ECLI:NL:RBLIM:2026:2741

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
12049170 \ CV EXPL 26-32
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:225 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ontbinding huurovereenkomst bij huurachterstand met minderjarige kinderen

Wonen Zuid verhuurt sinds november 2021 een woning aan [huurster], die met haar twee minderjarige kinderen woont. Door een huurachterstand van meer dan drie maanden startte Wonen Zuid een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming.

Tijdens de mondelinge behandeling op 23 maart 2026 erkende [huurster] de achterstand en gaf zij aan een betalingsregeling te willen treffen. Partijen kwamen overeen dat de ontbinding en ontruiming voorwaardelijk worden uitgesproken, waarbij [huurster] de huurachterstand en proceskosten in termijnen zal aflossen en de lopende huur tijdig betaalt.

De kantonrechter weegt het woonbelang van [huurster] en haar minderjarige kinderen zwaar mee en acht een redelijke ontruimingstermijn van één maand passend. Het incassokostenbeding in de algemene voorwaarden wordt vernietigd wegens oneerlijkheid, waardoor de vordering van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen.

De kantonrechter veroordeelt [huurster] tot betaling van de huurachterstand, lopende huur, en proceskosten, en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Bij niet-nakoming van de regeling volgt ontbinding en ontruiming.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt voorwaardelijk ontbonden met een betalingsregeling en ontruiming bij niet-nakoming binnen één maand.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12049170 \ CV EXPL 26-32
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
STICHTING WONEN ZUID,
te Roermond,
eisende partij,
hierna te noemen: Wonen Zuid,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[huurster],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurster] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 23 maart 2026,
- het op de mondelinge behandeling door Wonen Zuid overgelegde actuele overzicht van de
huurachterstand.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Wonen Zuid verhuurt met ingang van 8 november 2021 aan [huurster] de woning aan het [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 637,34 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
[huurster] woont in het gehuurde met haar twee minderjarige kinderen van vijftien en tien jaar oud.
2.3.
[huurster] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Er is sprake van een huurachterstand.
2.4.
Wonen Zuid heeft [huurster] aangemaand op 15 juli 2025 om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.
2.5.
Wonen Zuid heeft [huurster] op 22 december 2025 bij de gemeente Leudal aangemeld in het kader van vroegsignalering.
2.6.
Vervolgens heeft Wonen Zuid een dagvaarding uitgebracht tegen [huurster] om deze procedure te starten. Ten tijde van de dagvaarding (5 januari 2026) bedroeg de huurachterstand € 2.257,70 (berekend tot en met december 2025).

