Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:2735

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
10728073 \ EZ VERZ 23-317
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling vereffenaarsloon en beoordeling betwiste erfbelastingvordering nalatenschap

Op 24 september 2019 is de erflater overleden zonder testament. Rijksvastgoedbedrijf is bij beschikking van 27 januari 2021 benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap. De onroerende zaak behorende tot de nalatenschap is verkocht en de overwaarde is gestort op de boedelrekening.

Rijksvastgoedbedrijf verzoekt de rechtbank om vaststelling van het vereffenaarsloon. Uit de stukken blijkt dat een bedrag van €2.337,00 aan zaakwaarneming is gedeclareerd en een correctie is gemaakt op een kennelijke telfout in de urenspecificatie. Uiteindelijk wordt het vereffenaarsloon vastgesteld op €6.104,75.

Hoewel Rijksvastgoedbedrijf stelt dat de vereffening is voltooid, is uit de rekening en verantwoording een betwiste vordering van de Belastingdienst ter zake erfbelasting van €36.251,00 gebleken. De kantonrechter oordeelt dat deze betwiste vordering niet strookt met de stelling dat de vereffening is afgerond en geeft Rijksvastgoedbedrijf de gelegenheid zich hierover uit te laten.

De kantonrechter wijst het meer of anders verzochte af en spreekt de beschikking uit op 24 maart 2026.

Uitkomst: Het vereffenaarsloon wordt vastgesteld op €6.104,75 en Rijksvastgoedbedrijf krijgt gelegenheid zich uit te laten over de betwiste erfbelastingvordering.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer / rekestnummer: 10728073 \ EZ VERZ 23-317
Beschikking van 3 april 2026
in de zaak van
RIJKSVASTGOEDBEDRIJF MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKREALTIES,
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflater] ,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Rijksvastgoedbedrijf.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de veelvuldige verzoeken van de griffier bij deze rechtbank vanaf 2021 tot en met januari 2026 betreffende het aanleveren van informatie door Rijksvastgoedbedrijf, het verzoekschrift met bijlagen dat ter griffie van deze rechtbank is ontvangen op 31 december 2025 en de aanvullingen daar op van 13 februari 2026.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op 24 september 2019 (de dag van de lijkvinding) is te [plaats 2] (de plaats van de lijkvinding) [erflater] (verder de erflater) laatstelijk wonend te [plaats 2] , overleden.
2.2.
De erflater heeft niet bij testament over zijn laatste wil beschikt.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 27 januari 2021 is Rijksvastgoedbedrijf tot vereffenaar van de nalatenschap van de erflater benoemd.
2.4.
Bij beschikking van de kantonrechter van 31 maart 2021 is de datum waarvoor de schuldeisers hun vordering bij Rijksvastgoedbedrijf kunnen indienen bepaald.
2.5.
De tot de nalatenschap behorende onroerende zaak is verkocht en de overwaarde is gestort op de boedelrekening.
2.6.
Op 9 januari 2024 heeft Rijksvastgoedbedrijf in de Staatscourant laten publiceren dat de rekening en verantwoording van de onderwerpelijke nalatenschap ter griffie van deze rechtbank ter inzage ligt.

3.Het verzoek

3.1.
Rijksvastgoedbedrijf vraagt vaststelling van het vereffenaarsloon.

4.De beoordeling

4.1.
Uit de aangeleverde bescheiden volgt dat Rijksvastgoedbedrijf € 2.337,00 in het kader van zaakwaarneming heeft gedeclareerd. Dat bedrag wordt gehonoreerd. Verder volgt uit de urenspecificatie dat op 28 april 2021 een bedrag van € 1.872,00 voor vijf uur aan werkzaamheden van € 116,00 per uur is opgevoerd. Dat bedrag is een kennelijke telfout aangezien vijf uren aan € 116,00 per uur een bedrag vertegenwoordigt van € 580,00. Met inachtneming van het vorenvermelde zal € 6.104,75 aan vereffenaarsloon (€ 2.337,00 aan zaakwaarneming, € 3.155,00 aan loon voor de vereffenaar en € 612,75 aan loon voor de medewerker) worden vastgesteld.
4.2.
Rijksvastgoedbedrijf stelt dat de vereffening van de onderwerpelijke nalatenschap is voltooid. Uit de rekening en verantwoording volgt echter dat er een betwiste vordering is genoteerd van de Belastingdienst ter zake erfbelasting van € 36.251,00. Het voorshands oordeel is dat een existerende betwiste vordering niet rijmt met de stelling dat de vereffening is voltooid. Rijksvastgoedbedrijf wordt daarom in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
stelt het vereffenaarsloon vanaf 27 januari 2021 tot en met heden vast op
€ 6.104,75,
5.2.
stelt Rijksvastgoedbedrijf in de gelegenheid om zich binnen een maand na heden uit te laten over de betwiste vordering van de Belastingdienst erfbelasting van € 36.251,00,
5.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Piëtte, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.