ECLI:NL:RBLIM:2026:2602

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/03/348049 / HA ZA 25-541
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Roeffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening en toewijzing aanhouding in geschil over callcenter samenwerking en facturatie

Converdis Holding en een vennootschap onder firma (V.O.F.) vorderden een voorlopige voorziening tot betaling van facturen van Tas Venray, met een bedrag van €44.103,--. Tas Venray voerde verweer en stelde dat de facturen te hoog waren en dat sprake was van schending van geheimhoudingsbedingen, wat leidde tot beëindiging van de samenwerking. De rechtbank oordeelde dat Converdis Holding en V.O.F. onvoldoende spoedeisend belang hadden aangetoond, mede omdat de financiële nood niet aannemelijk was gemaakt en de facturen niet duidelijk toewijsbaar waren aan de eisers.

Daarnaast vorderde Tas Venray aanhouding van de hoofdzaak totdat onherroepelijk was beslist op een incident tot voeging in een andere procedure tegen Converdis BV. De rechtbank achtte de aanhouding toewijsbaar vanwege de feitelijke en juridische samenhang tussen de procedures en het belang van doelmatige procesvoering. Converdis Holding en V.O.F. reageerden niet op dit incident.

De rechtbank wees de voorlopige voorziening af, wees de aanhouding toe en veroordeelde Converdis Holding en V.O.F. in de proceskosten. De hoofdzaak werd aangehouden totdat op de voeging is beslist. Het vonnis werd gewezen door rechter Roeffen en op 25 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening af, wijst de aanhouding toe en veroordeelt Converdis Holding en V.O.F. in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/348049 / HA ZA 25-541
Vonnis in incident van 25 maart 2026
in de zaak van

1.CONVERDIS HOLDING B.V.,

te Heerlen,
2.
de vennootschap onder firma [V.O.F.],
te [plaats],
eisende partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident 223 Rv en verwerende partijen in het incident tot aanhouding,
hierna samen te noemen: Converdis Holding en [V.O.F.],
advocaat: mr. T.F.W. Bijloo,
tegen
TAS VENRAY B.V.,
te Venray,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident 223 Rv en eisende partij in het incident tot aanhouding,
hierna te noemen: Tas Venray,
advocaat: mr. J.J.M. Verhagen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de incidentele vordering van Converdis Holding en [V.O.F.] met producties tot het treffen van een voorlopige voorziening
- de conclusie van antwoord in het incident van Tas Venray met producties
- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak van met producties van Tas Venray, tevens houdende een incidentele vordering tot aanhouding,
1.2.
Ten slotte is vonnis in de incidenten bepaald.

2.De feiten

2.1.
Converdis Holding exploiteert al dan niet via haar werkmaatschappij Converdis BV een callcenter. De heer [naam] is bestuurder van Converdis Holding. en (indirect) bestuurder van Converdis BV.
2.2.
Tas Venray exploiteert eveneens een bedrijf dat callcenter diensten verleent.
2.3.
In augustus 2023 hebben Tas Venray en Converdis een samenwerkingsovereenkomst gesloten op grond waarvan Converdis voor Tas Venray callcenterwerkzaamheden is gaan verrichten op een kantoor van Tas Venray.
2.4.
In januari 2024 hebben Converdis Holding en Tas Venray een samenwerkingsovereenkomst [1] gesloten op grond waarvan Converdis Holding callcenterdiensten zou gaan verlenen voor klanten van Tas Venray maar dan in een eigen kantoor van Converdis Holding in Den Haag maar via het systeem van Tas Venray.
In artikel 5 van Pro deze samenwerkingsovereenkomst hebben partijen afgesproken dat zij alle vertrouwelijke informatie die zij tijdens de samenwerking verkrijgen vertrouwelijk houden en niet aan derden bekend maken.
2.5.
Op 21 januari 2025 heeft Tas Venray met Converdis een voorovereenkomst met intentieklaring, geheimhoudingsclausule en boetebeding gesloten [2] met het oog op het aangaan van een franchiseovereenkomst waarbij Converdis als franchisenemer telefoondiensten gaat aanbieden volgens een door Tas Venray ontwikkelde franchiseformule.
2.6.
Bij e-mail van 12 mei 2025 [3] heeft Tas Venray de samenwerkingsovereenkomst met Converdis Holding per direct beëindigd vanwege concrete vermoedens van overtreding van het geheimhoudingsbeding.
2.7.
Bij facturen van 19 mei 2025 heeft [V.O.F.] werkzaamheden in rekening gebracht over de periode van 16 april tot en met 30 april 2025 (€ 24.357.30 inclusief btw) en de periode van 1 mei tot en met 12 mei 2025 (€ 19.565,70 inclusief btw).

