3.3Het oordeel van de rechtbank
Onrechtmatig binnentreden-verweer
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van onrechtmatig binnentreden, nu er niet ‘onmiddellijk’ na het afgeven van de machtiging is binnengetreden in de woning, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) oplevert en moet leiden tot bewijsuitsluiting.
De rechtbank stelt voorop dat onder een vormverzuim wordt verstaan: het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften. De hulpofficier van justitie heeft op 31 maart 2025 een machtiging tot binnentreden in de woning aan het adres [adres] , voor de inbeslagneming van voorwerpen gerelateerd aan de Opiumwet, afgegeven. De machtiging was van kracht op de dag waarop zij was afgegeven en de drie daarop volgende dagen. De verbalisanten zijn de woning op
1 april 2025 binnengetreden. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv en verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
Het proces-verbaal van bevindingen (binnentreden [adres] te Landgraaf), voor zover inhoudende:
Op 1 april 2025 werd de woning [adres] in Landgraaf ter inbeslagneming betreden.
Ik vorderde van de bewoner, [naam medeverdachte] , de uitlevering van de bij hem in bezit zijnde verdovende middelen. De bewoner liet ons de kelder van de woning zien. De kelder bestond uit vier ruimtes, namelijk een ruimte met gereedschap, een ruimte met de wasmachine en de garage die onderverdeeld was in twee ruimtes; namelijk een ruimte voor de garagepoort en een afzonderlijke ruimte met een wand. In de wand zat een deur. De deur van de wand werd geopend en wij zagen dat er rechts een bureau/werkbank stond en aan de linkerzijde twee kasten. Op het bureau/werkbank lag het volgende: weegschaal, drie mesjes, theelepel, eetlepel, een doos latex handschoenen, een rol boterhamzakjes, een rol huishoudfolie, een oranje trechter, een gele trechter, een grote maatbeker, een heel groot pipet en resten van wit poeder. Gezien het aantreffen van deze goederen rees het ernstige vermoeden dat in de woning harddrugs aanwezig kon zijn. Ik vorderde de uitlevering van de bij de bewoner in bezit zijnde verdovende middelen, zijnde harddrugs. De bewoner haalde zijn beurs uit zijn broekzak en legde vervolgens een papieren sealtje op het bureau/werkblad. De bewoner opende de rechter opbergkast, pakte een zilveren kistje en pakte daaruit een plastic zakje, inhoudende een op cocaïne gelijkende stof. De bewoner pakte uit de rechter opbergkast een blauwkleurig geldkistje met daarbovenop een weegschaaltje. Nadat de bewoner het geldkistje geopend had, zagen wij meerdere verpakkingen, inhoudende op verdovende middelen gelijkende stoffen, waaronder XTC tabletten. De bewoner liep naar de linker opbergkast en opende de rechterdeur. Ik zag twee grote stapels bankbiljetten en diverse zakjes verdovende middelen staan. Wij besloten de zaak te bevriezen en de officier van justitie bij de rechter-commissaris een doorzoeking te laten vorderen.
In de woning werden de volgende personen aangetroffen en aangehouden: [naam medeverdachte] en [verdachte] .
Het proces-verbaal van bevindingen (doorzoeking [adres] te Landgraaf), voor zover inhoudende:
De eigenaren van het pand [adres] zijn: [naam medeverdachte] en [verdachte] .
In de kelderruimte van de woning werden meerdere goederen aangetroffen (onder meer):
Goednummer
Voorwerp
Bijzonderheden
1792837
1 zak cocaïne
1011 gram bruto
1792838
10 x ‘kilo blokken’ cocaïne
In rode bigshopper
1792845
Cocaïne
756 gram
1792841
Pink cocaïne
498 gram
1792848
Kristallen
1065 gram
Het proces-verbaal van bevindingen (aantreffen grote hoeveelheid verdovende middelen), voor zover inhoudende:
In de kelder van de woning werd in de linker afgesloten voorraadkast een grote hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen en geld aangetroffen. In de rode bigshopper werden tien (10) pakketten, verpakt met bruine tape, met hierop een zogeheten merkafbeelding aangetroffen. Dit betroffen zogeheten kilopakketten, vermoedelijk cocaïne. Verder zag ik in de voorraadkast meerdere grote hoeveelheden vermoedelijk verdovende middelen. Een pakket afkomstig uit de rode bigshopper werd indicatief getest en reageerde positief als de stof cocaïne.
De kennisgeving van inbeslagneming:
Goednummer: PL2300-2025035870-1792837, 1 stuk, brutogewicht: 1011 gram.
De kennisgeving van inbeslagneming:
Goednummer: PL2300-2025035870-1792838, 10 stuks, brutogewicht: 11 kilogram.
De kennisgeving van inbeslagneming:
Goednummer: PL2300-2025035870-1792845, 3 stuks, brutogewicht: 756 gram.
De kennisgeving van inbeslagneming:
Goednummer: PL2300-2025035870-1792841, 1 stuk, brutogewicht: 489 gram.
De kennisgeving van inbeslagneming:
Goednummer: PL2300-2025035870-1792848, 3 stuks, brutogewicht: 1065 gram.
Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met als bijlagen de rapporten van het NFI:
Goednummer: 1792837, SIN: AAQX1085NL, 998,52 gram netto,
AAQX1085NL: bevat cocaïne.
