AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussenvonnis verdeling gezamenlijke woning en vergoedingsrechten samenlevers
Partijen, die een affectieve relatie hadden en samenwoonden, zijn uit elkaar gegaan. Zij sloten in 2018 een samenlevingsovereenkomst en hebben twee minderjarige kinderen. De gezamenlijke woning is belast met een hypothecaire geldlening van ruim €416.000. De vrouw vordert onder meer machtiging tot verkoop van de woning, ontruiming door de man, gebruiksvergoeding en verdeling van overwaarde en saldo op gezamenlijke rekening.
De man vordert in reconventie toedeling van de woning aan hem tegen een waarde van €720.000, vergoeding van investeringen, ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid hypotheek en betaling van schade wegens onvoldoende bijdrage van de vrouw aan huishoudkosten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man afstand gedaan van toedeling woning, waarna partijen overeenstemming bereikten over verkoop via een makelaar binnen drie maanden.
De rechtbank beschouwt de vorderingen over toedeling woning als ingetrokken en behandelt de vergoedingsrechten. Er is discussie over subsidies die de man ontving voor verduurzamingsmaatregelen, waarop de rechtbank een aktewisseling gelast. De beslissing wordt aangehouden tot na deze uitwisseling.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan voor nadere aktewisseling over subsidies en verdere afwikkeling van vergoedingsrechten.
Uitspraak
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/344959 / HA ZA 25-377
Vonnis van 18 maart 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[de vrouw],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie, tevens verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. M.M. van Tol,
tegen
[de man],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie, tevens eisende partij in reconventie
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. J.F.M. Sondeijker.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 augustus 2025 met producties 1 t/m 16, - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie inclusief producties 1 t/m 8,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 17 en 18,
- de akte overlegging producties met producties 9 en 10 van [de man] ,
- de akte overlegging producties 19 t/m 25 van [de vrouw]
- de akte overlegging producties 11 en 12 van [de man] ,
- het verkorte proces-verbaal van mondelinge behandeling van 26 februari 2026 en de
tijdens de mondelinge behandeling door [de man] overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad tot omstreeks 11 september 2024 en hebben met elkaar samengewoond.
2.2.
Op 29 juni 2018 hebben zij een samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten (hierna: SLO).
2.3.
Uit de affectieve relatie van partijen zijn twee nog minderjarige kinderen geboren: [minderjarige 1] (zeven jaar) en [minderjarige 2] (inmiddels drie jaar).
2.4.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Op de woning rust een hypothecaire geldlening die op 1 oktober 2025 € 416.942,97 bedroeg. [de man] woont op dit moment in de woning.
2.5.
Bij vonnis in kort geding van 20 februari 2025 is [de man] onder 5.5. door de voorzieningenrechter bevolen om binnen veertien dagen na de datum van het vonnis op een in onderling overleg te bepalen dag en tijdstip, alle goederen - inclusief de katten [kat 1] en [kat 2] - zoals vermeld op de door vrouw als productie 22 overgelegde lijst, welke aan dit vonnis is gehecht, aan de vrouw te overhandigen (waarbij de vrouw de goederen bij
de man aan huis ophaalt), met uitzondering van de ‘Bakfiets’ en de 'Kitchenaid en alle
accessoires’.
3.Het geschil
In conventie
3.1.
[de vrouw] vordert - samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [de vrouw] ex artikel 3:174 lid 1 BWPro machtigt om de woning te gelde te maken en haar te machtigen om alles te doen wat daartoe redelijkerwijs noodzakelijk is,
II. bepaalt dat het vonnis ex artikel 3:300 BWPro in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [de man] voor het in de verkoop geven van de woning,
III. bepaalt dat dit vonnis ex artikel 3:300 BWPro in de plaats komt van de voor eigendomsoverdracht en levering van de woning noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [de man] .
IV. Primair:
A. [de man] veroordeelt om de woning te ontruimen en te verlaten;
B. bepaalt dat de onder IV sub A opgenomen veroordeling tot ontruiming ook ten uitvoer zal kunnen worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet;
C. [de vrouw] machtigt in het geval niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis wordt voldaan aan IV sub A en B om de ontruiming van [de man] en de zijde, alsook een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging van het vonnis in de woning bevindt of daar binnentreedt, te doen uitvoeren door een gerechtsdeurwaarder, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie.
