4.4.1De bewijsmiddelen
1.
Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 26 maart 2025, pagina’s 12 tot en met 15 van het hiervoor onder B. genoemde dossier, voor zover inhoudende:
Op 21 maart 2025 waren wij belast met de surveillance in de gemeente Gennep. Omstreeks 14.05 uur reden wij op de Nijmeegseweg te Gennep. Wij zagen dat er een [auto] reed met het Nederlandse kenteken [kenteken] . Ik, [verbalisant 2] , herkende de bestuurder ambtshalve als zijnde [verdachte] (geboren op [geboortjaar] ). Tevens wist ik dat [verdachte] geen voertuig mocht besturen, omdat zijn rijbewijs geschorst was. Het bovengenoemde voertuig vervolgde zijn weg via de Bredeweg in Ottersum. Ik gaf het voertuig een stopteken door middel van het stoptransparant gevestigd in het onopvallend dienstvoertuig. Wij zagen dat de bestuurder geen gehoor gaf aan het gegeven stopteken via het stoptransparant. Wij zagen dit doordat het voertuig met een hoge snelheid ervandoor ging.
Wij zagen dat het voertuig op de Horsestraat te Gennep in de richting van de Nijmeegseweg te Gennep reed. Wij zagen diverse keren na het veranderen van richting dat beide remlichten van het voertuig brandden. Wij zagen dat de Horsestraat een smalle weg betrof voor verkeer in beide richtingen. De berm is aan beide zijden ongeveer 0,5 meter breed. De berm is gelegen aan een heg van ongeveer 1 tot 1,5 meter hoog. Wij zagen dat je hier met één voertuig goed op kunt rijden, maar als er tegenovergesteld verkeer aan komt dat beide voertuigen moeten afremmen, elkaar de ruimte moeten geven en uit moeten wijken naar de berm.
Wij zagen dat onze collega's in een opvallend dienstvoertuig de weg blokkeerden. Wij zagen dat het dienstvoertuig met optische- en geluidsignalen aan stond. Wij zagen dat het dienstvoertuig in fend-off positie stond gepositioneerd. Deze fend-off is een positionering op de weg dat het dienstvoertuig schuin op de weg staat met een hoek van 45 graden ten opzichte van de lengteas van de weg. Daarbij kan de bestuurder zien aan de striping dat het een politieauto betreft en de doorgang geblokkeerd is. Doordat het dienstvoertuig op deze manier gepositioneerd stond, was de gehele rijbaan van de Horsestraat geblokkeerd. Wij zagen dat de weg zodanig was geblokkeerd dat het eerdergenoemde voertuig er niet langs kon.
Wij reden ongeveer 200 à 300 meter achter het eerdergenoemde voertuig en hadden ongeveer een snelheid van 100 kilometer per uur. Wij zagen dat wij niet dichter bij het eerdergenoemde voertuig kwamen.
Wij zagen dat het dienstvoertuig van verbalisanten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in fend-off positie stond. Wij zagen dat het eerdergenoemde voertuig in eerste instantie op hen inreed. Wij zagen op het allerlaatste moment dat het dienstvoertuig achteruit reed. Wij zagen dat het dienstvoertuig dit met enige snelheid deed, omdat het eerdergenoemde voertuig de snelheid aanhield. Wij zagen dat de afstand van het voertuig en het dienst-voertuig minimaal was, een afstand van 50 à 100 meter. Wij zagen dat het eerdergenoemde voertuig een kleine stuurbeweging maakte naar de rechterzijde, waardoor het iets uitweek naar rechts. De afstand tussen beide voertuigen was naar schatting 5 à 10 centimeter. De remlichten van het voertuig brandden niet bij het naderen van het gepositioneerd opvallende dienstvoertuig. Deze functioneerden wel zoals eerder beschreven. Het voertuig reed zonder snelheid te minderen op het gepositioneerde opvallende voertuig in.
