ECLI:NL:RBLIM:2026:2629

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
12112242 \ EZ VERZ 26-59
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:181 BWArt. 3:182 BWArt. 3:183 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Goedkeuring verdeling nalatenschap en benoeming onzijdig persoon voor onbekende erfgenamen

De vereffenaar verzocht de kantonrechter om goedkeuring van een conceptakte van verdeling van een nalatenschap en om benoeming tot onzijdig persoon die de onbekende erfgenamen vertegenwoordigt. De kantonrechter overwoog dat een verdeling alleen kan plaatsvinden als alle erfgenamen deelnemen, maar onbekende erfgenamen niet zelfstandig kunnen deelnemen. Daarom is vertegenwoordiging door een onzijdig persoon noodzakelijk.

Hoewel artikel 3:181 BW Pro voorschrijft dat een onzijdig persoon alleen kan worden benoemd bij of na een door de rechter bevolen verdeling, achtte de kantonrechter in deze zaak een afwijking gerechtvaardigd. Het strikt volgen van de wettelijke route zou leiden tot onnodige kosten en nadelige gevolgen voor de onbekende erfgenamen, die niet in de procedure verschijnen.

De kantonrechter benoemt daarom de vereffenaar tot onzijdig persoon en keurt de conceptakte van verdeling goed. Hiermee worden de belangen van de onbekende erfgenamen voldoende gewaarborgd. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.

Uitkomst: De kantonrechter keurt de verdeling van de nalatenschap goed en benoemt de vereffenaar tot onzijdig persoon die de onbekende erfgenamen vertegenwoordigt.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer / rekestnummer: 12112242 \ EZ VERZ 26-59
Beschikking van 23 maart 2026
op het verzoek van
MR. [de vereffenaar],
verbonden aan [notariskantoor] te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de vereffenaar,
procederend in persoon.

1.De verdere procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van 9 maart 2026,
- het bericht van de vereffenaar, ontvangen ter griffie op 16 maart 2026, tevens aanvulling/verbetering van het oorspronkelijke verzoek.
1.2.
Vervolgens is beschikking bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