Goednummer: 1792838, SIN: AAQX1086NL, 9970,29 gram netto,
AAQX1086NL: bevat cocaïne.
Goednummer: 1792845, SIN: AAQX1089NL, 3 groepen,
Groep 1 AASK6498NL: 488,02 gram netto, bevat cocaïne.
Groep 2 AASK6499NL: 150,47 gram netto, bevat cocaïne.
Groep 3 AASK6500NL: 101,33 gram netto, bevat cocaïne.
Goednummer: 179841, SIN: AAQX1087NL, 479,90 gram netto,
AAQX1087NL: bevat MDMA.
Goednummer: 1792848, SIN: AAQX1088NL, 3 groepen,
Groep 1 AASK6495NL: 1000,91 gram netto, bevat MDMA.
Het proces-verbaal van bevindingen (onderzoek telefoon [naam medeverdachte] ), voor zover inhoudende:
Op 1 april 2025 werd de telefoon van verdachte [naam medeverdachte] in beslag genomen.
Gesprek verdachte (owner) met contact ‘' [gsm-nummer] @s.whatsapp.net [naam] '.
6-4-2024 ( [naam] ): Ha jong kan ik nog wat bestellen ergens in de loop van vanmiddag wanneer het uitkomt.
6-4-2024 (owner): Ja dat kan. Zal ik je wel naar mijn wederhelft moeten verwijzen.
6-4-2024 ( [naam] ): Oh dat is niet erg. Stuur ik mijn wederhelft.
6-4-2024 (owner): Het gebruikelijke?
6-4-2024 ( [naam] ): Duo is ook prima. Wat het makkelijkste is.
6-4-2024 (owner): Weet ik wat voor instructie moet doorgeven.
6-4-2024 ( [naam] ): Als die de kneepjes van het vak ook beheerst doe maar. Moet je ff laten weten hoe laat [naam] het kan oppikken.
6-4-2024 (owner): Zal even informeren.
Het proces-verbaal van bevindingen (onderzoek telefoon [verdachte] ), voor zover inhoudende:
Op 1 april 2025 werd de telefoon van verdachte [verdachte] in beslag genomen.
Op de telefoon werd een afbeelding aangetroffen met hierop diverse drugs uitgestald op een witte tafel. Een soortgelijke tafel werd in ruimte 2 van de kelder gelegen in de woning [adres] aangetroffen. Deze fotografische opname werd op 22 augustus 2024 gemaakt. Het verpakkingsmateriaal van de drugs komt overeen met die aangetroffen tijdens de doorzoeking. (…) Deze fotografische afbeeldingen werden met zekerheid gemaakt met de camera van het toestel van de verdachte [verdachte] .
De rechtbank stelt voorop -gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad- dat voor het aanwezig hebben in de zin van de Opiumwet voldoende is dat de verdovende middelen zich
in de machtssfeervan de verdachte bevinden; de verdachte moet de feitelijke macht over de verdovende middelen kúnnen uitoefenen. Daarvoor is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. De verdovende middelen hoeven zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor een bewezenverklaring hoeft niet vastgesteld te worden dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid.
De verdovende middelen zijn aangetroffen in de woning waar verdachte – samen met haar partner (medeverdachte) – eigenaar van is en ook feitelijk woont. Verdachte heeft verklaard dat zij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen in haar woning. Uitgangspunt is echter dat een bewoner van een woning geacht wordt bekend te zijn met alles wat zich in de woning bevindt en daarover ook de feitelijke macht kan uitoefenen. Dat de verdachte wetenschap had van het bestaan van de verdovende middelen, blijkt uit de afbeelding op de telefoon van de verdachte met daarop diverse verdovende middelen uitgestald op een soortgelijke witte tafel als in de kelder werd aangetroffen en het bericht in de telefoon van de medeverdachte dat hij een koper van verdovende middelen verwijst naar zijn ‘wederhelft’. Naast de wetenschap had de verdachte ook de beschikkingsmacht over die middelen. Immers, uit de berichten die in de telefoon van de medeverdachte zijn aangetroffen (waarin de medeverdachte naar zijn wederhelft verwijst), blijkt onmiskenbaar dat de verdachte bij die verdovende middelen kon komen. Desgevraagd op zitting vertelde de verdachte dat de medeverdachte de afbeelding van de verdovende middelen met haar telefoon moet hebben gemaakt. Over de inhoud van de berichten op de telefoon van de medeverdachte (waarin hij verwijst naar zijn “wederhelft”), kon de verdachte geen uitleg geven. De rechtbank gelooft de verdachte niet, nu onduidelijk is gebleven waarom de medeverdachte per se met haar telefoon die foto moest maken (die hij vervolgens meteen weer zou hebben verwijderd) en nu uit de berichten op de telefoon van de medeverdachte juist een actieve betrokkenheid harerzijds blijkt. Het betoog van de verdachte dat zij geen sleutel had van de kelder sneuvelt door de inhoud van die berichten. Bij die stand van zaken kan de conclusie niet anders zijn dan dat de verdachte, samen met de medeverdachte, de verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met haar partner (medeverdachte) 11.708,63 gram cocaïne en 1.480,81 gram MDMA aanwezig heeft gehad.