Subsidiair:
[de man] op straffe van een dwangsom veroordeelt tot het verlenen van toegang tot de woning van partijen en alle daaraan verbonden binnen- en buitenruimtes aan [de vrouw] en/of de makelaar en/of derden in het kader van het verkooptraject en deze personen in de gelegenheid te stellen alle werkzaamheden te verrichten welke noodzakelijk zijn in dat kader,
V. voor recht verklaart dat ten gevolge van de verkoop van de gezamenlijke woning, na aflossing van de op dat moment openstaande hypothecaire leningen, uit de overwaarde allereerst aan [de vrouw] toekomt een bedrag van € 25.917,19, waarna ten aanzien van de resterende overwaarde iedere partij recht heeft op de helft van die resterende overwaarde.
VI. [de man] veroordeelt om aan [de vrouw] te voldoen een gebruiksvergoeding ter hoogte van € 477,35 per maand, met ingang van 11 september 2024 tot het moment van eigendomsoverdracht van de gemeenschappelijke woning,
VII. [de man] op straffe van een dwangsom veroordeelt om alle goederen zoals opgenomen in de door [de vrouw] overgelegde lijst onder productie 11 aan [de vrouw] af te geven,
VIII. bepaalt dat ieder der partijen toekomt de helft van het saldo ter hoogte van € 2.220,04 dat zich op 11 september 2024 bevond op de en/of rekening van partijen met [rekeningnummer] en partijen beveelt tot verdeling van dit saldo over te gaan.
In reconventie
3.2.
[de man] vordert in reconventie dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
bepaalt dat de gezamenlijke woning aan [de man] zal worden toebedeeld voor de door [de man] gestelde waarde van € 720.000,- dan wel een door de rechtbank na deskundigenbericht vastgestelde waarde, waarbij hij aan [de vrouw] bij levering de helft van de overwaarde dient te voldoen, gebaseerd op de nog openstaande hypotheekschuld per datum transport en na aftrek van de door [de man] geïnvesteerde bedragen ad € 359.809,68 dan wel een door de rechtbank nader te bepalen bedrag,
bepaalt dat [de man] voor een periode van zes maanden vanaf de datum van het vonnis dan wel een door de rechtbank nader te bepalen termijn, de tijd/gelegenheid krijgt om [de vrouw] te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening;
[de vrouw] veroordeelt om haar medewerking te verlenen aan de overdracht, dan wel levering, van de woning aan [de man] tegen een waarde van € 720.000,- dan wel een door de rechtbank na deskundigenbericht vastgestelde waarde, door op het eerste verzoek van een door [de man] gekozen notaris daartoe gehoor te geven.
bepaalt dat wanneer [de vrouw] niet meewerkt aan het onder 2 en 3 gevorderde dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde medewerking van [de vrouw] aan die rechtshandelingen tot levering van de woning aan [de man] op grond van artikel 3:300 lid 1 BWPro en aldus dezelfde kracht heeft als een door [de vrouw] ondertekende volmacht aan [de man] om de nodige rechtshandelingen te verrichten;
bepaalt en vaststelt dat bij overname van de woning door [de man] vóór verdeling van de overwaarde van de woning eerstens aan [de man] een bedrag als vergoedingsrecht toekomt van € 359.809,68 dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag wegens door [de man] met privévermogen geïnvesteerde bedragen in het gemeenschappelijke eigendom van partijen;
indien en voor zover komt vast te staan dat de woning aan derden zal worden verkocht c.q. overgedragen de rechtbank het vergoedingsrecht van [de man] vaststelt op € 359.809,68 en oordeelt dat dit bedrag aan [de man] wordt toegewezen en benoemt daarnaast de verkopend makelaar aan wie de opdracht tot verkoop van de woning kan worden verstrekt, niet zijnde de heer Guido Smeets, onder verdeling bij helfte van de kosten van de makelaar en andere met de verkoop samenhangende kosten, waarna het restant van de verkoopopbrengst na aftrek van de openstaande hypotheek en na aftrek van € 359.809,68 dan wel een door de rechtbank vast te stellen, welke [de man] toekomt wegens met privé vermogen geïnvesteerde bedragen in het gemeenschappelijke eigendom van partijen bij helfte kan worden verdeeld;
bepaalt dat [de vrouw] gehouden is ten behoeve van de hypothecaire geldlening aan [de man] te voldoen een bedrag van € 550,- per maand vanaf 1 februari 2025 totdat de woning aan [de man] is overgedragen, dan wel aan derden is verkocht;
bepaalt dat [de vrouw] gehouden is - wegens ongerechtvaardigde verrijking - om aan [de man] te voldoen de schade van [de man] geleden door de toerekenbare tekortkoming [de vrouw] wegens het onvoldoende bijdragen (naar rato van inkomen) in de kosten van de huishouding, althans als bijdrage aan de hypotheek van de gezamenlijke woning, (voorlopig) begroot op in totaal € 37.586,76 vast te stellen, althans door de rechtbank te bepalen bedrag, en [de vrouw] veroordeelt om dit bedrag aan [de man] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente per datum vonnis, althans een door de rechtbank te bepalen datum,
een deskundige (taxateur) benoemt die de waarde van de woning zal kunnen vaststellen, de kosten van deze taxateur over beide partijen te verdelen, zodat de waarde van de woning kan worden meegenomen in de afwikkeling zoals hiervoor door [de man] voorgesteld en kan worden berekend hoe groot het aandeel van [de vrouw] is in de totale overwaarde van de woning (na aftrek van de openstaande hypotheek en de door [de man] gedane investeringen voor een bedrag van € 359.809,68 dan wel een door uw rechtbank vastgestelde vergoeding);
bepaalt dat [de vrouw] op straffe van een dwangsom op grond van artikel 20 SLOPro alle handelingen zal verrichten die nodig zijn en die worden gesteld door de pensioenuitvoerders om invulling te geven aan de door partijen overeengekomen aanwijzing van elkaar als gerechtigden tot het opgebouwde partnerpensioen.