Wij zagen dat het eerdergenoemde voertuig op het laatste moment uitweek naar rechts, half door de berm reed en zo zijn weg vervolgde. Als het opvallende dienstvoertuig niet achteruit was gereden en het eerdergenoemde voertuig zijn rijrichting vervolgde, was het eerdergenoemde voertuig met de voorzijde frontaal op de rechterzijkant van het gepositioneerde dienstvoertuig ingereden, vermoedelijk ter hoogte van het rechter voorportier. Wij zagen dat beide collega's nog in het opvallende dienstvoertuig zaten. Wij zagen dat er ook geen mogelijkheid was om het opvallende dienstvoertuig te verlaten, doordat het eerdergenoemde voertuig zijn snelheid aanhield naar schatting van 100 kilometer per uur.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [benadeelde partij 2] , aspirant bij de Eenheid Limburg, en [benadeelde partij 1] , inspecteur bij de Eenheid Limburg, van 22 maart 2025, pagina’s 17 tot en met 19 van het hiervoor onder B. genoemde dossier, voor zover inhoudende:
Op 21 maart 2025, omstreeks 14.10 uur, kregen wij bericht van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] . Wij hoorden dat [verbalisant 2] zei dat zij achter een [auto] reden met kenteken [kenteken] op de Sint Jansstraat in Ottersum. Wij hoorden dat [verbalisant 2] zei dat hij een stopteken had gegeven op de Bredeweg in Ottersum, maar dat de bestuurder van het voertuig het stopteken negeerde. Wij hoorden dat [verbalisant 2] zei dat hij de bestuurder herkende als [verdachte] . Wij hoorden dat [verbalisant 2] zei dat [verdachte] de Aaldonksestraat op reed richting Milsbeek. Wij reden op de Sint Jansstraat richting Ottersum.
Ik, [benadeelde partij 1] , keerde de auto en draaide om op de Sint Jansstraat richting Milsbeek. Ik sloeg met de auto rechtsaf de Horsestraat op. Wij zagen dat de Horsestraat een smalle weg betrof bestemd voor verkeer in beide richtingen. Aan allebei de zijden zit een berm van ongeveer 0,5 meter. Deze weg is gelegen buiten de bebouwde kom en is een 60 km/u zone. Wij zagen dat je hier met één voertuig goed op kunt rijden, maar als er tegenover-gesteld verkeer aan komt dat beide voertuigen moeten afremmen, elkaar de ruimte moeten geven en uit moeten wijken naar de berm.
Wij zagen in de verte een zwarte auto rijden die met hoge snelheid op ons af kwam gereden. Wij schatten dat het voertuig meer dan 100 kilometer per uur reed. Wij herkenden dit voertuig als de [auto] met kenteken [kenteken] .
Ik, [benadeelde partij 1] , parkeerde de auto op het midden van de weg en draaide de auto een klein beetje naar links zodat we iets schuiner op de weg stonden. Wij zaten in het politie-voertuig met optische- en geluidssignalen aan. Ons politievoertuig blokkeerde de hele breedte van de Horsestraat. Wij keken recht naar de auto toe en zagen de bestuurder van de auto. Wij zagen de bestuurder op ongeveer 100 meter ons tegemoet komen rijden en konden de bestuurder allebei in zijn ogen kijken en herkenden hem als [verdachte] .
Wij zagen dat de [auto] nog steeds met hoge snelheid op ons afgereden kwam. Wij schatten dat deze snelheid meer dan 100 kilometer per uur betrof. In ieder geval meer dan de toegestane snelheid van 60 kilometer per uur.
Ik, [benadeelde partij 1] , zag dat het voertuig geen snelheid minderde en op ons voertuig af kwam gereden. Ik was bang dat het voertuig niet zou remmen en vol op ons in zou rijden. Ik, [benadeelde partij 2] , schrok ervan dat het voertuig geen snelheid minderde, ik maakte me schrap voor een harde botsing met het voertuig.
Op het allerlaatste moment besloot ik, [benadeelde partij 1] , om het politievoertuig van de weg te halen. Ik zette het voertuig in de achteruit en probeerde zo snel als ik kon achteruit te rijden. Ik weet zeker dat als ik dat niet gedaan had, [verdachte] vol op ons politievoertuig ingereden was met zijn auto. Als ik, [benadeelde partij 1] , het voertuig niet had verplaatst en [verdachte] had zijn rijrichting blijven vervolgen was deze met de voorzijde van het door [verdachte] bestuurde voertuig vol ingereden op de rechterzijkant van ons politievoertuig, vermoedelijk ter hoogte van het rechter voorportier, daar waar ik, [benadeelde partij 2] zat.
