ECLI:NL:RBLIM:2026:2674

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
ROE 26/486
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 1:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening wegens ontbreken belanghebbende bij omgevingsvergunning

Deze uitspraak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg om het bezwaar van een persoon tegen een omgevingsvergunning niet-ontvankelijk te verklaren. Verzoeker 1 is niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit, wat een formeel connexiteitsvereiste is.

Verzoeker 2 heeft het verzoek om voorlopige voorziening ingediend, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat hij geen belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning. De afstand tot de bedrijfslocatie is ongeveer 978 meter en de milieugevolgen zoals geur, geluid en luchtkwaliteit zijn volgens het college niet waarneembaar of verwaarloosbaar op de locatie van verzoeker 2. Ook de mogelijke verspreiding van asbestvezels is volgens het college geborgd door vergunningvoorschriften.

De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college en concludeert dat verzoeker 2 onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij gevolgen van enige betekenis ondervindt. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en heeft het beroep van verzoeker 2 geen redelijke kans van slagen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard voor verzoeker 1 en afgewezen voor verzoeker 2 wegens ontbreken van belanghebbende bij de omgevingsvergunning.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/486
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] en [naam], beiden uit Montfort, verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg, het college,

(gemachtigde: mr. X.H.E. Rijnders)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Deponie Zuid B.V., gevestigd in Montfort, vergunninghouder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college tot het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van [naam] tegen een verleende omgevingsvergunning voor een verandering van een eerder verleende omgevingsvergunning voor de locatie [adres] in Montfort. [naam] is niet eens met dit besluit en heeft daarom daartegen beroep ingesteld. Verzoekers hebben ook verzocht om voorlopige voorziening.
2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek van [naam] niet-ontvankelijk is, omdat niet wordt voldaan aan het formele connexiteitsvereiste. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat [naam] geen belanghebbende bij de verleende omgevingsvergunning is en het college om die reden zijn bezwaar daartegen bij de beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren. De voorzieningenrechter wijst zijn verzoek dus af. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

3. Met het besluit van 24 juli 2025 heeft het college de omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend. [naam] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 15 januari 2026 heeft het college het bezwaar van [naam] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen belanghebbende bij dat besluit is.
[naam] heeft daartegen beroep ingesteld en samen met [naam] de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorziening te treffen.
4. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het verzoek van [naam]
5. De voorzieningenrechter overweegt dat alleen als tegen een besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt, kan iemand een verzoek om een voorlopige voorziening doen. [1] Dit wordt het formele connexiteitsvereiste genoemd. [naam] heeft geen beroep tegen het bestreden besluit van 15 januari 2026 ingesteld, waardoor niet aan het formele connexiteitsvereiste wordt voldaan. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt.
Het verzoek van [naam]
6. De voorzieningenrechter acht een voldoende spoedeisend belang aanwezig. Vergunninghouder kan van de omgevingsvergunning gebruik maken en als zich de milieurisico’s zouden voordoen die [naam] stelt, dan levert dat een voldoende spoedeisend belang op. De voorzieningenrechter komt dan ook toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening.
7. [naam] heeft beroep ingesteld tegen het besluit waarin het college zijn bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij geen belanghebbende zou zijn bij de omgevingsvergunning. Het beroep van [naam] richt zich hiertegen, althans kan zich hier alleen tegen richten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college [naam] terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt en dat het beroep van [naam] tegen dat besluit geen redelijke kans van slagen heeft en waarschijnlijk ongegrond zal zijn. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
8. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. Als uitgangspunt geldt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is. Daarbij geldt dat die gevolgen wel van enige betekenis moeten zijn. [2] Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. [3]
9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [naam] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verleende omgevingsvergunning gevolgen van enige betekenis voor zijn woon- of leefsituatie heeft. [naam] woont op ongeveer 978 meter afstand van de bedrijfslocatie aan de [adres] in Montfort. Het college heeft in de verleende omgevingsvergunning toegelicht wat de milieugevolgen van de vergunde milieubelastende activiteiten zijn. Geur, geluid en luchtkwaliteit zijn de enige milieugevolgen waarvan in potentie buiten de locatie van de milieubelastende activiteiten gevolgen kunnen worden ondervonden. [naam] heeft dat ook niet betwist.
9.1.
Het college heeft over geur afkomstig van de bedrijfslocatie ter plaatse van de woning van [naam] kunnen stellen dat die niet waarneembaar is, gelet op de afstand van de woning van [naam] ten opzichte van de bedrijfslocatie. Ook dat heeft niet [naam] gemotiveerd betwist.
9.2.
Over geluid heeft het college kunnen stellen dat het aannemelijk is dat de akoestische uitstraling van de bedrijfslocatie op de afstand waar [naam] woont niet waarneembaar is. Daarnaast heeft het college over de luchtkwaliteit kunnen stellen dat het aannemelijk is dat ter plaatse van de woning van [naam] de immissieconcentraties als gevolg van de bedrijfslocatie een verwaarloosbaar kleine bijdrage hebben aan de achtergrond concentratie. Het voorgaande heeft [naam] onvoldoende gemotiveerd betwist.
9.3.
Ten slotte is het college nog ingegaan op de verspreiding van asbestvezels. Het college heeft in dat verband toegelicht dat aan de omgevingsvergunning voorschriften zijn verbonden op basis waarvan de (stort)werkzaamheden met asbesthoudende grond alleen plaats mogen vinden. Als vergunninghouder zich aan die voorschriften houdt, dan wordt daarmee geborgd dat stof, met mogelijke asbestvezels daarin, nooit buiten de locatie van de milieubelastende activiteiten kan komen en dus ook niet op het perceel van [naam]. Hij stelt in dat kader dat hij gezondheidseffecten door de omgevingsvergunning zal ervaren vanwege de verspreiding van asbest door de wind, maar onderbouwt dit standpunt niet met stukken. De voorzieningenrechter volgt dan ook het standpunt van het college.
10. Omdat [naam] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verleende omgevingsvergunning gevolgen van enige betekenis voor hem heeft, heeft het college het bezwaar van [naam] niet-ontvankelijk mogen verklaren. Dat betekent ook dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het beroep van [naam] geen redelijke kans van slagen heeft en dat betekent dan weer dat er ook geen aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek van [naam]
niet-ontvankelijk en wijst het verzoek van [naam] af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het verzoek om voorlopige voorziening van [naam] niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening van [naam] af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: 20 maart 2026
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 maart 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:81 van Pro de Awb.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1758.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3247.