ECLI:NL:RBLIM:2026:2631

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
11760665 \ CV EXPL 25-2880
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:44 BWArt. 3:296 BWArt. 6:52 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping vonnis afgewezen; betaling restantfactuur deels toegewezen wegens opschorting betalingsverplichting

In maart 2022 sloten partijen een overeenkomst waarbij de leverancier een spantent zou leveren en plaatsen voor Old Inn tegen een prijs van € 15.489,82 inclusief btw. Old Inn betaalde de helft als aanbetaling. Na levering bleek de tent incompleet, waarop de leverancier een aangepaste factuur stuurde van € 5.637,63. Old Inn betaalde deze niet, waarna de leverancier een procedure startte. Bij vonnis van 23 oktober 2024 wees de kantonrechter de vorderingen van de leverancier af, omdat de leverancier niet volledig had geleverd en gemonteerd, waardoor Old Inn gerechtigd was haar betalingsverplichting op te schorten.

De leverancier vorderde vervolgens herroeping van dit vonnis wegens vermeend bedrog door Old Inn, omdat Old Inn na de procedure een tegenovergesteld standpunt innam. De kantonrechter oordeelde dat er geen sprake was van bedrog en dat onvoldoende feiten waren aangevoerd om herroeping toe te kennen. Tevens werd de vordering tot terugbetaling van proceskosten afgewezen.

In de hoofdzaak vorderde de leverancier betaling van € 12.490,00, bestaande uit hoofdsom, incassokosten, rente en proceskosten. Old Inn voerde verweer en stelde zich op het standpunt van niet-ontvankelijkheid. In reconventie vorderde Old Inn schadevergoeding wegens lekkage en afgifte van het tentboek.

De kantonrechter stelde vast dat er sprake was van lekkage en dat Old Inn haar betalingsverplichting terecht had opgeschort, maar dat de opschorting disproportioneel was voor het bedrag boven € 2.500,00. De leverancier had de materialen geleverd maar niet gemonteerd, inclusief het verhelpen van de lekkage. Daarom werd Old Inn veroordeeld tot betaling van € 7.778,17 inclusief rente en incassokosten, minus een bedrag van € 2.500,00 voor de nog te verrichten montage. De schadevordering en de vordering tot afgifte van het tentboek werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en niet-opeisbaarheid. Old Inn werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering tot herroeping afgewezen; Old Inn veroordeeld tot betaling van € 7.778,17 met rente en proceskosten, schadevordering en afgifte tentboek afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11760665 \ CV EXPL 25-2880
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[persoon] , t.h.o.d.n. [bedrijf] ,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de leverancier] ,
gemachtigde: Via Optima Gerechtsdeurwaarders, [gemachtigde] ,
tegen
OLD INN OTTERSUM B.V.,
te Ottersum,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Old Inn,
gemachtigde: mr. M.P.M. Riep.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties en USB-stick
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de door Old Inn overgelegde producties 8 tot en met 13 bij e-mailbericht van 8 december 2025
- de mondelinge behandeling van 11 december 2025
- de spreekaantekeningen zijdens Old Inn
- de door Old Inn overgelegde producties 5 en 6 bij e-mailbericht van 11 december 2025
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de op 14 januari 2026 ingekomen antwoordakte van Old Inn
- de akte producties van [de leverancier] (zittingsdatum 14 januari 2026).
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In maart 2022 zijn partijen overeengekomen dat [de leverancier] in opdracht en voor rekening van Old Inn een spantent levert en plaatst. De overeengekomen prijs bedraagt € 15.489,82 inclusief btw.
2.2.
Bij factuur van 18 maart 2022 heeft [de leverancier] een bedrag van € 15.489,82 (inclusief btw) bij Old Inn in rekening gebracht.
2.3.
Old Inn heeft de helft van het factuurbedrag aanbetaald, te weten € 7.744,91 inclusief btw.
2.4.
Op 5 juni 2022 is de spantent bij Old Inn geplaatst.
2.5.
Op 6 februari 2023 heeft [de leverancier] een gewijzigde factuur aan Old Inn verstuurd, omdat een deel van de overeengekomen materialen niet geleverd konden worden.