3.De vorderingen in het incident

De vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening
3.1.
Converdis Holding en [V.O.F.] vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad als voorziening in de zin van artikel 223 Rv Pro (Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering) om Tas Venray te veroordelen binnen 24 uur na dit vonnis te betalen een bedrag van € 44.103,-- (de facturen van 19 mei 2025) althans een andere voorziening te treffen, met veroordeling van Tas Venray in de proceskosten.
3.2.
Tas Venray heeft verweer gevoerd.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Het incident tot aanhouding
3.4.
Tas Venray vordert te bepalen dat de hoofdzaak wordt aangehouden totdat onherroepelijk is beslist op het incident tot voeging in de door Tas Venray bij dagvaarding van 18 februari 2026 tegen Converdis BV ingestelde vordering, met veroordeling van Converdis Holding en [V.O.F.] in de kosten van het incident.
3.5.
Converdis Holding en [V.O.F.] hebben, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet gereageerd op het incident tot aanhouding.

4.De beoordeling in het incident

De voorlopige voorziening

4.1.
De rechtbank stelt voorop dat toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding alleen mogelijk is wanneer de eiser daarbij een voldoende belang heeft. Eiser moet belang bij de vordering hebben in die zin dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. Dit zal over het algemeen het geval zijn wanneer al vaststaat dat de gevorderde voorziening te zijner tijd in de hoofdzaak zal worden toegewezen en/of aannemelijk is dat de eiser de uitkomst van de hoofdprocedure niet kan afwachten.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat Converdis Holding en [V.O.F.] mede gelet op het door Tas Venray gevoerde verweer, onvoldoende hebben onderbouwd dat zij een voldoende (spoedeisend) belang bij toewijzing van de voorlopige voorziening hebben. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Spoedeisend belang
4.3.
Converdis Holding en [V.O.F.] hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de voorziening noodzakelijk is. Zij hebben niet onderbouwd dat zij in zodanige liquiditeitsnood verkeren dat ze het vonnis in de hoofdprocedure niet kunnen afwachten. Zij verwijzen naar “de jaarrekening” maar deze is (anders dan in de conclusie vermeld) niet als productie 6 overgelegd. Zodoende kan de gestelde liquiditeitsnood niet worden geverifieerd. Daar komt bij dat onduidelijk is wiens jaarrekening wordt bedoeld (die van Converdis Holding of die van [V.O.F.]) en over welk jaar de jaarrekening een overzicht geeft van de liquiditeitsnood.
4.4.
Verder hebben Converdis Holding en [V.O.F.] geen directe problemen met liquiditeitsnood van henzelf aangevoerd, maar betalingsproblemen van met name de bestuurder de heer [naam]. Los daarvan is de rechtbank met Tas Venray van oordeel dat de door Converdis Holding en [V.O.F.] overgelegde dagvaarding tot ontruiming van de huurwoning van de heer [naam] en zijn echtgenote wegens een betalingsachterstand niets zegt over de een liquiditeitsnood bij Converdis Holding en [V.O.F.] .
4.5.
Verder volgt uit de stellingen van Converdis Holding en [V.O.F.] in het kader van het restitutie risico dat naar verwachting in maart weer voldoende omzet wordt gegenereerd met inkomsten. Daarmee lijkt de gestelde financiële nood in ieder geval op zeer korte termijn op te lossen en het gestelde spoedeisend belang van beperkte duur.
Toewijsbaarheid van de vordering in de hoofdprocedure
4.6.
Converdis Holding en [V.O.F.] vorderen betaling van twee op 19 mei 2025 door [V.O.F.] aan Tas Venray verzonden facturen ter hoogte van € 24.357,3 en € 19.565,70. Converdis Holding en [V.O.F.] hebben onvoldoende onderbouwd dat Tas Venray deze facturen aan hen beiden zou zijn verschuldigd.
4.7.
Converdis Holding en [V.O.F.] hebben de verschuldigdheid van de facturen gebaseerd op een tussen Converdis Holding en Tas Venray in januari 2024 gesloten samenwerkingsovereenkomst. De facturen zijn echter niet op naam van Converdis Holding maar op naam van [V.O.F.] gesteld. Converdis Holding en [V.O.F.] hebben niet onderbouwd waarom [V.O.F.] aanspraak zou hebben op betaling van de facturen op basis van een overeenkomst waarbij zij geen partij is, of waarom Converdis Holding recht zou hebben op betaling van een door [V.O.F.] verstuurde factuur.