Wij zagen dat de [auto] ons voorbij kwam gereden. Wij schatten dat dit met dezelfde snelheid was, ongeveer 100 kilometer per uur. In ieder geval harder dan de toegestane 60 kilometer per uur. Wij schatten dat [verdachte] op ongeveer 5-10 centimeter ons politie-voertuig niet raakte.
Ik, [benadeelde partij 2] , heb doodsangsten uitgestaan toen het voertuig op ons afgereden kwam. Ik zag dat het voertuig geen vaart minderde. Ik, [benadeelde partij 1] , heb doodsangsten uitgestaan. Ik wilde met het politievoertuig op de weg blijven staan om het voertuig te doen stoppen. Op het laatste moment ging ik aan de kant. Gezien de gereden snelheid van [verdachte] en de afstand tussen beide voertuigen, had [verdachte] zijn voertuig niet tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand als ik het dienstvoertuig niet achteruit had gereden. Zelfs nadat ik bezig was met het ontwijken van het voertuig van [verdachte] , was ik in de veronderstelling dat we in botsing kwamen. Ik had echt het gevoel en de overtuiging dat ik het voertuig van [verdachte] niet meer kon ontwijken, zo snel kwam het voertuig op ons af.
4.4.2De overwegingen van de rechtbank
Op 21 maart 2025 vond een bijna-aanrijding plaats tussen een door de verdachte bestuurde personenauto en een politieauto met daarin de verbalisanten [benadeelde partij 1] als bestuurder en [benadeelde partij 2] al bijrijder. Kern van de zaak is de vraag of de verdachte het opzet had om deze verbalisanten te doden of zwaar te verwonden. Niet is gebleken dat de verdachte uit is geweest op de dood van deze verbalisanten; van zogeheten vol opzet is niet gebleken. Toch kan de rechtbank het opzet van verdachte op de dood of de zware verwonding van de verbalisanten wel bewijzen als er sprake is geweest van zogeheten voorwaardelijk opzet.
Beoordelingskader
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals de dood van of zwaar lichamelijk letsel bij een ander – aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Uit die rechtspraak kan worden afgeleid dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg drie condities dienen te zijn vervuld. Dat zijn:
de gedraging heeft een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven geroepen;
de verdachte heeft ten tijde van de gedraging wetenschap gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg door zijn gedraging zal intreden. Met andere woorden, de verdachte is zich van die aanmerkelijke kans bewust geweest;
de verdachte heeft die aanmerkelijke kans ten tijde van de gedraging aanvaard.
Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af.
De verdachte is met ongeveer 100 kilometer per uur op een als zodanig herkenbare politie-auto ingereden. Dit vond plaats op een smalle weg, zo smal dat deze normaliter niet breed genoeg is om met twee auto’s eenvoudig langs elkaar te rijden. Daarvoor zouden beide auto’s moeten uitwijken en door de berm moeten rijden. De politieauto bevond zich bovendien niet op zijn eigen weghelft – als daarvan op de betreffende weg al kan worden gesproken -, maar blokkeerde de gehele weg door in een hoek van ongeveer 45 graden ten opzichte van de lengteas van de weg te gaan staan. De verdachte kon derhalve met geen mogelijkheid én op het wegdek blijven én langs de politieauto rijden. De verdachte maakte echter geen aanstalten om te stoppen of zelfs maar te remmen (getuige het feit dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , in tegenstelling tot eerder tijdens de achtervolging, geen geactiveerde remlichten zagen, en zij en verbalisanten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] de verdachte zagen rijden met een onverminderde snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur) en maakte pas een kleine uitwijkmanoeuvre nadat verbalisant [benadeelde partij 1] op het laatste moment ervoor had gekozen om een aanrijding te voorkomen door achteruit te rijden. Uiteindelijk reed de verdachte de politieauto voorbij op een afstand van 5 à 10 centimeter.
Het standpunt van de verdachte
De verdachte heeft betwist dat hij met 100 kilometer per uur op de agenten kwam ingereden, en stelt dat hij snelheid heeft geminderd en zelfs heeft geremd. Die verklaring wordt evenwel weerlegd door de relazen van de verbalisanten, zoals hiervoor beschreven. Ook voor het overige vindt die verklaring van de verdachte geen steun in het dossier.