In plaats van € 7.744,91 inclusief btw dient Old Inn € 5.637,63 inclusief btw te voldoen.
Old Inn heeft deze factuur niet betaald.
2.6.
[de leverancier] heeft Old Inn in rechte betrokken, omdat zij de factuur niet wil betalen. Bij vonnis van 23 oktober 2024 heeft de kantonrechter de vorderingen van [de leverancier] afgewezen.
In het vonnis is navolgende opgenomen:
“4.1. [de leverancier] vordert nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst.
4.2.
Uit de stellingen van partijen als ook uit de door partijen overgelegde producties blijkt genoegzaam dat partijen zijn overeengekomen dat [de leverancier] aan Old Inn levert een grote spantent, welke [de leverancier] tevens monteert. Old Inn is daartegenover aan [de leverancier] verschuldigd een totaalbedrag van 15.489,82, welk bedrag in twee termijnen dient te worden betaald; 50% als aanbetaling en 50% na levering.
4.3.Vast staat dat [de leverancier] de tent grotendeels heeft geleverd en gemonteerd. Echter, ook staat vast dat de tent niet compleet was, althans heeft [de leverancier] niet geleverd hetgeen door haar bij factuur van 18 maart 2022 met [factuurnummer 1] , bij Old Inn in rekening is gebracht.
4.4.
[de leverancier] heeft, na ontdekking van de onvolledige levering, de ontbrekende onderdelen, voor zover bij haar bekend, in mindering gebracht op de totaalsom. Voor het restant van € 5.637,63 heeft [de leverancier] op 6 februari 2023 een (nieuwe) factuur met [factuurnummer 2] gezonden, waarvan zij thans betaling vordert. Old Inn is het niet eens met deze eenzijdige wijziging van de overeenkomst en wil volledige nakoming van de oorspronkelijke overeenkomst.
4.5.Uit het voorgaande volgt dat [de leverancier] niet heeft voldaan aan haar verplichting tot levering en montage van alle onderdelen van de grote spantent. Gesteld noch gebleken is dat [de leverancier] niet in staat zou zijn om de ontbrekende onderdelen te leveren en monteren. [de leverancier] is daarom in verzuim. Zij voldoet ten gevolge van haar toe te rekenen omstandigheden niet aan een verplichting harerzijds tegenover Old Inn. Old Inn is op deze grond bevoegdelijk de nakoming van zijn betalingsverbintenis tegenover [de leverancier] op te schorten. Voor het intreden van schuldeisersverzuim stelt de wet niet het formele vereiste van een ingebrekestelling, zoals [de leverancier] wenst te doen geloven.
4.6.Uit de vordering in reconventie blijkt genoegzaam dat Old Inn volledige nakoming wenst en bijvoorbeeld niet kan instemmen met een (gedeeltelijke) bevrijding van zijn betalingsverplichting tegenover [de leverancier] . Het is niet aan [de leverancier] om de tussen partijen gesloten overeenkomst, en de daaruit voortvloeiende verplichtingen, eenzijdig te wijzigen.
4.7.
Nu Old Inn een opeisbare vordering heeft op [de leverancier] , is deze bevoegd
de nakoming van zijn betalingsverplichting op te schorten totdat voldoening van zijn vordering (volledige levering en montage van de grote spantent) plaatsvindt. Old Inn is niet in verzuim en [de leverancier] heeft daarom geen opeisbare vordering op Old Inn. De vordering van [de leverancier] dient te worden afgewezen.
4.8.
Ten overvloede wordt nog overwogen dat Old Inn reeds heeft verklaard de restantsom te zullen betalen, indien [de leverancier] haar verplichtingen uit hoofde van de oorspronkelijke overeenkomst correct is nagekomen.”
2.7.
Partijen zijn niet in hoger beroep gegaan tegen dit vonnis.
2.8.
[de leverancier] heeft naar aanleiding van dit vonnis een meshdoek aangebracht. [de leverancier] heeft wederom aanspraak gemaakt op betaling van de restantfactuur. Old Inn heeft dit geweigerd. Old Inn heeft aan [de leverancier] aangegeven dat er nog materialen geleverd dienen te worden.
2.9.
Partijen hebben geprobeerd een afspraak te maken daarover.
2.10.
