ECLI:NL:RBLIM:2026:2673

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
11951900 \ CV EXPL 25-4534
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Quaedackers
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling achterstallige zorgpremie toegewezen door rechtbank Limburg

CZ Zorgverzekeringen vordert betaling van achterstallige premie over augustus en september 2023 van gedaagde, die deze niet heeft voldaan. Na meerdere betalingsregelingen die niet werden nagekomen, startte CZ een procedure bij de rechtbank Limburg.

Gedaagde erkent de schuld maar beroept zich op zijn financiële situatie. De rechtbank oordeelt dat de betalingsverplichting uit de zorgverzekeringsovereenkomst onbetwist is en dat de financiële situatie van gedaagde hem niet ontslaat van betaling.

De rechtbank wijst de vordering van CZ toe tot een bedrag van €201,50, rekening houdend met een gedeeltelijke betaling. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten van €497,95. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €201,50 achterstallige premie en proceskosten van €497,95.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11951900 \ CV EXPL 25-4534
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met productie 1,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek tevens houdende akte vermindering van eis met producties 2 en 3,
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] is met CZ een zorgverzekeringsovereenkomst aangegaan, uit hoofde waarvan [gedaagde] iedere maand premie moet betalen aan CZ.
2.2.
[gedaagde] heeft de premie over de maanden augustus en september 2023 niet betaald.
2.3.
Bij brief van 27 juni 2025 heeft CZ [gedaagde] gesommeerd om een bedrag van
€ 347,03 (hoofdsom, vermeerderd met rente en incassokosten) uiterlijk 2 juli 2025 te betalen.
2.4.
Hierna zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen, maar deze is op 30 juli 2025 door [gedaagde] niet nagekomen, waarna de regeling is komen te vervallen en [gedaagde] is gedagvaard.
2.5.
Op 21 november 2025, na het uitbrengen van de dagvaarding, hebben partijen wederom een betalingsregeling getroffen. Hierin is afgesproken dat [gedaagde] steeds uiterlijk de eerste van de maand € 75,00 aan CZ moet betalen.
2.6.
Op 29 november 2025 is er een bedrag van € 75,00 door [gedaagde] aan CZ betaald.

3.Het geschil

3.1.
CZ heeft aanvankelijk gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 276,50, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
CZ legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] met CZ een zorgverzekeringsovereenkomst is aangegaan en dat hij op grond van die overeenkomst aan haar periodiek premie verschuldigd is. [gedaagde] heeft een bedrag van € 276,50 aan premie over de perioden augustus en september 2023 niet betaald.
3.3.
Bij conclusie van repliek, tevens houdende vermindering van eis, heeft CZ haar vordering verminderd en gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om aan CZ te betalen een bedrag van € 201,50 (€ 276,50 - € 75,00) aan resterende premie over de maanden augustus en september 2023, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.4.
[gedaagde] erkent de vordering van CZ, maar stelt dat hij wegens zijn financiële situatie niet heeft kunnen betalen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] het bedrag van € 276,50 aan premie over de maanden augustus en september 2023 niet aan CZ heeft betaald. CZ heeft bij haar eiswijzing aangevoerd dat zij op 29 november 2025 uit hoofde van de inmiddels getroffen betalingsregeling een bedrag van € 75,00 van [gedaagde] heeft ontvangen. CZ heeft om die reden haar vordering met € 75,00 verminderd, waardoor – zo begrijpt de kantonrechter – een bedrag van € 201,50 aan openstaande premie resteert.
4.2.
De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst gehouden is de maandelijkse premies te betalen. De persoonlijke financieel lastige situatie van [gedaagde] maakt dat helaas voor hem niet anders. [gedaagde] zal dan ook de resterende premie van € 201,50 over de maanden augustus en september 2023 alsnog moeten betalen.
4.3.
Gelet op al het voorgaande zal het door CZ gevorderde bedrag van € 201,50 worden toegewezen.
Proces- en nakosten
4.4.
[gedaagde] heeft verzocht om de proceskosten kwijt te schelden. De kantonrechter overweegt dat het niet betalen van de premie over de maanden augustus en september 2023 de reden is geweest voor het starten van deze procedure. CZ heeft daarvoor kosten moeten maken. In dat verband heeft CZ gesteld dat [gedaagde] de betalingsregeling had moeten nakomen waarmee hij een gang naar de rechter had kunnen voorkomen. Op grond van artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld in de proceskosten veroordeeld. Op deze regel bestaan een aantal uitzonderingen, maar die doen zich in deze zaak niet voor.
4.5.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
497,95

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 201,50,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 497,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. Bisscheroux op 25 maart 2026.