2.1.
Bij beschikking van 9 maart 2026 is de vereffenaar in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of hij zijn verzoek handhaaft, waarbij hij dient toe te lichten waarom een machtiging volgens hem wél kan worden verleend, of dat hij het verzoek intrekt. Daarbij heeft de kantonrechter erop gewezen dat een (concept) akte van verdeling alleen kan worden goedgekeurd op grond van artikel 3:182 lid 2 BW Pro als er een wettelijk vertegenwoordiger is namens de onbekende erfgenamen en dat die er (nog) niet blijkt te zijn in dit geval.
2.2.
Op 16 maart 2026 heeft de vereffenaar zijn oorspronkelijke verzoek aangevuld met een verzoek op grond van artikel 3:181 BW Pro, inhoudende de benoeming van hemzelf tot onzijdig persoon die is gemachtigd om de onbekende erfgenamen te vertegenwoordigen terzake de verdeling. Daarbij heeft de vereffenaar ook een aangepaste concept akte van verdeling gevoegd.
2.3.
De kantonrechter overweegt het volgende.
2.4.
Aan een verdeling moeten alle erfgenamen/deelgenoten deelnemen. De onbekende erfgenamen kunnen niet zelfstandig deelnemen aan de verdeling en daarom moeten zij worden vertegenwoordigd. Dat kan gebeuren door een onzijdig persoon te benoemen die de onbekende erfgenamen vertegenwoordigt.
Omdat de vertegenwoordigde erfgenamen niet in staat zijn om zelfstandig hun belangen te behartigen bij de verdeling, bepaalt artikel 3:183 lid 2 dat Pro de kantonrechter de akte van verdeling eerst moet goedkeuren. Daarmee zijn de belangen van de vertegenwoordigde erfgenamen (in dit geval de onbekende erfgenamen) voldoende gewaarborgd.
2.5.
Het probleem dat zich (ook) in deze zaak voordoet, is dat een verzoek tot benoeming van een onzijdig persoon op grond van artikel 3:181 BW Pro strikt genomen alleen kan plaatsvinden bij of na een door de rechter bevolen verdeling. De rechter die daartoe bevoegd is, is niet de kamer voor andere dan kantonzaken (de handelsrechter).
2.6.
De achtergrond van artikel 3:181 BW Pro is dat een verdeling tot stand moet kunnen komen, ook als een deelgenoot niet meewerkt. Niemand kan immers verplicht worden in onverdeeldheid te blijven. Als een verdeling is overeengekomen, maar een deelgenoot weigert mee te werken aan de uitvoering van de verdeling, dan kan nakoming worden gevorderd. Artikel 3:181 BW Pro is dan niet nodig. Als de verdeling
nietis overeengekomen, dan biedt een nakomingsvordering geen soelaas. Aangezien de oorzaak van het ontbreken van overeenstemming in de regel in een verschil van inzicht tussen de deelgenoten is gelegen, ligt het voor de hand dat de rechter in die gevallen eerst de verdeling beveelt. Voor die gevallen biedt artikel 3:181 BW Pro een oplossing.
2.7.
In dit geval is echter geen sprake van een overeengekomen verdeling (de onbekende erfgenamen hebben immers niet ingestemd). Evenmin is sprake van een weigerachtige deelgenoot. De verdeling kan alleen niet tot stand komen, omdat sprake is van onbekende erfgenamen. Het strikt vasthouden aan de letter van de wet, inhoudende dat eerst een verdeling bevolen moet worden, zou voorbijschieten aan het doel van diezelfde wet. Het vorderen van een verdelingsbevel, waarbij de handelsrechter een onzijdig persoon kan benoemen, zou gelet op de verplichte procesvertegenwoordiging, het verschuldigde griffierecht, de deurwaarderskosten en de verplichte openbare betekening, in dit geval meer proceskosten met zich meebrengen dan het bedrag dat de onbekende erfgenamen toekomt. Ervan uitgaande dat de onbekende erfgenamen niet in de procedure verschijnen en in de proceskosten worden veroordeeld, zou er niets overblijven om te consigneren. Het strikt volgen van de route die artikel 3:181 BW Pro voorschrijft, zou dus uiteindelijk ook niet in het belang van de onbekende erfgenamen zijn.
2.8.
De kantonrechter heeft hierbij ook oog voor het pleidooi bij de Minister van Justitie en Veiligheid vanuit de rechterlijke macht, de advocatuur en het notariaat om te komen tot vereenvoudiging en verbetering van het procesrecht in erfrechtzaken. Een laagdrempelige toegang tot de kantonrechter heeft de voorkeur. Ook in zaken zoals de onderhavige, waarin de vereffenaar eerst de verdeling van de nalatenschap door de rechter moet laten vaststellen, voordat hij het erfdeel van erfgenamen die de erfenis verwerpen of onvindbare erfgenamen in de consignatiekas stort. In dit soort zaken gaat het immers slechts om het (relatief eenvoudige) vaststellen van het bedrag dat ieder van de erfgenamen na de voltooide vereffening toekomt.
2.9.
De kantonrechter zal daarom zelf een onzijdig persoon benoemen die de onbekende erfgenamen bij de verdeling dient te vertegenwoordigen. De belangen van de onbekende erfgenamen zijn gewaarborgd door de toets van de kantonrechter in het kader van de goedkeuring van de akte van verdeling als bedoeld in artikel 3:183 lid 2 BW Pro.
2.10.
De kantonrechter zal conform verzoek tot onzijdig persoon benoemen mr. [de vereffenaar] voornoemd.
2.11.
De kantonrechter heeft kennis genomen van de conceptakte van verdeling, versie 12 maart 2026, die de vereffenaar op 16 maart 2026 ter griffie heeft ingediend.
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn er geen feiten of omstandigheden die zich tegen goedkeuring verzetten. De gevraagde goedkeuring zal daarom worden verleend.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verleent goedkeuring voor de verdeling van de nalatenschap van de heer [erflater], geboren te [plaats 2] op [datum 1] 1934 en overleden te [plaats 3] op [datum 2] 2023, conform de conceptakte van verdeling, versie 12 maart 2026, door de vereffenaar ter griffie ingediend op 16 maart 2026,
3.2.
benoemt mr. [de vereffenaar] , verbonden aan [notariskantoor] te [plaats 1] , tot onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW Pro die de onbekende erfgenamen bij genoemde verdeling vertegenwoordigt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.