Op 15 april 2025 heeft [de leverancier] materialen geleverd aan Old Inn. De gemachtigde van [de leverancier] (tevens gerechtsdeurwaarder) en de partner van [de leverancier] waren hierbij ook aanwezig. Zijdens Old Inn was niemand aanwezig. Van de constateringen heeft de gerechtsdeurwaarder een proces-verbaal opgemaakt dat is betekend aan Old Inn.
2.11.
Old Inn heeft hierop (onder meer) eveneens op 15 april 2025 laten weten dat voor deze materialen een creditnota is ontvangen en [de leverancier] de materialen dient op te halen.
2.12.
[de leverancier] heeft op 16 april 2025 (onder meer) aan Old Inn bericht dat Old Inn in de vorige procedure juist aanspraak maakte op levering van de resterende materialen en [de leverancier] om die reden die betreffende materialen heeft geleverd. [de leverancier] concludeert dat Old Inn - nu - een tegenovergesteld standpunt heeft en dat Old Inn in de vorige procedure heeft gelogen.
2.13.
[de leverancier] heeft op 23 april 2025 aan Old Inn laten weten dat Old Inn aan haar moet terugbetalen hetgeen zij op grond van het vonnis heeft moeten betalen, alsmede de proceskosten die Old Inn aan haar verschuldigd zou zijn (in het geval zij gelijk had gekregen van de rechter). [de leverancier] heeft Old Inn gesommeerd tot betaling van:
  • Hoofdsom € 7.744,91
  • Buitengerechtelijke incassokosten € 762,25
  • Handelsrente over hoofdsom € 2.107,21
  • Proceskosten € 1.265,00
  • Terug te betalen proceskosten
Totaal € 13.031,37
2.14.
Old Inn heeft daarop laten weten dat zij niet zal betalen zolang zij het tentboek niet heeft ontvangen. Daarnaast laat Old Inn weten dat er sprake is van een lekkage. Dit dient verholpen te worden, alvorens overgegaan wordt tot betaling.
2.15.
Bij e-mail van 6 mei 2025 heeft de gemachtigde van [de leverancier] aan Old Inn voorgesteld om het hiervoor vermelde totaalbedrag te voldoen op de derdengeldrekening van het deurwaarderskantoor. De gelden worden pas uitbetaald aan [de leverancier] nadat de werkzaamheden zijn verricht.
2.16.
Old Inn heeft hierop niet gereageerd. [de leverancier] is daarom een procedure gestart.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[de leverancier] vordert:
  • herroeping van het tussen partijen op 23 oktober 2024 gewezen vonnis en [de leverancier] te ontheffen van de verplichtingen die bij dat vonnis tegen haar zijn uitgesproken;
  • Old Inn te veroordelen tot betaling van € 12.490,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 8.528,93 vanaf de dag volgende op die van dagvaarding tot aan de dag van volledige voldoening;
  • Old Inn te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met rente.
3.1.1.
[de leverancier] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat Old Inn na de vorige procedure een tegenovergesteld standpunt heeft ingenomen ten opzichte van het door Old Inn ingenomen standpunt in de vorige procedure. Omdat Old Inn in de procedure in strijd met de waarheid heeft verklaard, heeft [de leverancier] de procedure verloren. Old Inn heeft bedrog gepleegd. [de leverancier] vordert daarom herroeping van het vonnis. Het handelen van Old Inn is daarnaast onrechtmatig. [de leverancier] maakt aanspraak op betaling van de factuur van 6 februari 2023, te vermeerderen met rente en kosten. Daarnaast maakt [de leverancier] aanspraak op de door haar aan Old Inn betaalde proceskosten van de vorige procedure en de proceskosten die [de leverancier] had kunnen ontvangen bij een toewijzing.
3.1.2.
Voormeld door [de leverancier] gevorderd bedrag van € 12.490,00 is opgebouwd uit navolgende posten:
  • Hoofdsom € 8.528,93
  • Buitengerechtelijke incassokosten 656,88
  • Ten onrechte betaalde proceskosten 1.152,00
  • Nog te vergoeden proceskosten 1.517,79
  • Handelsrente t\m 11-06-2025 1.092,33
  • Handelsrente
12.947,96
[de leverancier] heeft aangegeven haar vordering uitdrukkelijk te beperken tot een bedrag van
€ 12.490,00.