4.8.
Tas Venray heeft niet betwist dat door Converdis Holding of Converdis werkzaamheden voor haar zijn verricht maar stelt dat te hoge bedragen zijn gefactureerd. Bij e-mail van 28 mei 2025 [4] heeft de advocaat van Tas Venray gemotiveerd tegen de hoogte van de facturen geprotesteerd. Volgens Tas Venray zijn meer uren in rekening gebracht dan feitelijk door de werknemers van Converdis aan werkzaamheden is verricht. Volgens Tas Venray is maximaal € 34.093,12 aan te factureren werkzaamheden verricht.
4.9.
Tas Venray heeft de betaling van dit bedrag opgeschort. Zij heeft onderbouwd aangevoerd dat Converdis Holding en [V.O.F.] dan wel Converdis het met Tas Venray overeengekomen geheimhoudingsbedingen hebben geschonden en boetes of schadevergoeding zijn verschuldigd. Om die reden heeft Tas Venray de samenwerking met Converdis op 12 mei 2025 opgezegd en ook een procedure aangespannen tegen Converdis, waarvan voeging met de hoofdprocedure zal worden gevorderd.
4.10.
Gelet op het voorgaand is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat een deel van de hoofdvordering al door middel van een eindbeslissing toewijsbaar is.
Slotsom
4.11.
Het voorgaande betekent dat onvoldoende grond bestaat voor het toewijzen van de gevorderde voorziening. Deze zal dan ook worden afgewezen met veroordeling van Converdis Holding en [V.O.F.] in de proceskosten.
Het incident tot aanhouding
4.12.
Tas Venray heeft gemotiveerd gesteld dat het wenselijk is dat de door haar tegen Converdis aangespannen procedure [5] gevoegd behandeld wordt met de onderhavige procedure, vanwege feitelijke en juridische samenhang tussen beide procedures.
4.13.
Uit rechtspraak [6] volgt dat een verzoek om aanhouding als het onderhavige heeft te gelden als een incidentele vordering. Daarbij dient de rechter aan de hand van de aard en inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering, na te gaan of een voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn en niet leiden tot een onredelijke vertraging van het geding.
4.14.
De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde aanhouding van deze procedure toewijsbaar is zoals hierna bij de beslissing aan te geven. Een gevoegde behandeling van zaken met eenzelfde feitencomplex is doelmatig. Tas Venray heeft onweersproken gesteld dat daarvan sprake is bij de onderhavige zaak en de door haar tegen Converdis aangespannen zaak. Converdis Holding en [V.O.F.] hebben niet geantwoord in het incident tot aanhouding en zich niet tegen de gevraagde aanhouding verzet. Omdat de zaak tegen Converdis is aangebracht voor de rolzitting van 11 maart 2026 valt bovendien te verwachten dat de aanhouding niet zal leiden tot een onredelijke vertraging van dit geding.
In beide incidenten
4.15.
Converdis Holding B.V. en [V.O.F.] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Tas Venray B.V. worden begroot op:
- salaris advocaat
1.290,00
(1 punt × € 1.290,00)
Totaal
1.290,00

5.De beslissing

De rechtbank
In het incident 223 Rv
5.1.
wijst de provisionele vorderingen van Converdis Holding B.V. en [V.O.F.] af,
In het incident tot aanhouding
5.2.
wijst de incidentele vordering tot aanhouding toe,
In beide incidenten
5.3.
veroordeelt Converdis Holding B.V. en [V.O.F.] in de proceskosten van de incidenten ter hoogte van € 1.290,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Converdis Holding B.V. en [V.O.F.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.
In de hoofdzaak
5.4.
verwijst de zaak naar de parkeerrol totdat is beslist op een vordering tot voeging in de door Tas Venray bij dagvaarding van 18 februari 2026 tegen Converdis aanhangig gemaakte procedure,
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Voetnoten

1.Productie 1 bij dagvaarding
2.Productie 4 van Tas Venray bij conclusie van antwoord en conclusie in het incident tot aanhouding
3.Productie 2 bij dagvaarding
4.Productie 17 bij conclusie van antwoord in het incident.
5.Productie 23 zijdens Tas Venray
6.HR 02-03-2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8176