In conventie en in reconventie
3.3.
Partijen voeren over en weer verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4.De beoordeling
In conventie en in reconventie
4.1.
Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie ziet de rechtbank aanleiding om de vorderingen gezamenlijk te bespreken. De vorderingen in conventie en reconventie omvatten de volgende onderwerpen:
Ten aanzien van de woning bestaat een eenvoudige gemeenschap tussen partijen (artikel 3:166 BWPro). [de man] maakte aanvankelijk aanspraak op toedeling van de gezamenlijke woning aan hem. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de man] evenwel kenbaar gemaakt daarop niet langer aanspraak te maken. Daarmee zijn partijen het eens geworden over de wijze van verdeling van de woning; de woning zal worden verkocht aan een derde. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afspraken gemaakt over de persoon van de makelaar die de woning zal gaan verkopen (de heer Fuchs van FYN makelaardij) en de termijn waarbinnen de woning (uiterlijk) in de verkoop wordt geplaatst (drie maanden na datum zitting, 26 februari 2026). Deze afspraken zijn neergelegd in een verkort proces-verbaal van de zitting. Gezien deze overeenstemming van partijen beschouwt de rechtbank alle vorderingen die betrekking hebben op de verkoop en op toedeling van de woning aan [de man] als ingetrokken. Dit betekent dat op de vorderingen in conventie I t/m IV en de vorderingen in reconventie 1 t/m 5, 6 (gedeeltelijk) en 9 niet meer hoeft te worden beslist.
b. Vergoedingsrechten van partijen
4.3.
Beide partijen hebben aangevoerd dat zij vanuit hun privévermogens investeringen hebben gedaan ten behoeve van de gemeenschappelijke woning.
Subsidies vanwege verduurzamingsmaatregelen
4.4.
[de vrouw] voert het verweer dat voor een deel van de investeringen die door [de man] worden aangevoerd geldt dat hij daarvoor ook subsidies heeft ontvangen vanwege verduurzamingsmaatregelen. Deze subsidies worden volgens [de vrouw] door [de man] ten onrechte niet vermeld. [de man] heeft niet betwist dat hij subsidies heeft ontvangen in het kader van verduurzamingsmaatregelen. De rechtbank stelt vast dat in ieder geval een deel van de door [de man] gestelde investeringen betrekking heeft op de aanschaf en installatie van een warmtepomp. Door [de man] is een bedrag van in totaal € 6.153,- (€ 629,20 en € 5.523,80) [1] gevorderd dat daarop ziet. [de man] heeft geen informatie verstrekt over de vraag of hij vanwege de aanschaf en installatie van de warmtepomp en/of vanwege andere in deze procedure gestelde investeringen subsidie heeft ontvangen en zo ja voor welk bedrag. De rechtbank zal [de man] daarom bij akte in de gelegenheid stellen zich daarover uit te laten. Na ontvangst van de akte van [de man] zal [de vrouw] in de gelegenheid worden gesteld om een antwoordakte te nemen.
4.5.
Iedere verdere beslissing zal in afwachting van de in r.o. 4.4 genoemde aktewisseling worden aangehouden.
5.De beslissing
De rechtbank
In conventie en in reconventie
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 1 april 2026voor akte uitlating uitsluitend omtrent het in r.o. 4.4 overwogene, waarna [de vrouw] binnen een termijn van twee weken een antwoordakte mag nemen,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.J.C.A. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
type: KB
Voetnoten
1.productie 9 bij akte overlegging producties 9 en 10 van [de man] , bijlage 93 en bijlage 104