3.2.
Old Inn voert verweer. Old Inn concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de leverancier] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de leverancier] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de leverancier] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
Old Inn vordert - samengevat -
  • [de leverancier] te veroordelen tot betaling van € 20.000,00 inclusief rente en kosten. In verband met de absolute bevoegdheid van de kantonrechter beperkt zij haar vordering tot dit bedrag en behoudt zij ten aanzien van het meerdere alle rechten en aanspraken voor;
  • Afgifte van het tentboek op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [de leverancier] hiermee in gebreke blijft, gemaximeerd op € 10.000,00.
Aan de schadevordering heeft Old Inn ten grondslag gelegd dat Old Inn schade heeft geleden als gevolg van levering van een niet deugdelijke tent. De tent lekt en is niet goed aangespannen. [de leverancier] weigert de lekkage te verhelpen. Old Inn kan in de lente en zomer op haar terras door de lekkages gemiddeld 2 tafels niet benutten. Op basis van langjarige gemiddelden betreft dit circa 77 dagen per jaar. Met een bruto marge van € 500,00 per tafel per dag leidt dit tot circa € 77.000,00 schade per jaar. Over de periode 2022 tot en met zomer 2025 bedraagt dit circa € 94.000,00.
3.5.
[de leverancier] voert verweer. [de leverancier] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Old Inn, met veroordeling van Old Inn in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
herroeping vonnis en proceskosten vorige procedure
4.1.
De kantonrechter is van oordeel dat Old Inn geen bedrog heeft gepleegd in de zin van artikel 382 aanhef Pro en sub a Rv en overweegt hiertoe als volgt.
In de kern komen de stellingen van [de leverancier] erop neer dat Old Inn tijdens de vorige procedure heeft gelogen. Volgens [de leverancier] heeft Old Inn tijdens de vorige procedure aangevoerd dat [de leverancier] de ontbrekende materialen moest leveren en monteren, terwijl Old Inn na de procedure een tegengesteld standpunt heeft ingenomen.
4.2.
Hoewel het begrip ‘bedrog’ ruim moet worden uitgelegd en niet is onderworpen aan beperkingen die in het overeenkomstenrecht (zie art. 3:44 BW Pro) voor de uitleg van het begrip worden aangelegd, is de kantonrechter niet gebleken dat van bedrog sprake is.
4.3.
Onduidelijk is welke onderdelen op grond van het vonnis door [de leverancier] aan Old Inn geleverd hadden moeten worden. In het vonnis is daar niets over opgenomen. Daarnaast is in het vonnis ook opgenomen dat er montage dient plaats te vinden [1] . Op 15 april 2025 heeft [de leverancier] spullen geleverd bij Old Inn, maar niet gemonteerd. De kantonrechter verliest hierbij niet uit het oog dat [de leverancier] ter zitting heeft gesteld dat montage niet mogelijk is, hetgeen weersproken is door Old Inn.
Uit het voorgaande blijkt dat de kantonrechter niet kan vaststellen dat Old Inn een tegenovergesteld standpunt heeft ingenomen zoals [de leverancier] betoogt. Hierbij merkt de kantonrechter op dat ook als er sprake zou zijn van een tegenovergesteld standpunt, dit niet hoeft te betekenen dat er sprake is van bedrog.
4.4.
Daarnaast geldt dat herroeping enkel kan worden toegewezen als aannemelijk is dat de beslissing van de rechter bij een juiste voorstelling van zaken anders zou zijn uitgevallen.
Of dit zo is, is nog maar de vraag. [de leverancier] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die deze conclusie kunnen dragen.
4.5.
De vordering tot herroeping van het vonnis zal dus worden afgewezen.
Dit geldt dus ook voor de daarmee samenhangende vordering van [de leverancier] tot terugbetaling van de door haar aan Old Inn betaalde proceskosten van de vorige procedure en betaling van de proceskosten die [de leverancier] had kunnen ontvangen bij een toewijzend vonnis.
De grondslag van deze vordering en die van de herroeping is immers gelijkluidend.
Gezag van gewijsde en misbruik van procesrecht
4.6.