De raadsvrouw heeft nog betoogd dat de uitwijkmanoeuvre van de verdachte een contra-indicatie is voor het opzet van de verdachte om de verbalisanten te doden of zwaar te verwonden. De rechtbank ziet dat anders. De uitwijkmanoeuvre van de verdachte kon namelijk alleen succesvol zijn omdat de politieauto op het laatste moment achteruit was gereden. Zonder die beweging van de politieauto had alsnog een aanrijding plaatsgevonden en was het kleine manoeuvre van de verdachte zonder betekenis gebleven.
Bewuste aanvaarding aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel
Het voorgaande leidt ertoe dat de verdachte bewust met zeer hoge snelheid op de rechter-flank van de politieauto is ingereden, op een moment dat de politieauto schuin de weg blokkeerde. Naar algemene ervaringsregels is de kans dat iemand komt te overlijden, of op zijn minst zwaar lichamelijk letsel oploopt, bij een aanrijding in de flank aanmerkelijk te achten. Het kan niet anders dan dat ook de verdachte daarvan op de hoogte was.
De uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging van de verdachte (met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur, zonder snelheid te minderen, op de flank van de politieauto inrijden, terwijl die weinig ruimte had om een aanrijding te voorkomen), is zozeer gericht op de dood of zwaar lichamelijk letsel van de inzittenden dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.
De raadsvrouw heeft nog met een beroep op het Porsche-arrest (HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139) bepleit dat het niet aannemelijk is dat de verdachte de kans op andermans en zijn eigen dood aanvaardde, onder meer gelet op de contra-indicaties in de vorm van het remmen en uitwijken. Over die contra-indicaties heeft de rechtbank zich hiervoor al uitgelaten. Daar komt bij dat de casus in het Porsche-arrest niet vergelijkbaar is met deze zaak. In die casus kon immers vastgesteld worden dat de verdachte diverse gedragingen verrichtte, kennelijk om ongevallen te vermijden, totdat hij bij een hernieuwde poging om in te halen op de rijstrook, bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer, frontaal botste op een voertuig dat in een tegengestelde rijrichting reed. De Hoge Raad stelde daarbij inderdaad hoge motiveringseisen aan het opzet en de omstandigheid dat een verdachte mogelijk het risico op zijn eigen overlijden creëert in geval sprake is van roekeloos rijgedrag. Dergelijke hoge motiveringseisen worden echter niet gesteld in zaken waarin de verdachte zijn auto heeft ingezet als ‘wapen’ en deze inzet kan worden gezien als een ‘doelbewuste jegens een ander gerichte geweldshandeling.’ Het gaat dan immers niet meer om ‘gewone’ – zij het eventueel roekeloze – deelneming aan het verkeer door de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak daarvan sprake is. De verdachte is immers met hoge snelheid doelbewust afgereden op een politieauto, om koste wat kost te trachten aan aanhouding te ontkomen.
Conclusie
De verdachte is met zijn auto (met een snelheid van rond de 100 kilometer per uur) frontaal afgereden op de rechter flank van de politieauto. Dat is de bijrijderskant, waar op dat moment [benadeelde partij 2] zat. Indien er in die situatie een aanrijding zou hebben plaatsgevonden, zou er naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op het overlijden van [benadeelde partij 2] zijn geweest. De rechtbank oordeelt anders voor wat betreft [benadeelde partij 1] . Die zat op dat moment aan de andere kant van de auto, achter het stuur. Ook hij liep ernstig gevaar, maar naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer voor zijn leven, maar wel voor zwaar lichamelijk letsel.
Aan de verdachte is primair ten laste gelegd een poging doodslag op de verbalisanten en subsidiair een poging zware mishandeling van die verbalisanten. Nu in dit feit twee verbalisanten als beoogd slachtoffer zijn opgenomen, is sprake van een impliciet cumulatieve tenlastelegging. Dat biedt ook de mogelijkheid om de gedraging van de verdachte te beoordelen tegen beide verbalisanten afzonderlijk. Dat maakt dat de rechtbank, zonder de grondslag van de tenlastelegging te verlaten, kan bewezen verklaren: de primair ten laste gelegde poging tot doodslag op verbalisant [benadeelde partij 2] en de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van verbalisant [benadeelde partij 1] .
Voor het overige
De raadsvrouw heeft verder nog een betrouwbaarheidsverweer gevoerd over de verklaring(en) van de getuige [bijrijdster verdachte] . De rechtbank heeft die verklaring(en) niet gebruikt voor het bewijs. Daarom behoeft dat verweer geen verdere bespreking.