ECLI:NL:RBLIM:2026:2664

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
11978575 \ CV EXPL 25-5069
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting collegegeld en incassokosten toegewezen aan Zuyd Hogeschool

De zaak betreft een vordering van Zuyd Hogeschool tegen een gedaagde die zich via Studielink inschreef voor een opleiding en het collegegeld in termijnen zou betalen. De gedaagde betaalde echter zeven facturen niet, wat leidde tot een vordering van € 1.854,25 inclusief hoofdsom, rente en incassokosten.

De gedaagde voerde verweer met een beroep op onvoorziene omstandigheden, namelijk de ernstige psychische ziekte van zijn echtgenote, waardoor hij niet in staat was de lessen te volgen en zich administratief uit te schrijven. Tevens verzocht hij om matiging van de vordering op grond van redelijkheid en billijkheid.

De kantonrechter oordeelde dat het verweer onvoldoende was onderbouwd en dat de gedaagde geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om zijn verweer nader toe te lichten. De stellingen van Zuyd Hogeschool bleven daardoor onweerlegd. De kantonrechter wees het beroep op redelijkheid en billijkheid af, omdat onverkorte toepassing van de overeenkomst niet onaanvaardbaar was gebleken.

De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag, de wettelijke rente vanaf 4 november 2025, en de buitengerechtelijke incassokosten. Tevens werd hij veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaand collegegeld, rente, incassokosten en proceskosten aan Zuyd Hogeschool.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11978575 \ CV EXPL 25-5069
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
STICHTING ZUYD HOGESCHOOL,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Zuyd Hogeschool,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders Eindhoven,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft zich via Studielink ingeschreven voor het volgen van een opleiding.
Hij heeft ervoor gekozen om het verschuldigde collegegeld in tien termijnen te voldoen.
2.2.
In de periode van 18 november 2024 tot 9 mei 2025 zijn bij zeven facturen een bedrag van € 1.512,54 in rekening gebracht. Deze facturen zijn niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
Zuyd Hogeschool vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.854,25 (€ 1.512,54 aan hoofdsom, € 67,19 aan rente en € 274,52 aan incassokosten), vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vorderingen van Zuyd Hogeschool dan wel tot matiging daarvan.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In deze procedure gaat het om de vraag of [gedaagde] de vorderingen van Zuyd Hogeschool moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Hierna zal dit worden uitgelegd.
4.2.
[gedaagde] erkent dat er een overeenkomst met een betalingsverplichting is gesloten. Hij voert aan dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden die eruit bestaan dat zijn echtgenote ernstig psychisch ziek werd waardoor hij niet in staat was om de lessen te volgen. [gedaagde] stelt dat hij hierdoor ook niet in staat was om de administratieve uitschrijving te regelen. Verder beroept [gedaagde] zich op de beperkte deelname aan de cursus en verzoekt hij om matiging en beoordeling van de redelijkheid.
4.3.
Zuyd Hogeschool heeft het verweer van [gedaagde] besproken en zij heeft haar eigen stellingen toegelicht. Met name heeft zij uitgelegd dat het heel eenvoudig is om zich uit te schrijven voor de opleiding. Volgens de Regeling Toelating, Inschrijving en Uitschrijving Zuyd Hogeschool 2024-2025 wordt de uitschrijving beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op het verzoek.
4.4.
[gedaagde] is bij brief van de griffier van 4 februari 2026 in de gelegenheid gesteld om te reageren op de conclusie van repliek van Zuyd Hogeschool. [gedaagde] heeft echter niet gereageerd en heeft de mogelijkheid onbenut gelaten om zijn verweer verder toe te lichten en eventueel te onderbouwen. De kantonrechter houdt daarom geen rekening met het verweer van [gedaagde] . Dit houdt in dat de stellingen van Zuyd Hogeschool als niet weersproken vast staan en dat haar vordering wordt toegewezen.
4.5.
Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat er ook geen aanleiding was om de vordering af te wijzen of te matigen op basis van de redelijkheid en billijkheid. Zoals Zuyd Hogeschool al opmerkt slaagt een beroep daarop alleen als onverkorte toepassing van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld om dit te kunnen beoordelen.
4.6.
Omdat [gedaagde] met de betaling in verzuim is, is hij wettelijke rente verschuldigd. Het aan rente gevorderde bedrag is niet betwist en wordt toegewezen.
4.7.
Zuyd Hogeschool vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Daarom zal een bedrag van € 274,52 worden toegewezen.
4.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Zuyd Hogeschool worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.073,64

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Zuyd Hogeschool te betalen een bedrag van € 1.579,73, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 1.512,54, met ingang van 4 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Zuyd Hogeschool te betalen een bedrag van € 274,52 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.073,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.