Old Inn heeft aangevoerd dat de vordering van [de leverancier] reeds is beoordeeld en afgewezen bij vonnis van 23 oktober 2024. Volgens Old Inn dient [de leverancier] niet-ontvankelijk verklaard te worden in haar vordering. De kantonrechter volgt Old Inn hierin niet.
Het gezag van gewijsde (artikel 236 Rv Pro) kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen
eenzelfde geschilpuntwordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt. [2] De tussen partijen gevoerde discussie is uitgebreid en ziet niet meer (uitsluitend) op hetzelfde geschilpunt. Partijen verschillen nu ook (onder meer) van mening over de vraag of i) [de leverancier] haar verplichtingen uit de overeenkomst is nagekomen door na het vonnis materialen te leveren aan Old Inn en ii) Old Inn gerechtigd is tot opschorting van haar betalingsverplichting vanwege lekkage.
4.7.
Dat volgens Old Inn sprake zou zijn van misbruik van procesrecht is onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat [de leverancier] een nieuwe procedure instelt, is onvoldoende om deze conclusie te kunnen dragen.
De kantonrechter zal nu overgaan tot inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Ambtshalve aanvulling rechtsgronden
4.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de rechtsgrond voor de vordering van [de leverancier] tot betaling van de tent van in totaal € 8.528,96 (ook) gelegen in nakoming op grond
van artikel 3:296 BW Pro en vult de kantonrechter op voet van artikel 25 Rv Pro de rechtsgronden dienovereenkomstig aan. In de stellingen van [de leverancier] ligt voldoende besloten dat zij mede op grond daarvan betaling vordert van Old Inn.
Nakomingsvordering [de leverancier]
4.9.
De door [de leverancier] gevorderde hoofdsom is als volgt opgebouwd.
4.10.
[de leverancier] heeft aanvankelijk een factuur gestuurd van 18 maart 2022 van € 15.849,82 inclusief btw. Old Inn heeft de helft hiervan voldaan, te weten € 7.744,91.
4.11.
Op 6 februari 2023 heeft [de leverancier] een deel van het oorspronkelijke factuurbedrag gecrediteerd en nog aanvullende kosten in rekening gebracht. [de leverancier] heeft een totaalbedrag van € 2.891,30 inclusief btw gecrediteerd.
Het nieuwe factuurbedrag bedraagt € 5.637,63 inclusief btw.
4.12.
De materialen die zien op de gecrediteerde bedragen heeft [de leverancier] aan Old Inn geleverd. [de leverancier] maakt ook aanspraak op voormeld bedrag van € 2.891,30 inclusief btw.
4.13.
In totaal maakt [de leverancier] aanspraak op een hoofdsom van € 8.528,93 inclusief btw
(€ 5.637,63 + € 2.891,30).
Beroep op opschorting Old Inn en [de leverancier]
4.14.
Old Inn voert aan haar betalingsverplichting op te hebben geschort. Er is namelijk (onder andere) sprake van een lekkage op de plek waar de twee tenten “samenkomen” en Old Inn heeft het tentboek nog niet ontvangen. Hiertegen heeft [de leverancier] aangevoerd dat voor zover sprake is van een lekkage, zij deze pas zal verhelpen nadat Old Inn heeft betaald. Na betaling zal [de leverancier] ook het tentboek aan Old Inn verstrekken.
4.15.
De kantonrechter stelt vast dat beide partijen - in feite - een beroep op opschorting doen. Old Inn schort haar betalingsverplichting op en [de leverancier] schort haar verplichting op tot het verhelpen van de lekkage en de afgifte van het tentboek.
4.16.
Artikel 6:52 BW Pro lid 1 bepaalt dat een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen de vordering en de verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen.
4.17.
De kantonrechter is van oordeel dat Old Inn middels indiening van de overgelegde video-opnamen alsmede de correspondentie tussen partijen van 10 maart 2023 [3] , 27 januari 2025 [4] , 5 april 2025 [5] waarbij Old Inn geklaagd heeft over de lekkage, voldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een lekkage. Het verweer van [de leverancier] dat zij niet weet of er sprake is van een lekkage, is een onvoldoende betwisting hiervan. Blijkens voormelde correspondentie was [de leverancier] al op 10 maart 2023 op de hoogte van de lekkage, dus vóór de vorige procedure (dagvaarding vorige procedure is betekend op 13 maart 2024). [de leverancier] had bijvoorbeeld op het moment dat zij de materialen naar Old Inn bracht op 15 april 2025 kunnen vaststellen hoe het zit met deze klacht van Old Inn. Dat [de leverancier] dat niet heeft gedaan, komt voor haar eigen rekening en risico. Gelet hierop acht de kantonrechter het bestaan van een lekkage onvoldoende betwist.
