.111,15 van [partij 2] heeft ontvangen zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestond. [partij 1] heeft deze stelling op de mondelinge behandeling betwist. De kantonrechter oordeelt daarover als volgt.
4.10.
Uit voorgaande overwegingen volgt dat enkel is komen vast te staan dat [partij 2] een bedrag van € 930,00 naar de bankrekening van [partij 1] heeft overgemaakt en dat zij [partij 1] twee spijkerbroeken ter waarde van € 69,99 en € 40,01 heeft gegeven. Niet is komen vast te staan dat [partij 1] ook de overige betalingen en gekochte zaken heeft mogen ontvangen. Dat heeft tot gevolg dat [partij 1] enkel ten aanzien van de € 930,00 en de spijkerbroeken is verrijkt. Dat betekent echter niet zonder meer dat dit ook onrechtvaardig is geweest. [partij 1] stelt immers dat het in beide gevallen ging om schenkingen. Volgens [partij 1] wilde [partij 2] hem namelijk financieel ondersteunen. Ook ten aanzien van de ongerechtvaardigde verrijking geldt dat het op de weg van [partij 2] ligt om feiten en/of omstandigheden te stellen, en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat er geen rechtsgrond bestond voor de betalingen. [partij 2] heeft enkel gesteld dat het volgens haar niet om schenkingen gaat. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [partij 1] had het op de weg van [partij 2] gelegen om haar stelling nader te onderbouwen, maar dat heeft zij nagelaten. Bovendien heeft [partij 2] op de mondelinge behandeling aangegeven dat zij [partij 1] financieel wilde helpen.
4.11.
De kantonrechter concludeert dan ook dat er sprake is van verrijking aan de zijde van [partij 1], maar dat niet is komen vast te staan dat deze verrijking ook ongerechtvaardigd was. Ook deze grondslag van de vordering slaagt niet.
Conclusie
4.12.
Op basis van het voorgaande zal de vordering van [partij 2] tot terugbetaling van het bedrag van € 2.111,15 worden afgewezen. Omdat de vordering van [partij 2] zal worden afgewezen, kan het door deze rechtbank gewezen verstekvonnis van 17 september 2025 niet in stand blijven en zal deze worden vernietigd.
Proces- en nakosten
4.13.
[partij 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
542,50
Uitvoerbaar bij voorraad
4.14.
De kantonrechter zal de beslissing deels uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing ten uitvoer kan worden gelegd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
vernietigt het door deze rechtbank op 17 september 2025 onder zaaknummer 11862400 CV EXPL 25-3478 gewezen verstekvonnis,
en opnieuw beslissend
5.2.
wijst de vorderingen van [partij 2] af,
5.3.
veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:212 lid 1 BW Pro.