AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming voor oproeping moeder in vrijwaring bij geldlening tussen zoon en ouders
In deze civiele bodemzaak vordert de zoon terugbetaling van een geldlening die hij met zijn ouders sloot voor de bouw van een mantelzorgwoning. Na de echtscheiding van zijn ouders is de woning en het perceel aan de vader toegewezen. De vader verzoekt in een incident toestemming om de moeder in vrijwaring op te roepen, stellende dat zij mede aansprakelijk is als medeschuldenaar op grond van artikel 6:10 BWPro.
De zoon verzet zich tegen deze oproeping, stellende dat de ouders gescheiden zijn en de gemeenschap is ontbonden, waardoor de moeder niet aansprakelijk zou zijn. Ook wijst hij op correspondentie waarin de vader bereidheid tot terugbetaling uitspreekt, maar dit buiten de echtscheiding wil houden. De rechtbank oordeelt dat de vordering tot oproeping in vrijwaring voldoende aannemelijk is en dat enige vertraging door de vrijwaring niet onaanvaardbaar is.
De rechtbank wijst het verzoek toe en compenseert de proceskosten van het incident, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling en de moeder mag worden gedagvaard voor de zitting van 22 april 2026.
Uitkomst: De rechtbank staat toe dat de moeder in vrijwaring wordt opgeroepen en compenseert de kosten van het incident.
Uitspraak
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/348635 / HA ZA 26-24
Vonnis in incident (bij vervroeging) van 25 maart 2026
in de zaak van
[de zoon],
te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [de zoon] ,
advocaat: mr. E.G.W. Hendriks,
tegen
[de vader],
te [plaats 2] , gemeente [plaats 1] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [de vader] ,
advocaat: mr. J.G.M. Nass.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 37, - de conclusie van antwoord tevens incidentele oproeping in vrijwaring met producties 1 en 2,
- de incidentele conclusie van antwoord met productie A.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2.Het geschil
in de hoofdzaak
2.1.
[de vader] is de vader van [de zoon] . [de zoon] stelt een geldlening te hebben gesloten met zijn beide ouders ten behoeve van het oprichten van een zogenaamde mantelzorgwoning op het perceel waar partijen als gezin woonachtig waren. [de zoon] zou als huurder/gebruiker intrek nemen in deze woning. De ruwbouw van deze woning was eind 2021 klaar. Het huwelijk van de ouders van [de zoon] is ontbonden op 7 februari 2025. De voormalig echtelijke woning inclusief de ruwbouw is aan [de vader] toebedeeld. [de zoon] is van mening dat [de vader] daarmee gehouden is om de volledige geldlening aan [de zoon] te restitueren. [de zoon] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [de vader] zal veroordelen om binnen 2 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [de zoon] tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag ad primair € 40.395,74, subsidiair € 20.197,87, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten alsook e.e.a. te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
2. [de vader] zal veroordelen in de koste van de procedure, alsook in de nakosten.
in het incident
2.2.
[de vader] vordert in het incident dat de rechtbank toestemming aan hem verleent om [de moeder] (hierna: [de moeder] ) in vrijwaring op te roepen. Ter onderbouwing voert [de vader] aan dat, mocht worden geoordeeld dat sprake is van een geldleenovereenkomst en een daaruit voortvloeiende verplichting tot betaling, [de moeder] , zijnde de moeder van [de zoon] , in de interne verhouding mede draagplichtig is voor deze schuld krachtens artikel 6:10 BWPro, nu zij in dat geval als medeschuldenaar moet worden aangemerkt.
2.3.
[de zoon] voert verweer. Hij stelt dat er geen grondslag is om zijn moeder in vrijwaring op te roepen op basis van 6:10 BW, nu zijn ouders zijn gescheiden en de gemeenschap is ontbonden. De akte van levering is inmiddels gepasseerd en het perceel waarop de mantelzorgwoning is gebouwd is aan [de vader] toebedeeld. Daarnaast wijst [de zoon] op correspondentie tussen de (voormalige) advocaten van beide ouders, waarin [de vader] zijn bereidheid heeft uitgesproken de lening aan [de zoon] terug te betalen, maar er voor heeft gekozen om dit buiten de echtscheiding te houden. Daarnaast voert [de zoon] aan dat toewijzing van de incidentele vordering zal leiden tot onnodige vertraging van de procedure.
3.De beoordeling in het incident
3.1.
Gelet op de door [de vader] aangevoerde grond voor de oproeping in vrijwaring van [de moeder] , is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de rechtsverhouding tussen [de vader] enerzijds en [de moeder] anderzijds met zich mee kan brengen dat [de moeder] gehouden zal zijn om [de vader] vrij te houden van de nadelige gevolgen van een (deel van de) eventuele veroordeling in deze (hoofd)zaak. Dat is voor toewijzing van het verzoek voldoende. De vrijwaring zal leiden tot enige vertraging van het geding, maar die is niet onaanvaardbaar te achten.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen, nu de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen.
3.3.
De proceskosten zullen vanwege de familierechtelijke relatie worden gecompenseerd.
4.De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
staat toe dat [de moeder] door [de vader] wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 22 april 2026,
4.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 april 2026voor opgave verhinderdata aan de zijde van alle partijen voor een mondelinge behandeling in de periode mei 2026 tot en met november 2026,
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken.