Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:2672

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/03/343726 / HA ZA 25-318
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Rulkens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:42 BWArt. 5:37 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot verwijdering bomen binnen verboden zone en onrechtmatige hinder

Partijen zijn buren met aangrenzende percelen gescheiden door een tuinmuur. Eiseres vordert verwijdering van twee bomen die volgens haar binnen de verboden zone van 2 meter erfgrens staan en onrechtmatige hinder veroorzaken door verminderde lichtinval, bladafval en overhangende takken.

De rechtbank stelt vast dat de gemeente Gennep een verordening heeft die een kleinere afstand van 0,5 meter toestaat. De bomen staan op 70 en 80 centimeter afstand, dus buiten de verboden zone. De primaire vordering wordt daarom afgewezen.

Subsidiair is onvoldoende onderbouwd dat sprake is van onrechtmatige hinder. De rechtbank constateert geen noemenswaardige lichtvermindering, geen overhangende takken en geen lekkages door bladafval. Buren moeten enige hinder dulden, zeker bij een opslagruimte. De vorderingen worden afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot verwijdering en snoei van de bomen af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/343726 / HA ZA 25-318
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. R.J. Verweij,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. S.A. van Snippenburg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 5 november 2025 waarin een gerechtelijke plaatsopneming en een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte houdende uitlating aan de zijde van [eiseres]
- de gerechtelijke plaatsopneming en de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [eiseres] is (samen met haar echtgenoot) eigenaar van het perceel gelegen aan [adres 1] . [gedaagden] zijn eigenaar van het perceel gelegen aan [adres 2] . Hun tuinen grenzen in de lengterichting aan elkaar en zijn gescheiden door een tuinmuur.
2.2.
Aan één zijde van de tuinmuur, in de tuin van [eiseres] , staat een tuinhuis. Tussen het tuinhuis en de tuinmuur is aan de bovenzijde een doorzichtige golfplaat met daarboven een goot aangebracht. De ruimte tussen het tuinhuis en de tuinmuur wordt gebruikt voor de opslag van gereedschap.
2.3.
Aan de andere zijde van de tuinmuur, in de tuin van [gedaagden] , staan ter hoogte van die plaats twee bomen. Deze bomen staan op een afstand van respectievelijk 70 centimeter en 80 centimeter van de tuinmuur.
2.4.
Bij brief van 5 augustus 2024 heeft [eiseres] verzocht om verwijdering van de bomen.
2.5.
Bij brief van 5 september 2024 hebben [gedaagden] gereageerd op het verzoek, waarbij zij verwijzen naar de Verordening Beschermde Houtopstanden Gennep.
2.6.
De gemeente Gennep heeft in haar Verordening Beschermde Houtopstanden Gennep (die op 1 mei 2020 in werking is getreden) is – voor zover van belang – het volgende bepaald:
‘’
Artikel 1 Begripsomschrijvingen Pro
(…)
d. boom: een houtig gewas met één houtige stam die zich pas op enige hoogte
boven het maaiveld vertakt;
(…).’’
‘’
Artikel 9 Afstand Pro van de erfgrenslijn
De afstand, bedoeld in artikel 42 van Pro Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek bedraagt 0,5 meter voor bomen en nihil voor heesters en heggen.’’
2.7.
[eiseres] vordert verwijdering van de betreffende bomen. Volgens [eiseres] staan de bomen binnen de in artikel 5:42 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedoelde verboden afstand van de erfgrens. Subsidiair stelt [eiseres] dat sprake is van onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 BW Pro. Volgens [eiseres] bestaat deze hinder uit verminderde lichtinval in de opslagruimte tussen het tuinhuis en de tuinmuur, bladafval van de bomen waardoor de goot verstopt raakt en lekkage zou kunnen ontstaan, en mogelijke overhang van takken boven haar perceel.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair [gedaagden] veroordeelt tot verwijdering van de door [gedaagden] geplaatste twee bomen genoemd in het lichaam van de dagvaarding binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, daaronder een dagdeel begrepen, dat aan het vonnis geen gevolg wordt gegeven, met een maximum van € 40.000,00;
Subsidiair [gedaagden] veroordeelt tot het terugbrengen tot een hoogte van twee meter van de door [gedaagden] geplaatste twee bomen genoemd in het lichaam van de dagvaarding binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, daaronder een dagdeel begrepen, dat aan het vonnis geen gevolg wordt gegeven, met een maximum van € 40.000,00;
Meer subsidiair [gedaagden] veroordeelt tot het terugsnoeien tot de erfgrens van de overhangende takken van de door [gedaagden] geplaatste twee bomen genoemd in het lichaam van de dagvaarding binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, daaronder een dagdeel begrepen, dat aan het vonnis geen gevolg wordt gegeven met een maximum van € 40.000,00;
[gedaagden] veroordeelt in de kosten van dit geding te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en, voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede [gedaagden] veroordeelt in de nakosten en de eventuele verdere executiekosten.
3.2.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Niet-ontvankelijkheid
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat [gedaagden] hun verweer (inhoudende dat [eiseres] niet-ontvankelijk zou zijn in haar vorderingen, omdat niet ook haar echtgenoot als mede-eigenaar van het perceel als eiser optreedt) ter zitting hebben ingetrokken. Dit verweer behoeft om die reden geen inhoudelijke bespreking.
De verboden zone
4.2.
Op grond van artikel 5:42 BW Pro is het niet geoorloofd om binnen twee meter van de grenslijn van het naburige erf bomen te houden. Ingevolge lid 2 van dit artikel kan bij verordening of plaatselijke gewoonte een kleinere afstand worden toegelaten.
De gemeente Gennep heeft bij haar Verordening Beschermde Houtopstanden Gennep (hierna te noemen: de Verordening) in artikel 9 bepaald Pro dat voor bomen een afstand van een halve meter tot de erfgrens geldt. Daarmee is gebruik gemaakt van de in artikel 5:42 lid 2 BW Pro geboden mogelijkheid om een kleinere afstand toe te staan. Het betoog van [eiseres] dat artikel 9 van Pro de Verordening uitsluitend betrekking heeft op beschermde houtopstanden volgt de rechtbank niet. In artikel 9 wordt Pro gesproken over “bomen”, zonder beperking tot beschermde houtopstanden en wordt uitdrukkelijk verwezen naar de bepaling van artikel 42 van Pro Boek 5 BW. Gelet daarop overweegt de rechtbank dat de in dat artikel genoemde afstand geldt voor alle bomen als bedoeld in de begripsomschrijving van artikel 1, onder d, van de Verordening.
Vaststaat dat de bomen op een afstand van respectievelijk 70 centimeter en 80 centimeter van de tuinmuur staan. Daarmee staan zij niet binnen de op grond van de Verordening verboden zone van een halve meter tot de erfgrens. Dat betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 5:42 BW Pro, zodat de vorderingen van [eiseres] op deze primaire grondslag niet toewijsbaar zijn.
Onrechtmatige hinder
4.3.
[eiseres] heeft subsidiair aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat sprake is van onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 BW Pro. De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 5:37 BW Pro de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW Pro onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen. Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig, is blijkens vaste rechtspraak van de Hoge Raad afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval waaronder de plaatselijke omstandigheden (HR 3 mei 1991, NJ 1991/476). Daarbij benadrukt de rechtbank dat wat als overlast wordt ervaren, voor een belangrijk deel subjectief van aard is. Dat buren bijvoorbeeld wel eens wat horen of last hebben van geur, maakt nog niet dat sprake is van onrechtmatige hinder. Enige vorm van hinder moeten buren over en weer van elkaar dulden; het moet gaan om overlast (HR 20 december 1940, NJ 1941,336). Waar de grens ligt tussen hetgeen buren van elkaar moeten dulden en wat onrechtmatige hinder is, is in algemene zin moeilijk te duiden. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van hinder die zodanig ernstig is dat die als onrechtmatig is aan te merken. Evenmin is gebleken van overhangende takken zodat ook de vordering tot het terugsnoeien wordt afgewezen. Zij overweegt daartoe als volgt.
4.4.
Volgens [eiseres] bestaat de hinder uit verminderde lichtinval, overhangende takken en bladafval waardoor de goten verstopt raken en lekkages ontstaan.
Tijdens de gerechtelijke plaatsopneming heeft de rechtbank niet waargenomen dat van noemenswaardige vermindering van lichtinval sprake is. Ook uit de door [eiseres] overgelegde foto’s blijkt daarvan niet. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat het hier geen leefruimte betreft, maar een opslagruimte voor (tuin)gereedschap. Deze omstandigheid weegt mee bij de beoordeling of sprake is van onrechtmatige hinder. Voor zover al sprake zou zijn van enige vermindering van lichtinval, kan dit bovendien eenvoudig worden ondervangen door het aanbrengen van verlichting in de betreffende ruimte.
4.5.
Ook de stelling van [eiseres] dat sprake is van overhangende takken treft geen doel. Tijdens de gerechtelijke plaatsopneming heeft de rechtbank waargenomen dat geen sprake is van takken die over de erfgrens hangen. Daarmee ligt ook de onder 3 ingestelde vordering tot terugsnoeien van overhangende takken voor afwijzing gereed.
4.6.
Voor wat betreft het gestelde bladafval en de veronderstelde verstopping en lekkage bij de dakgoot overweegt de rechtbank dat tijdens de gerechtelijke plaatsopneming geen lekkages, bladophopingen of verstoppingen zijn waargenomen. [eiseres] heeft bij die gelegenheid evenmin concrete lekkages aangewezen. Dat bladafval van bomen van tijd tot tijd moet worden opgeruimd en dat dakgoten periodiek moet worden schoongemaakt, is een omstandigheid die het eigendom van een tuin met daarin een tuinhuis met dakgoot nu eenmaal met zich meebrengen. Dat ook wel eens bladeren van de boom uit de tuin van de buren kunnen over waaien is een omstandigheid die buren in een woonomgeving in beginsel van elkaar hebben te dulden. De rechtbank benadrukt dat buren over en weer – binnen zekere grenzen – enige hinder van elkaar hebben te dulden. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat [gedaagden] ter zitting onbetwist hebben gesteld dat een hovenier viermaal per jaar de bomen snoeit en daarbij tevens de dakgoot van het tuinhuis van de buren schoonmaakt.
4.7.
Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat sprake is van onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 BW Pro. Ook de subsidiaire grondslag kan de vorderingen van [eiseres] daarom niet dragen. De vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen. Nu de hoofdvorderingen worden afgewezen zijn de gevorderde dwangsom- en proceskostenveroordelingen eenzelfde lot beschoren.
Proceskosten
4.8.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.959,00
(3 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.479,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.479,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rulkens en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.