4.18.
Uit het voorgaande blijkt dat de verbintenissen van partijen opeisbaar zijn.
Zijn de verbintenissen van partijen opeisbaar en volgt uit de onderlinge verhouding tussen partijen niet wie als eerste moet presteren, dan moeten partijen gelijk oversteken [6] . In dat geval mag worden opgeschort door de partij bij wiens wederpartij de nakoming als eerste stokt. Op grond van artikel 7:26 lid 2 BW Pro is de koper de koopprijs verschuldigd ten tijde van de aflevering van het gekochte. In het vonnis van 23 oktober 2024 is geoordeeld dat opschorting van betaling van de koopsom gerechtvaardigd is totdat de spantent volledig is geleverd en gemonteerd. [de leverancier] heeft na de vorige procedure weliswaar de ontbrekende materialen aan Old Inn heeft verstrekt, maar niet gemonteerd. Onderdeel van de montage is ook dat die
correctwordt uitgevoerd. Dat betekent dat [de leverancier] ook de lekkage moet verhelpen tijdens de montage. Omdat [de leverancier] ten opzichte van Old Inn “eerder” in gebreke is met het voldoen van haar verplichting en nog niet heeft voldaan aan de montageverplichting, is Old Inn (nog steeds) gerechtigd om de betalingsverplichting op te schorten.
4.19.
Dat mag worden opgeschort, betekent niet dat Old Inn ook het
geheleresterende bedrag mag opschorten. Er dient namelijk ook voldaan te worden aan de proportionaliteits-eis. Bij het eerdere vonnis was sprake van ontbrekende onderdelen en een gebrek aan montage. Nu moet nog slechts de montage plaatsvinden. In dat kader is de vraag wat de waarde is van de niet nagekomen prestatie (lees: de montage van de nog geleverde onderdelen en het verhelpen van de lekkage). Bij gebreke aan aanknopingspunten begroot de kantonrechter deze op een totaal van € 2.500,00. Aangezien Old Inn (veel) meer heeft opgeschort dan voormeld bedrag, is zij in verzuim met betrekking tot het ten onrechte opgeschorte deel. Dat betekent dat toewijsbaar is € 8.528,96 – € 2.500,00 = € 6.028,96. De kantonrechter is uitgegaan van een hoofdsom van € 8.528,96, omdat Old Inn zelf aan [de leverancier] heeft gevraagd de materialen te leveren [7] . Dat Old Inn na ontvangt van deze materialen van gedachten is veranderd, maakt dit oordeel niet anders. Dat komt voor rekening en risico van Old Inn.
4.20.
De overeenkomst tussen partijen bestaat nog. Partijen dienen nog over en weer hun verplichtingen uit de overeenkomst na te komen. Zoals reeds hiervoor vermeld, dienen partijen in navolgende volgorde te presteren:
[de leverancier] dient de montage te voltooien, waarbij zij ook de lekkage moet verhelpen;
Daarna dient Old Inn € 2.500,00 aan [de leverancier] te voldoen.
Vanwege de jarenlange patstelling tussen partijen is de kantonrechter van oordeel dat [de leverancier] pas verplicht is om het tentboek af te geven na ontvangst van het restantbedrag van € 2.500,00. Daarmee wordt zoveel als mogelijk ‘gelijk overgestoken’.
Wettelijke handelsrente
4.21.
[de leverancier] heeft aangevoerd dat Old Inn in gebreke is gebleven met de betaling van het bedrag van de factuur van 6 februari 2023 van € 5.637,63 inclusief btw. [de leverancier] vordert hierover de vervallen rente, die zij becijfert op € 1.092,33 (tot en met 11 juni 2025).