3.Het geschil

3.1.
Wonen Zuid voert aan dat [huurster] een huurachterstand heeft laten ontstaan van meer dan drie maanden. Deze tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst rechtvaardigt volgens Wonen Zuid ontbinding van de huurovereenkomst. Zij vordert daarom, samengevat:
- ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde;
- veroordeling tot betaling van de huurachterstand en buitengerechtelijke kosten;
- veroordeling tot betaling van de (toekomstige) huur/gebruiksvergoeding tot aan het
moment van ontruiming;
- veroordeling tot vergoeding van rente en proceskosten.
3.2.
[huurster] erkent de ontstane huurachterstand, maar voert aan een betalingsregeling te willen treffen zodat zij in de woning kan blijven.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Regeling met voorwaardelijke ontbinding en ontruiming
4.1.
Bij de mondelinge behandeling van 23 maart 2026 is met partijen de huurachterstand besproken. Partijen hebben verklaard het eens te zijn over de huurbetalingsverplichtingen die nog openstaan, zoals blijkt uit het door Wonen Zuid tijdens de mondelinge behandeling overgelegde actuele overzicht. De totale huurachterstand tot en met maart 2026 bedraagt € 2.257,70 (inclusief rente ad € 12,05 tot en met 24 december 2025). Verder heeft [huurster] verklaard inmiddels hulp te hebben gezocht voor haar financiële problemen. Zo wordt zij begeleid door een budgetcoach. De lopende huur wordt nu ook structureel betaald. Partijen zijn vervolgens tot een regeling gekomen.
4.2.
De kantonrechter ziet, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, aanleiding om de regeling van partijen vast te leggen in dit vonnis.
4.3.
De regeling tussen partijen houdt in dat de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde slechts voorwaardelijk wordt uitgesproken, namelijk dat Wonen Zuid daartoe pas kan overgaan als [huurster] zich niet houdt aan de volgende afspraken:
[huurster] is voor achterstallige huur tot en met maart 2026 nog een bedrag van € 2.257,70 verschuldigd. [huurster] zal dit bedrag plus de bijkomende proceskosten ad € 1.084,95 (zie rechtsoverweging 4.11.) in termijnen aflossen.
Ter aflossing van de huurachterstand en de proceskosten zal [huurster] ingaande april 2026 een bedrag betalen van minimaal € 100,00 per maand.
Indien de financiële situatie dit toelaat, zal [huurster] meer dan € 100,00 per maand of eventueel extra aflossen op de huurachterstand.
De lopende huur van thans € 637,34 per maand wordt door [huurster] telkens bij vooruitbetaling, vóór de eerste van de maand betaald. De eerstvolgende betaling betreft de huur over april 2026.
[huurster] blijft gebruik maken van begeleiding door de budgetcoach wanneer zij haar financiën niet zelfstandig kan regelen.
Als [huurster] deze regeling nakomt, zal Wonen Zuid niet overgaan tot
tenuitvoerlegging van dit vonnis.
Ontbinding en ontruiming als [huurster] zich niet aan de betalingsregeling houdt of tijdens de aflosperiode de huur niet op tijd betaalt
4.4.
De kantonrechter mag een huurovereenkomst alleen ontbinden als de huurachterstand ernstig genoeg is. Meestal zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. Bij de ontbinding van een huurovereenkomst weegt de kantonrechter de ernst van de wanprestatie (tekortkoming) ook af tegen het woonbelang van de huurder. [1]
4.5.
Het woonbelang [huurster] is evident. Zij heeft een groot belang bij behoud van het gehuurde, aangezien een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde in dit geval niet alleen negatieve gevolgen voor haar zouden hebben, maar ook voor haar twee minderjarige kinderen in de leeftijd van vijftien en tien jaar, waarvoor zij als alleenstaande moeder de zorg heeft. De belangen van minderjarige kinderen wegen op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind zwaar mee in de afweging of tot ontruiming moet worden overgegaan. [2] Dat betekent overigens niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden, maar de belangen van de kinderen worden in de belangenafweging wel meegewogen. In dit geval heeft [huurster] de zorg voor haar minderjarige kinderen en zal het voor haar moeilijk zo niet onmogelijk zijn om vervangende woonruimte te vinden, mede ook gelet op haar financiële situatie. De minderjarige kinderen hebben belang bij een rustige en stabiele thuisbasis. Met de getroffen regeling wordt (ook) tegemoetgekomen aan de belangen van de kinderen. Zolang de regeling wordt nagekomen, kunnen [huurster] en de kinderen in het gehuurde blijven wonen.
4.6.
Gelet op alle omstandigheden in deze zaak wordt de huurovereenkomst voorwaardelijk ontbonden. Als [huurster] zich aan de regeling houdt en de lopende huur betaalt, blijft de huurovereenkomst dus bestaan.
4.7.
Als de huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [huurster] de aflossing en/of de lopende huur niet op tijd betaalt, moet zij het gehuurde met de kinderen en met al haar spullen verlaten. Gezien het feit dat bij deze zaak minderjarige kinderen betrokken zijn, zal een redelijke ontruimingstermijn van één maand gehanteerd moeten worden. Vanaf de dag van ontbinding tot en met de dag van de ontruiming moet [huurster] dan een gebruiksvergoeding van € 637,34 betalen. [3] Dit onder voorbehoud van de eventueel (wettelijk) toegestane huurverhoging.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.8.
Wonen Zuid vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [huurster] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
4.9.
De toepasselijke algemene voorwaarden bevatten een incassokostenbeding (artikel 13.2 Algemene Huurvoorwaarden Zelfstandige Woonruimte d.d. 1 februari 2005). Het is een beding dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Omdat de gedaagde partij een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of dit beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/12/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Een beding wordt als oneerlijk beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Een oneerlijk beding moet, zo nodig ambtshalve, buiten toepassing worden gelaten. Een op een oneerlijk beding gegronde vordering is in dat geval niet toewijsbaar. Evenmin kan dan nog aanspraak worden gemaakt op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder het oneerlijke beding. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, waaronder in het bijzonder het Dexia-arrest [4] en het Gupfinger-arrest. [5]
4.10.
Het beding is oneerlijk omdat de bedongen vergoeding altijd ten minste 15% van de vordering is. De vergoeding kan daarmee dus (aanzienlijk) hoger uitvallen dan de vergoeding die op grond van de wettelijke regels golden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Ook kan de vergoeding aanzienlijk hoger uitvallen dan de vergoeding conform het momenteel geldende Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat het beding daardoor aanzienlijk ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het beding is dus oneerlijk ten opzichte van gedaagde partij en wordt daarom vernietigd. Het gevolg hiervan is dat de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen.
Proceskosten
4.11.
[huurster] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wonen Zuid worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
397,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.084,95

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt,
voorwaardelijk, enkel voor het geval een of meer van de hiervoor onder 4.3. genoemde afspraken niet wordt nagekomen, de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres] , en veroordeelt [huurster]
voorwaardelijk enkel voor het geval een of meer van de hiervoor onder 4.3. genoemde afspraken niet wordt nagekomen, het gehuurde binnen één maand na betekening van dit vonnis met alle personen en zaken die zich van haar kant in het gehuurde bevinden, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Wonen Zuid te stellen,
5.2.
veroordeelt [huurster] tot betaling aan Wonen Zuid van een bedrag van € 2.257,70, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 24 december 2025 tot de dag van volledige voldoening,
5.3.
veroordeelt [huurster] tot betaling aan Wonen Zuid van een bedrag van thans
€ 637,34 per maand vanaf 1 januari 2026, zijnde huur of gebruiksvergoeding, - indien en voor zover de voorwaarde voor de ontbinding effect sorteert - tot het tijdstip van een eventuele ontruiming, onder voorbehoud van eventuele wettelijk toegestane huurverhogingen,
5.4.
veroordeelt [huurster] in de proceskosten van € 1.084,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro
3.Artikel 7:225 BW Pro
4.ECLI:EU:C:2021:68
5.ECLI:EU:C:2022:971