In deze civiele bodemzaak staat centraal of tussen partijen een geldleningsovereenkomst is gesloten waarbij de eiseres een bedrag van €2.111,15 aan de gedaagde zou hebben geleend. De eiseres baseert haar vordering primair op het bestaan van een geldleningsovereenkomst en subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking.
De kantonrechter stelt vast dat weliswaar bedragen zijn overgemaakt en goederen zijn gegeven, maar dat onvoldoende is komen vast te staan dat deze betalingen en goederen op grond van een lening zijn verstrekt. De omschrijving 'conform afspraak' op bankafschriften is onvoldoende om een lening aan te nemen, zeker nu de gedaagde betwist dat sprake is van een lening en stelt dat het om schenkingen ging.
De eiseres heeft nagelaten haar stellingen voldoende te onderbouwen en te bewijzen, terwijl de gedaagde gemotiveerd heeft betwist. Ook de subsidiaire grondslag van ongerechtvaardigde verrijking faalt omdat niet is komen vast te staan dat de verrijking onrechtvaardig was. De vordering wordt daarom afgewezen, het verstekvonnis vernietigd en de eiseres veroordeeld in de proceskosten.