De kantonrechter stelt vast dat Old Inn te laat is met de betaling van in elk geval het hierna toegewezen bedrag. Old Inn dient daarom de wettelijke handelsrente te voldoen. Uitgaande van de hoogte van de toegewezen hoofdsom van € 6.028,96, is de door [de leverancier] becijferde wettelijke handelsrente niet te hoog, zodat het door haar gevorderde bedrag van € 1.092,33 wordt toegewezen. De door [de leverancier] gevorderde wettelijke handelsrente vanaf de dag volgende op die van de dagvaarding is eveneens toewijsbaar, maar wel over de toegewezen hoofdsom van € 6.028,96 (die lager is dan de gevorderde hoofdsom).
Buitengerechtelijke incassokosten
4.22.
[de leverancier] heeft voldoende onderbouwd dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. [de leverancier] heeft voormelde factuur van 6 februari 2023 van € 5.637,63 inclusief btw als uitgangspunt genomen voor de becijfering van de incassokosten.
Uitgaande van de hoogte van de toegewezen hoofdsom van € 6.028,96, zijn de door [de leverancier] becijferde buitengerechtelijke incassokosten niet te hoog, zodat het door haar gevorderde bedrag van € 656,88 wordt toegewezen.
Totaal toe te wijzen bedrag
4.23.
Hierna zal - gelet voorgaande overwegingen - een totaalbedrag van € 6.028,96 +
€ 1.092,33 + € 656,88 = € 7.778,17 worden toegewezen.
Proceskosten
4.24.
Old Inn is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de leverancier] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.243,35
4.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
schadevordering
4.26.
De kantonrechter stelt vast dat Old Inn de door haar geleden schade als gevolg van de lekkage van de tent onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele stellingen van Old Inn (bij antwoord) dat:
  • Old Inn in de lente en zomer op haar terras door de lekkages gemiddeld 2 tafels niet kan benutten,
  • op basis van langjarige gemiddelden dit circa 77 dagen per jaar betreft,
  • dit tot circa € 77.000,00 schade per jaar leidt uitgaande van een bruto marge van
€ 500,00 per tafel per dag en
- over de periode 2022 tot en met zomer 2025 er sprake is van circa € 94.000,00 aan schade,
is – gelet op de gemotiveerde betwisting zijdens [de leverancier] - een onvoldoende onderbouwing dat Old Inn enige schade heeft geleden als gevolg van de lekkage. De door Old Inn gegeven nadere toelichting bij akte van 14 januari 2026 en verwijzing naar de websites van KNMI [8] en Hormax [9] maakt dit oordeel niet anders. Dit zijn slechts algemene verwijzingen die niets zeggen over of er daadwerkelijk schade is geleden. De stukken zijn ook té algemeen om de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk te achten. De schadevordering dient daarom afgewezen te worden.
Tentboek
4.27.
Zoals hiervoor overwogen dient [de leverancier] het tentboek pas aan Old Inn te verstrekken na betaling van € 2.500,00. De vordering tot afgifte van het tentboek is nog niet opeisbaar en dient daarom afgewezen te worden.
Proceskosten
4.28.
Old Inn is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [de leverancier] worden begroot op salaris gemachtigde van € 432,00 (2 punten × factor 0,5 × € 432,00).

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt Old Inn om aan [de leverancier] te betalen een bedrag van € 7.778,17, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over
€ 6.028,96, met ingang van de dag volgende op die van de dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Old Inn in de proceskosten van € 1.243,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Old Inn niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Old Inn tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van Old Inn af,
5.7.
veroordeelt Old Inn in de proceskosten van € 432,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Voetnoten

1.Zie r.o. 4.14.
2.HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099,
3.Productie 13 van Old Inn; Old Inn klaagt onder meer over de lekkage.
4.Productie 4 van Old Inn bij conclusie van antwoord; Old Inn klaagt onder meer over de lekkage.
5.Productie 9 van Old Inn; Old Inn klaagt over lekkage.
6.MO I,
7.Tijdens de vorige procedure en ook daarna op 27 januari 2025 heeft Old Inn (via zijn gemachtigde) aanspraak gemaakt op ontbrekende materialen.
8.Uit de website van KNMI zou volgen hoeveel dagen regen per jaar is.
9.Uit de website van Hormax zou volgen wat de gemiddelde besteding in Nederland per tafel is.