Uitspraak
1.[gedaagde 1] B.V.,
[gedaagde 2], h.o.d.n.
[bedrijf],
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 2 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagde [gedaagde 2]
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] .
2.Het geschil
- het loon tijdens ziekte over de periode 2 juni (de kantonrechter begrijpt in het licht bezien van het gestelde in het lichaam van de dagvaarding dat hier nog toegevoegd dient te worden: 2025) tot en met het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te weten het netto equivalent van een gemiddeld bruto bedrag van € 1.801,95 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen voorziening,
- de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid van het loon, te rekenen vanaf de eerste van de maand volgend op de maand waarvoor betaald had moeten zijn tot de dag van volledige betaling en de wettelijke verhoging vanaf de vierde dag na de dag waarop de voldoening had moeten geschieden tot de dag van volledige betaling, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen voorziening,
- de proceskosten en nakosten.